DE STRIJD VAN MIJN VADER.
de%20strijd%20van%20mijn%20vader014009.jpg
Naar boven...
Contact
de%20strijd%20van%20mijn%20vader014008.jpg

VERTREK UIT INDIň.

 

      Op maandag 26 januari 1942 werd mijn vader geplaatst bij de marine­kazerne te Oedjoeng. Een dag later werd hij geplaatst op zijn oude schip, de kruiser Hr. Ms. Sumatra, die op die dag weer in dienst werd gesteld.

 

      Tijdens de Japanse aanvallen op Nederlands Oost-IndiŽ zat Admiraal Helfrich, de Commandant der Zeemacht in Nederlands Oost-IndiŽ, met een dilem­ma. Personeel en materieel evacue­ren of niet. Aan de ene kant vond hij het een belachelijke ge­dachte onder dreiging van de vijand, het gehele oorlogs­materieel met daarbij behoren­de manschappen naar elders te laten vertrekken; aan de andere kant zou het een verspil­ling zijn dit materieel door een opper­machtige vijand te laten vernietigen en tevens zou het onmen­selijk zijn het personeel aan alle geva­ren van dien bloot te stellen. Personeel en materieel zouden elders ingezet kunnen worden om de strijd voort te zetten. Hoe meer er gered werd, des te sterker men nog was. Toch diende een gedeelte te blijven om het grondgebied te verdedigen. Hij probeerde hierin een gulden midden­weg te vinden en, al met al, vond hij dat hij niet kon toestaan, dat alles onnodig werd vernietigd.

      Zijn gedachten gingen direct uit naar de Sumatra, die inmiddels al 15 maanden in reparatie lag en nog enige maanden nodig had alvorens weer volledig gevechtsgereed te zijn. Hij vond het beter de reparaties elders voort te zetten.

      Omdat er op de Britse marinebasis in Singapore nog maar weinig werk­zaamheden te doen waren, stelde hij de Britse admiral Leyton voor, de voor het schip beschikbare Nederlandse marinemannen aan te vullen met Brits perso­neel. De Britse admiraal had er wel oren naar, maar na enig onderzoek deelde hij mede dat het niet kon. Toch gaf Helfrich de opdracht de kruiser zo spoedig mogelijk vaarge­reed te maken, zodanig dat het schip zeewaardig was en een redelijke vaart kon lopen, zonder bepaald gevechtsgereed te zijn. Als comman­dant werd aangewezen de Kapitein Luitenant ter zee J.G.L. Willinge. Met veel moeite werden van overal mensen bijeengeschraapt om de Sumatra zodanig te bemannen, dat deze in ieder geval kon varen.

      Veel marinemensen protesteerden toen ze de opdracht kregen IndiŽ te verlaten. Nu het er eindelijk om ging spannen moest men het land verlaten. Men zag er het nut niet van in en beschouwde het meer als een vlucht.

      Waarom mijn vader tot het handjevol bemanningsleden van de Sumatra behoorde is niet te achterhalen. Of hij het als een vlucht zag en, mid­dels een opdracht, gedwongen werd deel uit te maken van de beman­ning, is me ook niet geheel duidelijk. Maar als hij als vrijwilliger is gegaan kan ik dit, achteraf, alleen maar een verstandige beslissing vinden en als hij gedwongen werd heeft hij geluk gehad. Als hij in Nederlands Oost-IndiŽ gebleven was zou het uiteindelijk zijn dood of internering in een krijgsgevangenkamp geworden zijn.

 

     Nadat Nederland door de Duitsers was bezet heeft Admiraal Helfrich een rondschrijven verstuurd, gericht aan alle comman­derende officieren, chefs van diensten en overige autoritei­ten der zeemacht, de datum 20 mei 1940, nummer K 1/2/24, getiteld "De eer van de Neder­landsche Vlag". Hierin wordt men, onder andere, herin­nerd aan de tekst van artikel 4 der Algemeene baksorder. Dit artikel schrijft voor: "dat de beloften, door iederen schepeling schrifte­lijk afge­legd bij zijne aanneming in den Rijkszeedienst, hem o.m. ver­plichten zijn leven te geven in den strijd, wanneer dit van hem wordt gevorderd".

      Als dan wordt gevorderd het (toekomstige) strijdtoneel te verlaten, kan men ook maar beter wegwezen.

      Het niet gevechtsgereed zijn van Hr. Ms. Sumatra was een gevaarlijke zaak in de Indische wateren. Al maanden waren er vijandelijke schepen en vliegtuigen waargenomen, of schepen waarvan de herkomst niet kon worden vast­gesteld. In feite was het dan ook een groot risico de kruiser op deze manier de zee op te sturen. Als de redding van het schip, die door sommige bronnen al in de periode 1940 als sterk verouderd werd omschreven, zo belangrijk was, waarom dan de beman­ning niet tot volle sterkte aangevuld, met personeel van oude schepen als Hr. Ms. Soerabaja. Misschien zou dat enige levens hebben gered, getuige het relaas, in het vorige hoofdstuk, van de 9e Japanse luchtaanval op Soerabaja, waarbij de Soerabaja tot zinken werd gebracht. Ik heb dan ook de indruk dat het een soort ťťnmans actie was van de Commandant der Zeemacht in Nederlands Oost-IndiŽ. Zijn memoires lezende kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat hij een zwak had voor de kruiser. Hij spreekt vaak van Ďmijn oude vlaggeschipí als hij de Sumatra bedoelt. Hij schrijft over het vertrek van het schip uit IndiŽ: "Mijn oude vlaggeschip, op de dag van het eerste luchtbombardement uit Soeraba­ja vertrokken, na een verblijf van 15 maanden, was van een wisse dood gered".

