Starend over het niet
Fragmenten van Slauerhoffs onvoltooide derde Chinese roman






Inleiding


Jan Slauerhoff (1898–1936) had zijn Chinese romans gedacht als een trilogie, met Het verboden rijk (1932) als eerste en Het leven op aarde (1934) als tweede deel. Hij voelde zich ten tijde van de afronding van Het leven op aarde nog niet klaar om het concluderende derde deel te schrijven, en sloot het boek daarom af met een „voorlopige” Epiloog. Misschien dat deze min of meer afsluitende Epiloog in een later stadium, als het derde deel af zou zijn, zou worden vervangen of herschreven, maar feit is dat Slauerhoff niet meer is toegekomen aan het voltooien van dat derde deel.
Een hele stapel aan voorbereidingen is er in zijn nalatenschap echter wel gevonden, variërend van hoofdstukindelingen tot hele stukken reeds geschreven tekst. Al deze fragmenten en vooropzetten zijn door W. Blok en K. Lekkerkerker voorbeeldig bezorgd in Het China van Slauerhoff (1985), dat ook vooropzetten voor Het verboden rijk en Het leven op aarde en metadocumenten als hoofdstukindelingen en plotomschrijvingen bevat.


Slauerhoff in Tanger, 1934
Slauerhoff in Tanger, waar hij enige tijd huisarts was en werkte aan Het leven op aarde.
Foto © Letterkundig Museum, ’s-Gravenhage.


Deze pagina beoogt de lezer een beeld te geven van hoe dat derde deel in de Chinese trilogie eruit zou hebben kunnen zien, en wil dat doen door de grote tekstfragmenten en plot-aantekeningen aan te bieden. Deze weergave wil geenszins wetenschappelijk verantwoord zijn: daarvoor raadplege de lezer het diplomatische werk van Blok en Lekkerkerker, waaruit deze fragmenten gedestilleerd zijn. Waar Slauerhoff éen of meerdere woorden wegliet omdat hij de juiste bewoording nog niet had gevonden, is dit weergegeven met het teken [...]; waar (de strekking van) de ontbrekende woorden te raden viel, of waar duidelijk woorden ontbreken, heb ik ze [ook in teksthaken] toegevoegd. Alle varianten die in Blok en Lekkerkerker diplomatisch zijn weergegeven, heb ik opgelost naar de laatste door Slauerhoff geschrevene. Voor verhoogde leesbaarheid zijn door mij alineascheidingen en witruimtes aangebracht, en is de tekst omgezet in de tegenwoordig gangbare spelling.

Welke thema’s en personen komen naar voren in de fragmenten van het derde deel? China, vanzelfsprekend, of althans Slauerhoffs weergave van China als een mentaal landschap. Hoofdpersoon Cameron blijkt nog steeds in dat China te zijn, en zoekt zijn weg naar het binnenste hoogland – de fysieke hoogte als metafoor voor mentale verheffing en afstand tot het materieel-lichamelijk bindende. Het thema-de vrouw, een favoriet bij Slauerhoff, blijft dan ook hier niet afwezig, en in de Chinese priesteres Li weerschijnen de schimmen van eerdere liaisons Pilar en Diana (Het verboden rijk).
Ook Camoës, een van de hoofdpersonen uit Het verboden rijk, komt weer voor in dit derde deel, ondanks zijn eerdere afscheid in het losstaande, door Slauerhoff in 1935 gepubliceerde korte verhaal Laatste verschijning van Camoës. Literair criticus Eddy du Perron, vriend van Slauerhoff en tekstverzorger van diens werk, noemde dit verhaal een „losgeraakt hoofdstuk van Het verboden rijk”, maar het lijkt waarschijnlijker dat het een door Slauerhoff verzelfstandigde episode uit het derde deel is. Het is dan ook een onmisbaar element in de beeldvorming over de derde Chinese roman, en ik raad de lezer ten sterkste aan het te lezen.
De positie van Laatste verschijning binnen de fragmenten hieronder lijkt te moeten liggen na fragment D-VII (‘Ik sta op de hoogste berg’), dat een abrupte cross-cut bevat tussen Cameron in de hoogten van China, en Camoës, die het begin van de aardbeving in Lissabon meemaakt (zie ook Laatste verschijning, waar dit motief weerkeert) en plots overgaat in Cameron, net als in Het verboden rijk. (Let er bij lezing van Laatste verschijning van Camoës overigens op dat het natuurlijk niet naadloos zal aansluiten op de fragmenten, omdat het is bewerkt om als zelfstandig verhaal te kunnen bestaan.)

Het blijft natuurlijk raden naar hoe Slauerhoff de diverse verhaallijnen van een naar het hoogland trekkende Cameron, een naar Portugal terugkerende Camoës en de hernieuwde versmelting van de twee bij elkaar had willen brengen, en wat de synthese van de trilogie zou hebben behelsd. We kunnen alleen vermoeden, aan de hand van de laatste fragmenten, de Epiloog van Het leven op aarde en de conclusies uit Laatste verschijning, dat Cameron een soort mentale oplossing zou bereiken „ten westen van Tibet”, nadat Camoës zich definitief uit hun symbiose had losgemaakt.

