Uit het:

Friesch Dagblad

No. 56 Zaterdag 23 juni 1945

 

Als iemand verre reizen doet.

Een Friesche jongen op de “Sumatra”.

 


        

Naar boven...

      Na 5 jaar wachten, van strijden, van scheiding, vrees en hoop keeren vele van onze strijders, die in de meidagen van 1940 naar Engeland overstaken, weer in het vaderland terug.

We hebben ze gezien en gesproken en hoe groot moet hun blijdschap niet zijn als ze hun vrouw en kinderen, hun ouders of hun meisje ontmoeten.

                                   Vreugde die niet zonder schaduw is. Want er zijn ook verwanten die niet het blijde weerzien hebben beleefd.

                                   En dan blijft er de onzekerheid omtrent hen, die voor 5 jaar ook ons land verlieten, om elders den strijd voort te zetten, maar van wie tot nog toe geen enkel bericht binnenkwam.

                                   Wat hebben de mannen te vertellen. Wat hebben ze beleefd in die jaren van scheiding.

                             We kwamen net te laat om kennis te maken met een onzer kranige zeelui, die met een week verlof zijn ouders en verloofde opzocht. Maar gelukkig had zijn gastheer een goed geheugen, zoodat er toch nog iets van zijn wederwaardigheden is te vertellen.

                                   Deze jonge man uit Ureterp, Wietse de Vries, vertrok met de “Sumatra” na de capitulatie naar den overkant.

                                   Eenigen tijd daarop kreeg deze kruiser de opdracht om Prinses Juliana en de beide prinsesjes naar Canada over te brengen. Dat was geen gemakkelijke taak. Het duikboot-gevaar was zeer groot.

                                   Den eersten dag werd met de grootst mogelijke snelheid gevaren in een zig-zag koers. Van vrees was echter bij de prinses geen sprake. Zij verscheen zelfs bij onzen zegsman op de brug en verzocht ook eens het stuurrad te mogen bedienen. Op de “Piet Hein” had Zij dat wel eens gedaan en het leek Haar op de Sumatra ook geen kunst. De Vries gaf haar na enkele aanwijzingen het roer over, maar het ging al gauw mis. Wanneer het schip uit koers ging klonk er als direct automatisch een belsignaal. Dat liet dan ook niet lang op zich wachten. Toen enkele snelle wendingen aan het rad met hetzelfde gevolg. Het schip week te veel naar bakboord uit. Dat ging zoo niet langer en de onhandige leerling moest Haar baantje weer neerleggen. De kleine Beatrix – Irene was nog een baby – was aller lieveling. Een der bootsgezellen maakte voor haar een treintje, want speelgoed was er niet aan boord. De lijfarts keek wel wat taai, want het ding was, volgens hem niet ontsmet, maar Moeder trok zich daar niet veel van aan. Toen de Prinses bij het vertrek met enkele heeren stond te praten, trok Beatrix haar onophoudelijk aan den mantel en toen zij eindelijk gehoor kreeg zei ze: “Wat heeft die man een leelijk gezicht”. Daar had die meneer niet van terug.

                                   Van Amerika ging het naar Indië. De “Sumatra” moet dokken, iets wat deze kruiser maar al te vaak is

        

overkomen in zijn ruim 20-jarig leven. Zoodoende nam hij geen deel aan den Slag op de Javazee, waar onze marine wonderen van dapperheid verrichtte bij den doorbraak door de Japansche vloot, waarop echter de catastrophe kwam door de daarachter liggende gordel van duikboten.

                                   Bij een aanval van Japansche jagers op Soerabaja in den vroegen ochtend stegen onze marinevliegers, nog in pyjama, op, om de aanvallers te verdrijven. Zij vielen als naar gewoonte van achteren aan, maar hadden niet gerekend op dit nieuwe type, dat zijn mitrailleurs in of bij den staart had. Geen hunner keerde terug…
     De “Sumatra” moest ongerepareerd de wijk nemen. Het schip maakte niet meer dan 4

 mijl vaart. Onophoudelijk werd vanuit Batavia vanuit het Engelsch en Nederlandsch naar de positie van het schip gevraagd, maar de leiding dacht – en waarschijnlijk terecht – aan ’n krijgslist van de Japansche marine. Daarom werd niet geantwoord. Critiek werd de toestand, toen de eene machine die werkte, ook uitviel en het schip 24 uur stil moest liggen. Gelukkig kon het euvel hersteld en met een 4-mijls gangetje werd tenslotte Australië bereikt, waar ieder het schip als verloren had beschouwd.

Hier werd de kruiser verder opgelapt en naar Europa gezonden, waar hij nog  éénmaal dienst deed, n.l. als zinkstuk aan de Normandische kust…

      Onze zegsman was ondertussen overgegaan naar de kanonneerboot “Flores”. Op dit schip maakte hij de operaties in de Middellandse Zee mee, de landingen in Afrika, op Sicilië en in Italië. Dat was een tijd van grote spanning. De Duitse luchtmacht was toen zeer actief en meermalen was de boot in groot gevaar. Eens viel een bom rakelings langs de scheepshuid, zoodat de “Flores” helemaal werd opgelicht en de provisiekamer vol water liep, wat voor de Jantjes een heel ongerief was en alleen werd vergoed door de rijpe druiven op Sicilië.  Ook aan de operaties  bij de invasie in Normandië nam de “Flores” weer deel. Zij was een der eerste schepen die de kust naderde met de opdracht, een Duitsche batterij tot zwijgen te brengen. Vier weken deed de bemanning daar onafgebroken dienst!

      Toen onze provincie vrij werd, was De Vries niet zo ver uit de buurt, of hij kon eens proberen met verlof te gaan. Dat had hij verdiend ook!

Er is wel eens – en terecht – in vroeger dagen gesproken van een geest van defaitisme bij onze marine, deze jaren van oorlog hebben bewezen, dat de oude geest nog sluimerde en tot openbaring kwam, toen de nood er was. Een geest die, het best tot uiting kwam in de woorden van den dapperen Doorman: “Ik val aan, volg mij!”

 

                                                              Moethoen