Midwinter...Joel
DE ESSENTIE VAN HET JOELFEEST
Het woord Joel gaat vermoedelijk terug op een Indo-Europese wortel, 'kwel', die draaien betekende. Het Oudnoorse Jol, het Zweedse Jul en het Deense Juul zijn varianten in de Scandinavische talen. Het is mogelijk dat het Oudengelse Iul door Deense kolonisten in de elfde eeuw over de Britse eilanden is verspreid, Yule wordt in het Engels nog steeds gebruikt om het Kerstfeest mee aan te duiden. Hoewel de geleerden het over de afleiding van het woord Joel niet eens zijn, lijkt de betekenis van wiel het meest voor de hand liggend. De gedachte daarbij is dat na het wintersolstitium de zon, na enkele dagen op hetzelfde punt te zijn gebleven, weer in beweging lijkt te komen. Het Zweedse en Deense woord voor wiel, hjul, is vrijwel identiek aan de naam van het Midwinterfeest. Al in de Steentijd was de mens gericht op het wintersolstitium, zoals megalitische bouwsels als Newgrange in Ierland en Meas Howe op de Orkney-eilanden bewijzen. De eerste is gericht op de zonsopgang tijdens het solstitium, de laatste op de zonsondergang.
Het begin van de winter was in heel Europa een belangrijk moment in het jaar. De laatste oogst was binnen, er werd geslacht wat nodig was om de winter door te komen en de geesten van overledenen werden geacht terug te keren naar hun voormalige woonplaats. Ook in het Joelfeest spelen de geesten een grote rol. In het volksgeloof werd algemeen aangenomen dat de geesten in het begin van de winter verschijnen en pas na het solstitium weer vertrekken, hoewel ze ook daarna op bepaalde hoogtijdagen nog geacht werden aanwezig te zijn.
Het Joelfeest speelde in Noord-Europa, waar de winters langer, kouder en donkerder zijn, een grotere rol dan in het zuiden. Naarmate men verder naar het noorden gaat, komt de zon in de winter minder hoog boven de horizon. Boven de poolcirkel verdwijnt de zon zelfs enkele dagen of weken. Toch is ook in Midden- en Zuid-Europa het Joelfeest door de eeuwen heen een belangrijk moment in het jaar geweest.
          DE 12-DAAGSE JOELTIJD
Alle Indo-Europese volkeren vierden rond het wintersolstitium een groot feest dat gewoonlijk een aantal dagen duurde. Deze dagen konden voor of na het solstitium vallen of deels ervoor en deels erna. Het Germaanse Joelfeest duurde twaalf dagen, die oorspronkelijk vanaf de eerste volle maan na het solstitium geteld werden. Nadat de Juliaanse kalender werd ingevoerd gingen de Germanen ertoe over de joeltijd in de twaalf dagen na het solstitium te vieren. Zo diep geworteld zat dit heilige feest dat pogingen van kerkelijke zijde het te verbieden of te ontkrachten nooit helemaal gelukt zijn. Nog steeds wordt in delen van Scandinavië een 12-daags Joelfeest gevierd. Nog steeds wordt de periode van 26 december tot 6 januari in Noord-Duitsland Zwölften genoemd, terwijl men meer naar het zuiden nog.spreekt van Zwölf Nachte of Zwölf heilige Togen.
In Nederland werd de joeltijd ook wel aangeduid als De Twaalf Dagen. In Engeland was de naam Twelve Days gebruikelijk, op 6 januari afgesloten met Twellth Night. Gewoonlijk werd 26 december geteld als 'eerste dag na kerst' en de joeltijd eindigde dan op 6 januari als 'twaalfde dag na kerst'. Een andere manier was om Kerstmis zelf ook mee te tellen en dan eindigde de joeltijd op 6 januari met Dertiendag. Deze naam is tot in de twintigste eeuw in ons land algemeen gangbaar geweest. In Westfalen werd de joeltijd aangeduid als Drüttien Dagen.