— Arjan de Weerd


Overzicht van de fragmenten


B-I.   [Hoofdstukindeling]
D-IV.   Er ligt een klooster in de Kun Lun bergen
D-V.   Twee kale monniken in goudgele pijen
D-VI.   Kaap Adamastor
D-VII.   Ik sta op de hoogste berg
D-VIII.   Hoofdstuk XIII: Tempelwachteres en godin
B-II.   Starend over het niet


Fragment B-I (gedeeltelijk)
[Hoofdstukindeling]


Van de hele trilogie is een vroege, globale opzet gevonden, waarin ook een hoofdstukindeling voor het derde deel voorkomt. Hoewel Slauerhoff de stof voor de eerste twee delen heeft gerearrangeerd (het was eerst de bedoeling dat het eerste deel alleen over Camoës zou gaan, en het tweede alle verhaalstof over Cameron zou bevatten), en er latere fragmenten zijn gevonden die niet in dit schema worden benoemd, mogen we toch constateren dat het globaal gezien een goede indruk van de plot geeft.

III

Hoofdstukken titels:
Cameron heen en terug Macao nabij en ver verleden
Opiumsmokkelen te Amoy
Tocht naar het binnenland materieel
De noodlottige bron te Tse King
Tocht naar het binnenland ideëel
Terugkeer naar Portugal herinnering als procurador de viudas · Velho nog een keer, als wijze die in 't binnenland leeft
Lisboa pest · aardbeving
Tocht langs de Chinese kust met tramp zonder radio · Sjanghai en Tientsin verwoest · Chinese steden daarnaast die weer verdrongen door overtalrijke graven [zijn]
Hongkong – Adamastor eindelijk alleen Macao over · Chinese cemetery, if unchecked encroached with tombs · "De hervormer die leert niet de voorouders te vereren en niet te begraven maar alles te verbranden bevrijdt China niet maar maakt het een woestijn"


HOOFDSTUK 4
De noodlottige bron te Tse King.

H5
Cameron trekt weg naar de top, begint zijn voornemen toch weer onzin te vinden, weifelt of hij niet weer naar de kust zal gaan en komt in het klooster terecht waar hij weer dromen gaat.

H6
Camoës wordt wakker op een schip in de storm • herdenkt de korte tijd dat hij provedor was (weer aangespoeld?) • ("Dit was een apart stuk leven. Ik zal het in miniatuurschrift schrijven en in een lijstje ophangen.") ← dit komt na Velho • Storm aan de kaap • agonie in Lisboa • leven op de Dapsang dat niet duurt.

H7
Cameron vaart geronseld op een kleine boot langs de kust. Hij vraagt waarom en het antwoord is steeds "de laatste bezittingen der blanken uit China weghalen." • Dairen Port-Arthur enkele metaalwaren • Sjanghai ligt als een dode verlaten stad aan de rivier, een eind verderop de nieuwe hoofdstad • Hongkong is weer de kale grijze ruwe rots, slechts vissersdorpen • nieuwe steden liggen op de Ladronen-eilanden • De tramp strandt vlakbij Macao, alle laatste bezittingen der Europeanen (der weduwen en wezen) gaan verloren • Cameron spoelt aan wal na het laatste radiobericht te hebben afgezonden. Hij heeft het archief der afgezonden telegrammen bij zich maar laat het vallen, en het gaat hem niet eens ter harte.

H8
Macao • Nieuw Lisboa hoofdstad van een nieuw rijk • innige vermenging Chinees-Portugees: Manuelino en Chinese stijl, stoomboten karvelen jonken • Grotto koel, altijd opium, speelholen, diepe haven • wijsheid, verval en bloei • sterfelijk onsterfelijk • eerbied der Chinezen voor de Portugezen, minachting voor de nakomelingen der Engelsen • Tyfoon, aard- en zeebeving langs de gehele Gele-Zeekust • daarna brede gele lege glimlach • Saudade • gevecht om Sjanghai – Japanners, Portugezen


Fragment D-IV
Er ligt een klooster in de Kun Lun bergen


Cameron, de hoofdpersoon van het contemporaine gedeelte van Het verboden rijk (waar hij uiteraard, identiteisleeg als hij daar is, naamloos blijft) en Het leven op aarde, bevindt zich in het binnenland van China en wordt in een klooster opgenomen. De verteller beschrijft eerst in scherp contrast twee kloosterorden: kort en strak de deugdelijke, wijdlopend en vol week detail de verdorven orde; daarna volgt een episode van Camerons ervaringen. Volgens de hoofdstukindeling van B-I zouden deze twee stukken in hoofdstuk 5 thuishoren.

Er ligt een klooster in de Kun Lun bergen waar de lucht rein is als de adem van de Boeddha, de bergen hard zijn en gegrond als de spreuken van Lao Tse. Het is niet groot, het is open naar alle zijden. Er wonen twaalf Bonzen in rijzige gedaanten, stoere kerels. Zij zorgen voor zichzelf, zij slepen water hun berg op, zij planten groenten in hun tuin, zij oogsten schraal koren van hun loodrecht liggende akkers. Er staat maar één beeld, niet in de binnenplaats van het klooster.
De gebeden zijn er kort en krachtig en ijl en klaar als klokken die even worden geluid door een frisse windstoot – als bevelen die door God zijn gegeven en door zijn dienaren worden uitgesproken, steeds bezield door de goddelijke adem.