      In de jaren 1936 en 1937 was hij in Nederlands Oost-IndiŽ eskadercommandant aan boord van de oude kruiser. Hij schrijft daarover:"Ik was in die eskaderperi­ode zonder mijn gezin in IndiŽ. Gedurende twee volle jaren woonde ik op het vlaggeschip Hr. Ms. Sumatra. Ik zat er steeds in. Het waren de beste jaren uit mijn vaartijd".

      Deze emotionele band met de kruiser zal misschien de reden zijn, dat hij zijn best heeft gedaan om het schip, net voor de bezetting van de Japanners, uit IndiŽ weg te krijgen. Te-vens had hij nog veel vertrouwen in de capaciteiten van het schip, zeker omdat het de voor-gaande vijftien maanden in reparatie was geweest, al waren die reparaties dan nog niet geheel afgerond.

      Het zal hem dan ook verdriet hebben gedaan toen de Sumatra in 1944, als golfbreker voor de aanleg van een kunstmatige haven, tijdens de invasie van NormandiŽ, tot zinken werd gebracht.

      Op 1 februari 1942 werd pa bevorderd tot kwartiermeester. Op 2 februari 1942 lag hij met de Sumatra op de rede van Soerabaja en was getuige van de eerste Japanse aanvallen op deze stad. Vanuit zee zag de bemanning hoe het marinevliegkamp Morokrembangan en binnenstadswijken van Soerabaja door Japanse vliegtuigen werden gebombardeerd. Op 4 februari, tegen de avond, lichtte de het schip het anker om ergens anders de herstellingen die gepland stonden, te ondergaan.

      Het vervulde de bemanning met weemoed toen het anker gelicht werd. Ze waren bereid het uiterste te doen voor de bevrijding van Ďhuní IndiŽ, maar ze hadden het idee hun plicht te doen, nu ze de Sumatra naar een haven konden brengen waar het schip kon worden opge-knapt om de strijd elders voort te zetten.

 

      Dat pa getuige was van de eerste Japanse aanvallen is te lezen in het Friesch Dagblad, van 23 juni 1945. De letterlijke tekst van het artikel is in een bijlage aangehaald. Maar het verhaal in deze krant komt niet geheel overeen met de werkelijke gang van zaken. Vooral de reis naar AustraliŽ is volledig bezijden de waarheid. 

Volgende pagina...
Verantwoording
Staat van dienst
Hr. Ms. Sumatra
Hr. Ms. Flores
Friesch Dagblad
HOME
HET BEGIN (2)
HET BEGIN
ENGELAND
HALIFAX
WEST-INDIň
OOST-INDIň
CEYLON
CEYLON (2)
NAAR EUROPA
PORTHMOUTH
KRIJGSGEVANGEN?
KRIJGSGEVANGEN? (2)
KONVOOIEREN EN
OEFENEN
OPERATIE HUSKY
OPERATIE HUSKY (2)
VERTREK
VERTREK (2)
A/B Hr. Ms. FLORES
ZOALS HIJ WAS (1)
ZOALS HIJ WAS (2)
VRAGEN
HET EINDE
HALIFAX (2)
OOST-INDIň (2)
ROLKAART FLORES
AUGUSTA-CATANIA(2)
VERDEDIGEN EN
AANVALLEN
AUGUSTA-CATANIA
BIZERTE
OPERATIE AVALANCHE
(2)
OPERATIE AVALANCHE
MONDRAGONE
OPERATIE BIGOT
KERST EN JAARWISSELING
OPERATIE SHINGLE (2)
OPERATIE SHINGLE
GAETA EN FORMIA
GAETA EN FORMIA (2)
NAAR ENGELAND
NAAR ENGELAND (2)
DE LAATSTE REIS VAN DE SUMATRA (2)
DE INVASIE VAN
NORMANDIň
DE INVASIE VAN
NORMANDIň (2)
TERNEUZEN
DE LAATSTE REIS VAN DE SUMATRA
WEER THUIS
HUWELIJK
WEER NAAR OOST-INDIň
PLAATSING KLEINE VAARTUIGENDIENST
OVERSPANNEN
OVERSPANNEN (2)
TERUG NAAR NEDERLAND
TERUG NAAR
NEDERLAND (2)
TERUG IN NEDERLAND
TERUG IN NEDERLAND (2)
TERUG IN NEDERLAND (3)
HET EINDE
HET LEVEN AAN BOORD