Raku Oorsprong & Techniek
Raku is een special soort keramiek dat eeuwen geleden werd ontwikkeld door Japanse pottenbakkers. Raku werd het liefst geglazuurd en gestookt tijdens de theeceremonie.
Via Amerika is de Raku techniek naar Europa gekomen, waar steeds meer varianten op de oorspronkelijke Japanse techniek ontstaan.
De Raku methode houdt in dat het werkstuk na het biscuitbranden en glazuren door middel van dompelen, kwasten of spuiten in korte tijd wordt opgestookt naar ongeveer 1000 °C.
Met een tang wordt het rood gloeiende werkstuk uit de oven gehaald.
Door deze temperatuurschok gaat het glazuur haarscheurtjes vertonen: het voor Raku kenmerkende craquelé effect. Na een tiental seconden (afhankelijk van het beoogde effect) wordt het werkstuk in een ton met zaagsel gedaan en ermee afgedekt.
Door het branden van het zaagsel wordt de zuurstof uit het werkstuk getrokken (reduceren), de in het glazuur aanwezige metaaloxiden kunnen daardoor als metaallusters zichtbaar worden. Tevens dringt de rook in de haarscheurtjes van het glazuur waardoor deze zwart kleuren. Na ongeveer een half uur wordt het nog hete werkstuk uit het zaagsel gehaald en aan de lucht of met water verder afgekoeld en daarna schoongemaakt.
Door de wisselende omstandigheden van klei, vuur, tijd, lucht en water is het eindresultaat vaak zeer verrassend.
Als gevolg van grote temperatuursprongen tijdens het proces is Raku keramiek niet waterdicht.
Metaallusters kunnen na verloop van tijd onder invloed van zonlicht veranderen: “een kleur in beweging”.

Typische kenmerken van Raku keramiek zijn:

    Dikke poreuze wand met een doffe klank.
    Craquelé effecten.
    Metaallusters in het glazuuroppervlak.