DE ROMEINSE MIDWINTERTIJD
De Romeinen vierden geen feest na het wintersolstitium, maar deels ervoor en deels erna. Vanaf 17 december werden de Saturnalia gehouden. In principe duurde het feest tot het wintersolstitium, alleen konden de verschillende Romeinse autoriteiten het niet eens worden wanneer dat plaatsvond. Lucius Columella rekende in de eerste eeuw van onze jaartelling in zijn landbouwkundige verhandeling De re rustica 23 december als kortste dag. Zijn tijdgenoot Plinius hield echter vast aan 26 december, terwijl de Juliaanse kalender uitging van 25 december. Hoewel de Saturnalia nooit langer dan 7 dagen, tot en met 23 december, hebben geduurd is aannemelijk dat ook de Romeinen een 12- of 13-daags Midwinterfeest hebben gekend.
Volgens de Republikeinse kalender, die aan de Juliaanse kalender voorafging, had december 29 dagen. Vanaf 153 v.Chr. gold 1 januari als begin van het jaar. De dertiende dag na het begin van de Saturnalia, volgens de Romeinse manier van inclusief tellen (de eerste dag meegeteld), was de laatste dag van het jaar. De Saturnalia werden door Romeinse schrijvers wel aangeduid als 'tussen de jaren', wat erop wijst dat met deze periode het jaar werd afgesloten. Het oorspronkelijke Romeinse Midwinterfeest omvatte naar alle waarschijnlijkheid 13 dagen, namelijk 23 december, het oude wintersolstitium, en de 6 dagen ervoor en erna. Julius Caesar verplaatste het solstitium van 23 naar 25 december en verlengde de maand december van 29 naar 31 dagen, waarmee in feite dezelfde situatie bleef bestaan.
DE ZONNEGOD SOL-INVICTUS
In het jaar 218 van onze jaartelling werd de zeventienjarige Marcus Aurelius Antoninus in een periode van grote chaos en burgeroorlogen tot keizer gekozen. Hij noemde zich Elagabal, naar Sol Invictus Elagabal, de Zonnegod die in de Syrische stad Emese werd vereerd. De jonge keizer liet de door hem meegevoerde God als enig toegestane godheid in het Romeinse Rijk uitroepen. De andere Goden konden hooguit als bemiddelaar voor Sol Invictus (Onoverwinnelijke Zon) een rol spelen. In de korte tijd dat hij aan de macht was hield de jonge keizer zich meer met religie dan met staatszaken bezig. Nadat Elagabal in 222 was vermoord werd de cultus van Sol Invictus niet verboden, maar wel moest deze God voortaan genoegen nemen met een plaats naast de vele andere Goden en Godinnen die in het Romeinse Rijk vereerd werden. De feestdag van Sol Invictus was 25 december, het wintersolstitium, als de God zich verjongde en als het ware herboren werd. Toen de Romeinse keizer Constantijn zich in 312 met het christendom verzoende, groeide deze religie al snel uit tot een staatsgodsdienst. Voor de heidense midwinterviering was hierin geen plaats, temeer daar deze werd geassocieerd met het feest van Sol Invictus.
DE ZEGETOCHT VAN MITHRAS
In de vierde eeuw v.Chr. had de verering van Mithras in Iran alle andere erediensten overvleugeld en in de eerste eeuwen van onze jaartelling verspreidde de Mithras-cultus zich over het heidense Romeinse Rijk. Hoewel Mithras van oorsprong geen Zonnegod was werd hij al snel in Romeinse tempels aangeroepen als Deus Sol Invictus. Op 25 december, het wintersolstitium, werd in Rome de geboorte van Mithras gevierd. Een van de zeven rangen die behaald konden worden door inwijdingen in de Mithras-mysteriën was die van Miles, soldaat, en Mithras was dan ook bijzonder populair onder de gewone soldaten. In 308 gaf keizer Diocletianus Mithras de hoogste eer als 'Beschermer van het Rijk'. Waarschijnlijk zou Mithras alle andere Goden in het Romeinse Rijk verdrongen hebben als keizer Constantijn niet enkele jaren later de zijde van het christendom gekozen had.