Er ligt een ander klooster in de laagvlakte, tussen sappige rijstvelden. Het is uitgestrekt als een stad. Het is gebouwd van hout dat vermolmt en geurt. Overal, in de gangen, in de heilge hallen, op de daken, in de kelders, in de raamnissen, staan godenbeelden, allen van hout en van steen, die sneller vervallen dan [...].
Steeds zijn deze goden ziek, elke dag sterven er en worden omgeworpen, blijven liggen in ’t zand, weldra bedolven. Nieuwen nemen steeds de vrijgekomen nissen in, nieuwen vragen steeds nieuwe offers: rijst, graan, maïs – yakmest ’s winters.
Dat klooster wordt bewoond door drieduizend Gele Monniken die moeten leven van tienduizend [...]. De meesten zijn dik door de ondeugd der vraatzucht. De overigen zijn skeletmager. Door de deugd van het vasten? Door de slopende ziekten? Door [...]?
De monniken zijn gemeen als trage kruipende dieren – niet als die welke de zondvloed hebben overleefd: die zijn nog slank en gracieus en edel gevormd als ze vergeleken worden met de vadsige padachtige megatheriums, de kwalachtig voortslepende, levend in de varenbossen met de vlees[etende ]planten waar het hun niet gemaklijk wordt gemaakt door mammoeten, mensen, en waar het plantenvoedsel in verstikkende overdaad woekert op de lijken van alle weekdieren die in miljoenen eeuwen zijn neergeregend uit mijlendiepe oceanen in een tot ontvangenis bereide weke bodem. Toen het hun gevaarlijk werd hebben ze hun logge rompen verlaten, en zijn monniken geworden.
Dag en nacht duurt er het om mani padme hum, snorren de gebedsmolens, schuifelen en spuwen de vieze priesters, slaan zich met de handen op de dikke buik of rammelen met de loszittende dorre beenderen.
Het heiligdom is giftig en gemeen. Goede mensen worden er kwaadaardig, krankzinnig na een uur gebed. Van alle kanten grijnzen met gouden smaragden, beryllen, amethysten ogen de goden, de demonen. Er brandt een walgelijk zoete wierook.
Vier priesters blazen op een meter lange trompen; daarboven worden klokken geluid, de lucht is in een voortdurend bibberende beweging als een onzichtbaar gemarteld monster. Dan worden mensenoffers gebracht: afzichtelijke grijsaards in praalgewaden gekleed, jonkvrouwen op palen gespiest, gedefloreerd en vernield ineens, de benen gestrekt in kramp, de armen gekromd in wanhoop, de ogen opengesperd, de monden vertrokken en kermend, zo diep dat het getier uit de kolfvormig opgezette keel meer uit de stuiptrekkende borsten schijnt te komen.
Maar de gemarteldste offers zijn zij die machteloos toezien in een waanzinnig begeren dàt te nemen, vernield en bedorven, waarvan, zo denken zij, tevens zij naakt lang genoeg hadden.


Fragment D-V
Twee kale monniken in goudgele pijen


Twee kale monniken in goudgele pijen nemen hem in hun midden. Zij vragen niets, brengen hem door de kale bergtuin naar het paviljoen waarin een leger is gespreid. Het dak wordt door zes slanke pilaren gedragen; verder is het open naar alle windstreken. De top is nu weer zichtbaar aan de overkant van een groen dal. Het is alsof een zeearm onderaards hier is doorgedrongen. Hij wil weer weggaan, maar de monniken begrijpen dat hij het heiligdom zien wil.
In een nevelige tempelhal troont een afzichtlijke zwaarlijvige Boeddha als een koning die in zijn troon is vastgegroeid, er nooit meer afkomt, maar van zijn verheven zitplaats alles beheerst. Wanstaltige, boosaardige goden en godinnen omringen hem.
Hij voelt al het wee waaraan hij zich ontkomen waande met een golf weerkeren: alle aardse ellende, wreedheid, verdeeldheid, tegenstrijdigheid is in deze goden belichaamd. Hulpzoekend wendt hij zich naar de monniken – deze zijn teruggeweken in de hoeken. Een draait een gebedstrommel, de ander heeft een groot masker op, en buigt op en neer. Ogen en oren vol afgrijzen wankelt hij naar buiten en tast langs de muur, maar vindt de poort gesloten.

De nacht is gevallen; alleen het paviljoen is nog zichtbaar aan de overkant van de tuin, door een hoornen lamp die halverwege afhangt. Het lijkt een wanstaltig monster op te dunne, ongelede poten. De eedle zwier van het gewelf is door de nacht [misvormd]. Nu moet hij daar blijven, ruikt vermolmd hout en vochtige steen. Vannacht zal het leger der dromen weer op hem afkomen.
Hij worstelt urenlang, wentelt zich, wondt zich – dan, als een plotseling stijgende vloed, overdondert hem de slaap, en de branding der dromen wentelt zich over hem heen als over een schelp die van het veilige strand wordt meegesleurd naar het kokende midden van een cycloon, waar ook de grootste schepen de strijd tegen de draaikolken verliezen. De strijd der schepen duurt kort: als hun hout en romp is uiteengerukt zijn ze weergekeerd. De kleine schelp kan niet breken en blijft even oud als hij al was in de [oertijd], en al ’t geruis dat hij in zijn binnenste heeft moet hij teruggeven.
Smekend rijst hij van zijn leger op. De eerste monnik druk hem het gebedswiel in de hand. Als een bezetene gaat hij draaien. De ander zet hem het masker op. De derde zegt: ‘Het helpt niet meer: het gebed is het goede niet, de demonen hebben hem herkend. Het helpt hem niet zijn gelaat te verbergen achter het masker. De maalsteen heeft hem beet, hij moet mede. De grootste omwenteling [alleen] kan hem terugbrengen.’
Hij helpt hem op en zet hem op het pad, het enige, dat steil en strak en ver naar de laagvlakte terugvoert.
‘Vergeet niet dat dit pad ook terugleidt [naar] niet dat waarvan je ’t verst verwijderd bent, [maar waar] je ’t dichtste bij bent.’

