De taal der Kelten
De Kelten behoren tot de grote groep van Indo-Europese of  Indo-Germaanse volken, waarvan ook de Germanen, Slaven, Grieken enz. deel uitmaken. Deze groep wordt aldus genoemd, omdat de daartoe behorende volken de gebieden bewonen, die zich uitstrekken van Brits Indie tot en met Europa of de Germaanse landen. Zoals u ziet, is geen van beide benamingen geheel juist; de uitdrukking Indo-Europees is onjuist, omdat er in Europa ook volken gevonden worden, die buiten deze groep staan, zoals de Basken, Hongaren, Finnen en enkele anderen. De benaming Indo-Germaans is in zoverre foutief, als de Germanen niet de meest westelijke van deze familie vormen. Dit toch waren de Kelten. Daarom zou men eigenlijk van Indo-Keltisch moeten spreken. Maar de termen Indo-Europees en Indo-Germaans zijn nu eenmaal algemeen aanvaard en ieder weet, wat hiermee bedoelt wordt.
    De taal der Kelten behoort tot de Indo-Germaanse taalfamilie. Niet, dat het oud-Keltisch ons bekend zou zijn: deze taal is in de loop der eeuwen uitgestorven. Wel zijn er nog spaarzame resten van over in inscripties en geografische namen. Maar deze resten zijn te schaars om daaruit de structuur van het oud-Keltisch te kunnen opmaken.

















Heden ten dage nog wordt er in Wales, Schotland, Ierland, op enige Britse eilanden en in Frans-Bretagne nog Keltisch gesproken, doch deze talen moeten van het oud-Keltisch ongeveer evenveel afwijken als b.v. Frans afwijkt van Latijn, waaruit het toch is voortgekomen; zo ook  verschillen het Wels, Schots of Bretons van het oer-Keltisch, waaruit ze zich ontwikkeld hebben. Er valt echter uit de nog bestaande talen of dialecten, die we Keltisch noemen, op te maken: vooreerst dat zij, ondanks de verschillen, onderling in taalsysteem verwant zijn, en daarom tot een gemeenschappelijke oorsprong moeten teruggaan; en dat zij verder zoveel overeenkomsten vertonen met andere Indo-Germaanse talen, dat zij tot de grote groep van Indo-Europese taalfamilies gerekend moet worden. Van de andere kant wijken zij hiervan ook weer zoveel af, dat men moet besluiten tot een eigen groep van Keltische talen binnen de grotere familie, waartoe b.v. de Germaanse, Slavische, Griekse talen enz. behoren. Wel kan men uit diverse taalvoorbeelden de verwantschap zien van het keltisch met het latijn, de taal van een stam der Italiers. Want al mogen de Kelten een afzonderlijke groep gevormd hebben van de Indo-Germanen, hiermee is volstrekt niet gezegd, dat ze geen verband houden met andere groepen.



















Met name moeten zij van oorsprong af in zeer nauwe betrekking gestaan hebben tot de Liguriers en Italiers enerzijds, terwijl hun cultuur anderzijds verwantschap vertoont met de Germanen. In later eeuwen weer hebben ze zich, gedeeltelijk althans, sterk vermengd met de Iberiers, die in het tegenwoordige Spanje woonden, zodat men spreekt van Keltiberiers.
    De betrekking met de Liguriers, die in verschillende streken, b.v. Frankrijk en Spanje aan de Kelten als bewoners voorafgingen, blijkt hieruit, dat de Kelten van hen de zonnedienst en het zwanenmotief hebben overgenomen. De Liguriers schijnen uit Noord-Italie te stammen en zich van daar uit naar het Westen en Noorden te hebben verspreid. Hun verbreiding over Europa is na te gaan uit de plaatsnamen en andere geografische namen die eindigen op -asco, -asca en -osco, zoals b.v. Velasco, Orusco in Spanje; Tarascon, teruggaande op Tarusco, in Frankrijk; de berg Pescasco en het riviertje Carisasca in Noord-Italie. Het achtervoegsel -asco enz. is nog Keltisch nog Latijn. Het schijnt evenmin Indo-Europees te zijn. Of de taal van de Liguriers tot de Indo-Europese groep behoort, is nog steeds niet achterhaalt.
Terug naar Kelten
Terug naar bibliotheek