DE ZONNECULTUS BINNEN HET CHRISTENDOM
Het christendom vertoonde veel overeenkomsten met zowel de cultus van Sol Invictus als die van Mithras. Ook Jezus werd vergeleken met de zon en met het eeuwige licht dat de strijd met het duister aanbindt. Ook het christendom was een strikt monotheïsme waarin alle andere godheden werden ontkend of minstens bestreden. Juist door deze overeenkomsten vormde de zonnecultus een ernstige bedreiging voor het prille christendom, een bedreiging die met alle beschikbare middelen werd bestreden. In 321 stelde Constantijn de zondag in als dag voor religieuze activiteiten, terwijl voordien de Romeinen, net als de joden, de zaterdag daarvoor bestemd hadden. Maar verder wilde de keizer de zonnecultus zoveel mogelijk terugdringen. Al in 324 verbood hij alle offers en rituelen van de Mithras-religie. Overal in het Romeinse Rijk werden in de loop van de vierde eeuw Mithras-tempels verwoest.

DE GEBOORTE VAN JEZUS CHRISTUS
Gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling bestond er binnen het christendom geen overeenstemming over de geboortedag van Jezus. De bijbel geeft geen enkele aanwijzing over een geboorte in de winter en de eerste bronnen hierover spreken elkaar tegen. In het begin van de vierde eeuw werd 6 januari als geboortedag gerekend. In de Kalender van Philocalus, die in 354 in Rome verscheen, werd voor het eerst 25 december als geboortedag genoemd, maar niet overal werd dit nagevolgd. De Armeense kerk houdt nog steeds vast aan 6 januari. De overige christelijke landen gingen in de loop van de vierde of vijfde eeuw ertoe over de geboorte van Christus op 25 december te vieren, terwijl het oudere feest van 6 januari werd gevierd als doop van Christus door Johannes de Doper. In Constantinopel werd 6 januari gevierd als Epifanie, het vereren van het Christuskind door de wijzen uit het oosten. Geleidelijk aan won deze versie ook in het westen terrein zodat 6 januari uiteindelijk in het Nederlands de naam Driekoningen kreeg.



HET CHRISTELIJKE JOELFEEST
In het jaar 567 stelde de Synode van Tours vast dat het geboortefeest van de Heiland gevierd diende te worden van 25 december tot 6 januari. Daarmee sloot men aan bij de Dodekahemeron, het twaalfdaagse feest dat al eerder in de Byzantijnse kerk was aangenomen. Ook sloot de nog weinig invloedrijke roomse kerk aan bij de Germaanse joeltijd, die precies in dezelfde periode werd gevierd. In de negende eeuw, waarschijnlijk al eerder, was dit twaalfdaagse christelijke Joelfeest in Engeland ingeburgerd. Het is niet duidelijk in hoeverre de Kelten eenzelfde Joeltijd vierden of zich voornamelijk bij de Germaanse gebruiken hebben aangesloten.
Het is de kerkleiders door de eeuwen heen een doorn in het oog geweest dat het geboortefeest van de Heiland en het heidense Midwinterfeest op dezelfde dag werden gevierd. In 1582 bracht de door Paus Gregorius XIII ingevoerde kalenderhervorming hier verandering in. Op 4 oktober 1582 volgde direct 15 oktober en het wintersolstitium werd voortaan officieel op 21 december gerekend. De voorjaarsequinox verschoof daarmee van 25 naar 21 maart, het zomersolstitium van 24 naar 21 juni en de herfst van 25 naar 21 (later 23) september.