Een van de submotieven bij Slauerhoff wanneer het gaat om het ontstijgen van aardse beslommeringen is de tragisch nutteloze rol van religieuze instituten bij het bezweren van de aardse chaos. Cameron klampt zich vast aan het ritueel, de monniken doen hun best, maar het haalt niets uit. Omdat het Cameron is? Misschien. Maar ook de monniken zelf zijn al lang door de nutteloosheid gecorrumpeerd, en de goden die zij bezweren zijn geen verlossers uit de ellende, maar de concretisering ervan.


Fragment D-VI
Kaap Adamastor


Slauerhoff had zich de indeling van deze derde roman kennelijk zoals die van Het verboden rijk voorgesteld: twee aparte verhaallijnen voor Cameron en Camoës in losse hoofdstukken, met later (wederom) een samensmelting van de twee lijnen en personen.
Dit fragment, dat Slauerhoff de werktitel „Kaap Adamastor” gaf, beschrijft de ronding van deze kaap door de vloot waarop Camoës zich (als gevangene) bevindt op weg terug naar Portugal. In de indeling van document B-II is deze episode een onderdeel van hoofdstuk 6. De mythologisch-allegorische setting van deze kaap heeft Slauerhoff ontleend aan Gezang V van de Lusiaden van de historische Camões (waar de gebeurtenissen worden meegemaakt door Vasco da Gama); de thematiek van de veile vrouw is typisch Slauerhoff.
Adamastor komt blijkbaar nog een keer terug in hoofdstuk 8; hoe Slauerhoff dit had gedacht (Een parallelle situatie met Cameron? Of speelt Adamastor een rol bij de aardbeving/tyfoon-episode?) is niet overgeleverd.

Het stampen en slingren wordt heviger. Mijn lichaam wordt op en neer gesmakt, [mijn gedachten,] die toen ik stil lag al door mijn hoofd wervelden, worden nu zo snel dooreengeschud [...].
Heitor komt mij halen: ‘Het schip zal wel vergaan, het maakt water op drie plaatsen, de zeilen zijn stukgewaaid. Iedereen pompt.’

Ik kom op een zwart dek, onderscheid de kale masten, ra’s en rafelig want onder een stromende regen. Zwarte gedaanten staan over de rand, allen in een zelfde steeds herhaalde beweging. De romp gaat op en neer. Heitor bukt zich ook, gaat mede in deze beweging. Ik houd mij vast aan de verschansing. Vaag zie ik door de regenstralen achter op het schip een man staan die zich vasthoudt als ik. Waarschijnlijk ziet hij mij en denkt, Waar komt die man vandaan? Waarom helpt hij niet het schip boven water te houden?
Vlak bij mij valt een man voorover en blijft liggen. Ik schuif hem op zijde en neem zijn plaats in. O, deze beweging, een weldadige verdoving... Eerst doen mijn leden pijn, langzamerhand wen ik aan het ritme.

Toen ik op dek kwam hing er nog een vaal gebroken licht achter de regen – nu is het donker, en in dat donker houden wij het schip zwevend tussen het water dat over de afgrond golft en dat uit de hemel valt. Langzaam zinkt het schip.
Ik verlangde een ruim graf. Maar dit, van donker water, steeds opgewoeld door stormen? En alleen, daarin. En zij daarginds!
En ik? Moet ik verlangen – hier om te komen? Ik weet wat mij te wachten staat. Gevangenis eerst, even een dag van glorie als de Lusiaden gelezen worden en koning en volk bevestigd vinden dat zij groot zijn – vergetelheid weer. Dan zal ik voor een steen staan – en ervaren dat twee meter aarde een groter afstand zijn dan een halve wereld zee en lucht!
Maar ik sta op dek, de windt steekt op – de Santa Clara heeft een goede kans op schipbreuk. Zal men in mij niet de onheilbrenger herkennen, en mij over boord werpen?

In drie dagen zijn de nevelen niet opgetrokken. Zullen wij de Kaap wel zien? Zullen wij niet onder bedekking van de nevelen voorbijvaren en in veiligheid zijn, àls het weer licht wordt? Ik hoop het niet, nee, ik hoop het niet: ik wil hem zien.

De nevel wordt van zwart weer grauw. De vierde morgen – plotseling breekt de nevel in tweeën als een doorgesmolten ijsberg. Eén helft drijft weg, een brede groene vlakte wordt zichtbaar, de zee – wij waren bijna vergeten wat zee was – en daarachter de Kaap.
Nee, niet de Kaap: een ineengehurkte reus, een vierkant hoofd met warrig haar bedekt, ingetrokken tussen de schouders, en aan weerszijden twee wolkenbanken, zodat voorbij hem geen vergezicht meer open is. Niets is er meer dan de wanstaltige gevleugelde, de afgrond-groene zee – het schip is in de nevelbank teruggeweken, ik sta alleen – tegen de nevel.

Wij staan vlak tegenover elkaar. Zijn gelaat is versteend. Alleen zijn ogen [zijn] bergmeren, en zijn haren leven. Ik wacht. Hij komt los uit de steenklomp – ik weet wat hij verhalen zal.
‘Allen die hier op schepen voorbijvaren en trachten de verre gewesten te bereiken, kom ik de doortocht versperren. Eerst waarschuwde ik alleen: vroeger waagde het geen mij voorbij te varen; later trachtten ze toch mij voorbij te streven. De goeden en reinen liet ik omkomen – de begerigen liet ik voorbij. Indien gij op het dek van de São [...] hadt gestaan was het schip vergaan. Nu is het andersom: gij wilt naar Portugal terug, nu moet ik de goeden, die rein van begeerte naar goud zijn, laten omkomen.
Eens was ik ook een man, wel groter en sterker dan alle anderen, maar niet wanstaltig en versteend zoals nu. Ik voer met schepen over alle zeeën. Op een keer voer ik een breed wit strand voorbij dat mij aanlokte. Ik hield dicht langs de kust, en zag Thetis met haar nimfen dartel en naakt – nee, de nimfen zag ik niet, alleen Thetis zag ik. Ik hield recht op ’t strand aan, mijn schip stiet op een rots, ik zwom verder.
Toen ik het strand bereikte waren de nimfen gevlucht, Thetis zag ik in een grot verdwijnen. Ik ging binnen, ik moest mij diep bukken. Na een lange tocht zag ik, onder een smaragden gewelf, weerspiegeld in kristallen wanden – Thetis, slank, naakt en schoon, in de armen van een oud man.
Ik wilde toespringen, maar de grot stortte over mij in. Ik had dagen lang [nodig] om mij uit de puinhopen te bevrijden. Mijn vloot was verder gevaren, mijn eigen schip stukgeslagen. Ik dook in de golven onder en vroeg Doris wie zij waren, en waarom die oude haar had.
„De oude is Zeus, en heeft haar alle juwelen gegeven die op aarde te vinden zijn.”
„En heeft zij zich daarvoor laten schenden, liefdeloos?”
Doris zeide mij dat voor juwelen en goud alle vrouwen veil zijn – dat daarom steeds schepen uitvaren naar Ophir en China. „De man die ze bezit heeft macht over alle vrouwen, alle vorsten.”
Ik bezat alle diamanten die in [de] diepzee liggen – maar wilde ze niet tonen. Het zuiverst juweel had immers voor mij zijn glans verloren. Toch wilde ik haar nog bezitten – waarom?
Ik bleef kruisen voor de kusten, en een maannacht zag ik haar weer op het witte strand. Nu was zij alleen, naakt, zij ging op en neer en streelde soms met de maan haar vacht. Ik kon niet meer geloven dat deze leden anders dan door de maneglans waren aangeroerd. Toen ik uit de golven oprees zag ik dat zij niet volkomen naakt was: een parelsnoer hing om haar hals, een gouden gordel omspande haar middel.
Toen stond ik voor haar. Zij schrok en legde de hand beschermend op haar sieraden. Ik zei haar ze weg te werpen op een toon die haar vrees deed omslaan in trots. Zij hoonde de liefde, die weerloos maakt. Zij lachte, trad achteruit, en vroeg mij dan eerst de schatten uit zee op te brengen.
Toen zag ik dat zij alleen om deze versteende glans gaf. Ik greep haar aan het snoer en de gordel, wierp ze in zee. Haar wierp ik achterover.
Maar Zeus kwam tussenbeide – en deed mij verstenen, de golven wierpen de gordel en het snoer op het strand terug, en terwijl ze mij omspoelden weken zij samen in de smaragdgrot.
Hier ben ik gebleven. Nog vaak komt Thetis met haar nimfen op het strand, en moet ik het aanzien. Zeus vertoont zich niet meer. Eerst zond hij nog zijn bliksem, maar de mijne is geduchter, en ook mijn orkaan, en ik gebruik ze om de vloten die uitgaan, gedreven door de begeerte naar goud en [...], te doen omkomen. Maar uw schip wil ik doen omkomen om U het leed dat U in Lisboa wacht te besparen.’
‘Wees gerust, Adamastor. Juwelen heb ik niet, heb ik nooit bezeten, zij die zich overgaf om ze te bezitten is allang dood. Dat mij in Lisboa geen vreugde wacht weet ik, maar ik wil er heen gaan. Eén ding op aarde wil ik volmaakt, en dat is mijn eigen lot. Ik wil het niet voortijdig in de golven beëindigen. Laat het schip voorbij.’
Adamastor verkeerde in hevige toorn – zijn haren bewogen als een woud dat door de wind bewogen en verward wordt, en stenen tolden langs zijn flanken neer. Hij sprak niet meer.
Ineens rolde de nevel vooruit, over de strook groene zee, en omhulde de Kaap als een mantel.

Slauerhoff heeft de stof die de historische Camões biedt vanzelfsprekend enigszins omgebogen naar zijn eigen thematiek. In de Lusiaden heeft Thetys al niet zo’n beste rol: zij versteent de reus, die verliefd op haar is geworden na hem door een list te bewegen niet langer mee te doen aan de strijd tussen goden en titanen. Slauerhoff voegt daar nog onverschillige hebzucht aan toe. Hierbij contrasteert hij de gefrustreerde Adamastor tegen de onverschillige Camoës, waar in de Lusiaden de reus een tragische monoloog houdt zonder al te veel interactie met de aan de elementen overgeleverde zeevaarders.
De hele episode past goed in de thematische tendens van onthechting van aardse (materiële en relationele) banden. Adamastor blijft (letterlijk) aan de aarde geketend omdat hij zich niet kan losmaken van de verbittering om Thetis en haar koopbaarheid waarin hij de goeden laat omkomen en de slechten laat doorgaan.