HET BEGRIP MIDWINTER

Naast de aanduiding Joel is Midwinter door de eeuwen heen gebruikt om het
solstitium aan te duiden. De oudste documenten in het Oudengels (negende eeuw) spreken van midde wintre en midewinter. Rond het jaar 1000 ontstond de gewoonte de eerste lettergrepen samen te voegen zodat midwintre, mydwynter, midwinter en nog enkele varianten ontstonden. In de andere Germaanse talen vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Het Middelnederlandse midden-winter, middel winter, middewinter of medewinter werd samengetrokken tot midwinter. Op dezelfde manier werd het Middelhoogduitse mittewinter tot Mittwinter.
Tot de invoering van de Gregoriaanse kalender stond Midwinter gelijk aan het wintersolstitium en dat werd op 25 december gerekend. De afwijking van de kalender was aan astronomen bekend, maar dit had geen invloed op de volksgebruiken. Ook toen de Gregoriaanse kalender het wintersolstitium officieel op 21 december vaststelde, bleven de volksgebruiken aan de 25 december gekoppeld. Het Woordenboek der Nederlandsche taal omschrijft Midwinter dan ook als volgt: 'Het midden van den winter, of ook de kortste dag, ook Kerstmis.' Het Middelnederlandsch woordenboek van Verwijs en Verdam omschrijft middewinter als: 'Het midden van den winter, de winterzonnestil-stand... Ook en vooral als benaming van het christelijke feest, dat omstreeks dien tijd gevierd werd, nl. het kerstfeest.'
In onze samenleving is het wintersolstitium het begin van de winter. De naam Midwinter en vergelijkbare namen in andere Germaanse talen wijzen op een gemeenschappelijk idee dat het wintersolstitium niet het begin, maar het midden van de winter is. Dit berust op een oude tweedeling van het jaar in zomer en winter. Het is verleidelijk een mooie verdeling van het jaar te maken, waarbij de herfstequinox het begin van de winter, het wintersolstitium het midden van de winter, de voorjaarsequinox het begin van de zomer en het zomersolstitium het midden van de zomer is. Heidense jaarfeesten en volksgebruiken volgen echter zelden of nooit zo'n mooi schema. Het begin van de winter kon plaatselijk variëren van 1 september tot 5 december. Het begin van de zomer was niet de voorjaarsequinox, maar Meiavond. De namen Midwinter en Midzomer drukken vooral een gevoel uit dat de winter halverwege is nu de dagen weer gaan lengen en dat de zomer halverwege is nu de dagen weer korter worden. Een gevoel is iets anders dan een rekenkundig verdelen van de dagen van het jaar.
HET BEGRIP WINTERZONNEWENDE
Het Latijnse solstitium betekent letterlijk zonnestilstand. Dit verwijst uiteraard naar het feit dat de zon gedurende een aantal dagen niet hoger of lager gaat en op dezelfde plaats lijkt te blijven. Het Middelhoogduitse sunnenwende, sonnen-wende of sonbende verwijst naar het verschijnsel dat de zon zich na de stilstand als het ware omwendt en de andere kant uit gaat, dus niet steeds hoger, maar juist steeds lager, of omgekeerd. Het Duitse Wintersonnenwende werd meestal gebruikt om het solstitium mee aan te duiden, maar er werd ook wel het Midwinterfeest van 25 december mee bedoeld. Het Middelnederlandse wintersonnenwende werd, net als het moderne winterzonnewende, zelden gebruikt en nooit om het feest mee aan te duiden.
De namen Joel en Midwinter zijn door de eeuwen heen de gebruikelijke aanduidingen geweest voor het feest van de kortste dag. Beide namen komen nog steeds voor in de officiële Woordenlijst Nederlandse taal (het Groene Boekje).
Maar wat is nou eigenlijk Joel en Midwinter en waar komt het vandaan....?
Bron:        De acht Jaarfeesten
Auteur:     Ko Lankester
Terug naar winterverhalen
Terug naar achtertuin