Fragment D-VII
Ik sta op de hoogste berg


Dit korte fragment beschrijft Camoës’ ervaringen kort nadat hij blijkbaar opnieuw met Cameron is samengevallen. Hij heeft nog wel besef van zijn eigen (verleden) identiteit, maar weet ook dat hij nu iemand anders op een andere plek is, ver van alle steden, beschaving die hij kende. Cameron heeft in de tussentijd het klooster van de Geelmutsen lang achter zich gelaten, en een grote voortgang richting het binnenland gemaakt. Camoës was, getuige dit fragment, al weer terug in Portugal.
Merk overigens op dat Slauerhoff de man die ik voor het gemak aanduid met „Cameron” nergens in de fragmenten bij naam noemt. Sterker nog, hij liet de naam/aanduiding open in de zin waar Camoës constateert dat hij de ander is. Blijkbaar zon Slauerhoff nog op een passende aanduiding, aangezien de persoon zowel zijn triviale beroepsaanduiding „marconist” (Het verboden rijk) als zijn naam/identiteit „Cameron” (Het leven op aarde) ontstegen is.

Ik sta op de hoogste berg, en zie niets dan zand en rode papavertuinen en groene rijstvelden. Macao, en alle andre steden waar ik bestond, zij zijn weg achter de verte. Aan het eind van een smal slingerend pad, aan de rand van een beek staat een klein paviljoen met oprankend rood dak en gelakte verandahs rondom. Ik weet dat het mij wacht.
Ik aarzel even voordat ik het pad opga.
Een omwenteling voltrekt zich. De berg schokt, de huizen vallen voorover, de laatste levenden rennen door de instortende straten, de aardbeving is gekomen. Een vloedgolf trekt het land in; lucht, zee en aarde wreken zich.
Neen, ik ben er niet. Ik ben niet in Lisboa, ik ben hier. Ik ben een ander, ik was Luis de Camoës, nu ben ik [...].
Hoe heb ik hier kunnen slapen aan de rand van de afgrond, op honderd passen afstand van het paviljoen der zevenduizend zaligheden? Eén beweging, en ik was te pletter gevallen.
Ik sprong op, en nam een bad in de beek.

In de derde alinea blijkt de Camoës-identiteit nog, ook al zijn alle steden waar hij bestond weg achter de verte, de grote verwoesting van Lissabon waar te nemen. Deze verwoesting (die ook historisch plaats heeft gevonden, zij het in de achttiende eeuw) komt ook terug in Laatste verschijning van Camoës, en was voor Slauerhoff een belangrijk kenterpunt, een symbool van vergankelijkheid en een soort van apocalyptisch „bruggen achter zich verbranden”, zij het extern afgedwongen.
Dat de aardbeving van Lissabon enkele eeuwen na het leven van de historische Camões (±1524–1580) plaatsvond scheelt Slauerhoff niet veel – hij gebruikt hier net als in Het verboden rijk krachtige, symbolische landmarks en gebeurtenissen die in grofweg dezelfde ruimte maar op andere tijden bestaan hebben als zij zijn boodschap ten dienste kunnen zijn. Aardse chronologie doet daarbij niet zoveel ter zake, maar hij is er dan ook niet op uit om een historische roman te schrijven.


Fragment D-VIII
Hoofdstuk XIII: Tempelwachteres en godin


Blijkens het hoofdstuknummer had Slauerhoff op dit punt al een veel meer gedetailleerd overzicht over de hoofdstukken en wat hij erin wilde gaan zeggen; helaas is ons alleen het eerdere, kleiner opgezette overzicht van document B-I overgeleverd. Uit de tekst van dit fragment blijkt dat het tegen het einde van het boek gedacht was, direct vóór de conclusie.

Deze keer kon ik de Tai Sjan naderen van de andere kant. Ik hoefde de vallei der duizendjarige bomen niet door, hoefde niet dagen lang te wachten tot de wind mij de whoepan toe zou spelen.
Ik wist de weg, rondde de ravijnen zonder ooit te hoeven nederdalen, sliep in grote reine herbergen. De bevolking woonde hier in holen. Maar deze holbewoners waren lichtwezens vergeleken bij de andere in China.
Naar deze kant glooide de Tai Sjan zacht, en ik volgde een pad alleen moeilijk te bestijgen door de vele verlokkingen die mij langs de weg wilden weerhouden. Ik dacht vroeger dat de tuinen door de [heerser] van Tsjeng-Tsou aangelegd de hoogste kunst waren. Nu ontdekte ik dat de natuur zelf ook in haar luimen de wetten van de tuinbouw volgen kon.

De tweede dag van de tiende maand, de zesde bestijging, begon het weer te veranderen. De rand van de Tai Sjan had ik tot voor de vorige zonsondergang ijl en zuiver, zilver alleen door ’t avondrood getint, voor mij gezien.
’s Nachts sliep ik in een tempel… en, sinds vele jaren voor ’t eerst, bij een vrouw, zij die het heiligdom moest hoeden.
Ik weet niet goed hoe het gebeurd is. Het ging als overal, vroeg onderdak, kreeg het, moest eerst een uur bij de [godenbeelden] doorbrengen, wat ik meestal reeds in sluimering deed. Ook hier. Maar terwijl ik de aandacht verrichtte, starend naar de wanstaltige goden, kwam door een deur naast de oppergod Li binnen, zo dat ik reeds haar gestalte bewonderen kon. Ik liet mij niet afleiden, denkend dat dit wel een beproeving kon zijn waaraan de reizigers blootgesteld werden. Als ik toegaf zou ik misschien uitgewezen worden.
Ik wachtte tot zij het wateruurwerk omkeerde, en ging in de zijzaal. Op een estrade van een halve meter hoog lagen drie dunne matrassen die het [...].
En ook daar vond ik haar. Het was zo donker dat ik haar bijna niet zag, zij was zo koel en glad als een beeld, niet van jade maar van [...]. Zij bracht mij niet in hevige verrukkingen, maar zij gaf mij iets wat ik tevoren nooit had ondervonden: ik was geen ogenblik, geen seconde, en geen onderdeel van een seconde alleen.
De liefde die ik vroeger had gekend, leek het meest op een geaccidenteerd berglandschap waar men in snelle vaart door reist: zachte dalen, duizelingwekkende toppen, ravijnen van de kilste en duisterste eenzaamheid – dat alles in één nacht.
De geliefden van het blanke ras brengen elkaar in de hemel der gelukzaligheid, laten elkaar dan los en storten elk voor zich weer neer in de diepste alledaagsheid. Li bracht mij niet in de hoogste hemel, zij was ook maar een lagere priesteres, maar nooit had ik het angstige gevoel van stijgen in een snelle brand en vallen terwijl een ijzingwekkende kou langs oren en leden snerpt, dat mij vroeger eindelijk – behalve mijn lichamelijke ellende – geheel van de liefde afkerig had gemaakt.
Het licht kwam daarna als een zacht grijs gordijn voor de wanden van de zaal. Deze had geen vensters, maar dichtbijeenstaande pijlers, zuilen, ronden – dicht en open tegelijk. Li sliep, maar in haar slaap verzuimde zij nog niet haar liefdetaak: mijn hoofd tegen haar schouder, haar adem wiegde het, en evenals de poenkawachter ook in slaap zijn waaier doet bewegen, bleef haar hand mij strelen en wiegen.
Het werd tijd om de tocht te vervolgen. Het licht werd nu goudgeel, ik zag de eikenstammen die als breedere zuilen in buitenwacht rondom de tempel stonden.
Plotseling stak de storm weer op. Het gouden licht verdween. Een stortregen voegde zich als een derde wering van loodrechte zuilen tussen die van ’t woud en de tempelwand in. Li bewoog in haar slaap en omvatte mij vaster.
Ik dacht na, of ik nu niet aan het einddoel was. De werken van de [...] aan de kust waren voorgoed vernietigd, ik had de ondergang zelf aanschouwd. Waarom zou ik in Paning, de diepgelegen stad, wel het leven vinden zoals ik het leiden moest? Was het niet hier?
Of was Li een van de vele vermommingen van het vijandig lot dat mij steeds weer afhield van de weg die ik volgen moest, ondanks mijzelve, naar het grotere lot dat ik zeker niet had begeerd, waar de enige begeerte die mij had bewogen was, het enge lot te verlaten?

De natuur loste de strijd voor mij op, zoals een modderstroom soms tijdelijk een ravijn verwist: drie dagen en nachten hield de regen aan, en werd al dichter, zodat binnen de tempelzaal, waar onder het lage dak een grijze schemer heerste, alleen rondom de drie lampen een gele lichtplek was, en een rode voor de houtskoolhaard.
De vierde dag kwam het licht terug, sterker dan voorheen. Van het eikenbos waren hier en daar de bomen neergeslagen: het licht viel door een wak van verwoesting over een kruis van stammen. Ik liep de zaal rond en tuurde of ik door ’t bos heen de top weer ontdekken kon.
Li voelde mijn drang, bleef sprakeloos, maar drukte zich tegen mij aan, en toonde dat zij niet alleen priesteres was van de voorhal der stilte, maar ook een kunstenares bedreven in de wetenschap der duizend liefkozingen.
Dit boeide mij een dag, deed mij daarna des te vaster besluiten heen te gaan. De wind loeide, en achter het bos was een voortdurend gerommel als van een lage donder, maar ik moest gaan.
Tevergeefs smeekte Li mij nog een dag, een week te blijven. Zij wisselde van gewaden en beschilderde haar gelaat telkens anders, en zodoende bezat ik de geliefden die allang door de poort van het graf in de onderwereld waren afgedaald nog eenmaal, in de onmiddellijke nabijheid van de Tai Sjan, de hoogste top.
Diana had haar hooghartige en toch smachtende houding bewaard, haar bruine ogen waren wel doffer, niet anders dan vroeger. Haar te zwoele mond was nu toegespitst, haar boezem nog gewelfder. Zij had niets van een schim en overtuigde mij van de waarheid die ik toch steeds had betwijfeld, dat het leven in de onderwereld uiterlijk niet verschilde van de onze.
Pilar daarentegen was vager, haar gele kleur was spoedig vaal, en toen ik een ongeduldige beweging maakte sloop zij wenende weg. Het leven op aarde, waar zij gehoor had gegeven aan de wil van [haar vader], had haar fierheid doen slijten tot een slappe streng.
Diana had zich moeten bewaren tegen wil en dank. De twintig jaren in het klooster van Alcobaça had zij op dromen moeten leven, dromen over mij voor het grootste deel.
Ik had geen vrees, maar weerde ze zo spoedig mogelijk af, en verzocht Li weer zich zelve te zijn, hetgeen ze deed. Toen was ze zo tenger, zo [...] als een twijg van een esp, en zo had ik haar lief, maar zij was niet genoeg. Soms kan een twijg, wiegend in de wind voor een azuren lucht, de sneeuwwitte verheven bergtop daar – erachter en hoger – doen vergeten, maar nu de natuur in sombere vervoering in zijn hoogste [...] verkeerde, niet.

En ik nam afscheid. Zij hulde mij in de warmste [mantel] die zij vinden kon in de sacristij, en bleef sprakeloos tegen een der poortbalken geleund mij nastaren, riep nog één keer.

Het bos was alleen een dunne ring om de tempel geweest. Na duizend strompelende stappen stond ik op de open helling. Alle plantengroei was opgehouden. Drie, vier dwergheesters – het was voorbij. Een stenig pad, de storm daarover, de top van de Tai Sjan in duisternis. De richting: zo snel mogelijk stijgen.
In de middag zag ik een lage rode muur voor mij. Ik bleef staan, de muur naderde: een lavastroom. Tsjeng-Tsou moest zijn bedolven terwijl ik in de tempel vertoefde. De hoop dat het hoger gelegen gedeelte gespaard was gebleven deed mij voortgaan.
Het was een machtige, maar rustige eruptie. De lavastroom was vrij smal: een uur uitwijkend vond ik weer de open helling. Rook noch stenen stegen op over de rand. De lavastroom vloeide voort, uiterst traag. De tempel van Li zou op zijn weg liggen, verwoest worden, ook daar kon ik nimmer terugkeren. Als alle schuilplaatsen van het Verleden zo spoorloos werden weggewist, hoe moeiteloos en licht zou het voortgaan zijn, ook over het steilste pad, de steenachtigste bodem, door het bijtendste zoutmeer, de zengendste steppe…

Nog eenmaal moest ik overnachten. Achter een rotsblok bleef ik wachten op het licht.

Hijgend, steunend klom ik over de laatste rand, en boog mij over om diep in ’t dal neer te zien, te ontdekken hoeveel er nog over was van Tsjeng-Tsou. En ’t was of een golf van steen tegen mijn ogen sloeg, het gezicht verduisterend.
Toen ’t opklaarde zag ik: er was geen dal, maar een grijze en rode vlakte, flauw afhellend naar de overkant. Daar bleef de vlakte nog honderd vaam onder de rand. Daar meende ik nog een torentop te zien opsteken en [...] te zien drijven.
Maar geen gevoel van verlatenheid, maar een een ontzettende verlichting. Tsjeng-Tsou, de stad van het Verleden, van de duizend moskeeën, duizend pagoden, honderd kathedralen, bestond niet meer!

Terwijl daar, aan de overzijde [...] de godin.

De laatste zin van dit fragment staat alleen, los op de keerzijde van het laatste blad, en lijkt het begin van een nieuwe episode te zijn. De identiteiten Cameron en Camoës zijn nog steeds versmolten: de ruimte waar de gebeurtenissen plaatsvinden is bereikt door Cameron in diens tocht naar het binnenland, maar de geliefden die nog eenmaal terugkomen zijn die van Camoës. Blijkbaar moet de definitieve scheiding van de twee identiteiten nog plaatsvinden, ook al zijn we vlakbij het slot van het boek gekomen.


Fragment B-II (gedeeltelijk)
Starend over het niet


Op de rand blijft alleen over een klein klooster. Daar de béatitude.


Starend over het niet —

Dromen komen op en wenken
Als de tempels op de kust
Van het meer dat nu de mist
Van de bergtop in kan drinken

Al het leed is weggezonken
Stad en wereld is verwoest
Vuur en water zijn geblust
Doen is onderdaan van denken


rust


Document B-II bestaat uit schetsmatige stukjes plot voor de Chinese trilogie; aan het eind van de derde roman (en dus ook de trilogie als geheel) had Slauerhoff, net als in het titelverhaal van Het lente-eiland en andere verhalen, een gedicht gedacht dat de conclusie moest vormen. De zinsnede „Starend over het niet” is niet de formele titel (denkelijk zou het gedicht er ook geen krijgen), maar een soort zintuigelijke situatieschets van het waar en hoe van de hoofdpersoon.
Het gedicht is onvoltooid gebleven, maar kent een op een moderne manier toepasselijk einde door het in de leegte hangende, enkele rijmwoord „rust”. Vóór het gedicht zou natuurlijk nog wel een concluderende episode komen die hiernaartoe zou leiden.


Literatuurlijst

Het China van Slauerhoff is uitverkocht en wordt vooralsnog niet herdrukt, maar moet via openbare of in wetenschappelijke bibliotheek kunnen worden gevonden. De andere drie titels worden nog steeds regelmatig in paperback herdrukt. Laatste verschijning van Camoës is ook gebundeld in de Verzamelde werken, het Verzameld proza en diverse verhalencompilaties, waarvan de recentste Alle verhalen (2003) is.
Let erop, als u uw teksten zoekt in bibliotheek of antiquariaat, dat ze zijn verzorgd door K. Lekkerkerker. Alleen dan heeft u de best mogelijke tekst in handen. Lekkerkerker heeft nl. in de jaren ’80 van de vorige eeuw het proza van Slauerhoff grondig nagezien en hersteld (de meeste eerdere drukken, soms zelfs de eerste, zijn ontsierd door tekstbederf).


©1995–2003 Arjan de Weerd voor wat betreft de inleiding en de annotaties. De romantekst an sich maakt sinds januari 2007 weer deel uit van het publieke domein.