Weer en Natuur nader bekeken

online
 

De Ruitjesbovist (Calvatia utriformis)

Bij toeval ontdekte ik op 10 mei jl. in de Amsterdamse Duinwaterleidingduinen deze paddestoel. Het was mijn eerste waarneming van deze soort. De tweede helft van mei zijn er in de regel niet veel paddestoelen. De voorjaarssoorten verdwijnen (o.a. de Morielje en de Franjeporiezwam) en de zomersoorten zijn er nog niet. Maar een paddestoel die nu de aandacht trekt, is de Ruitjesbovist. De bovenkant is voorzien van een ruitvormig patroon van piramideachtige, schubbige wratten (zie foto 1), waardoor ze een opvallende gelijkenis vertoont met een golfbal. alleen iets groter.

Deze zwam wijkt, evenals alle stuifzwammen, sterk af van de paddestoelen met hoed en steel, zoals je die op wandelingen het meest tegenkomt. In het begin is de Ruitjesbovist ei-, later meer peer- of bolvormig, met meestal een afgeplatte bovenkant. De buitenste laag van het omhulsel is eerst wit, later grijsbruin en barst tijdens de groei in vele onregelmatige vakjes open (ruitvormig patroon). Later vormt zich aan de top een steeds groter wordende opening. Bij verder inscheuren valt het gehele bovenste deel in stukken en brokken af. De min of meer bekervormige steel blijft staan. Deze uitgestoven, donkerbruine, papierachtige restanten blijven overigens nog lang staan en soms vind je verse exemplaren naast de oude van het jaar ervoor. (zie foto 2) Zodra de sporen rijp zijn, barst de paddestoel open en kunnen deze ontsnappen. B.v. als er regendruppels op vallen of erop getrapt wordt (dier, mens).

Voor deze soort is er geen eenduidige groeiplaats aan te wijzen: hij neemt genoegen met allerlei soort grond en begroeiing. Het meest vind je hem toch in de gazons van tuinen en stadsparken en op zandige plaatsen (bosweiden, duinen e.a.). De soort is niet algemeen, komt verspreid voor, is eetbaar. De grootte is in hoogte tot 15 cm., in breedte ook tot 15 cm. Hij is te zien van mei tot oktober. De wetenschappelijke naam is "Calvatia utriformis". Overigens hebben ze in Engeland een leuke naam, "Devils snuffbox", oftewel "De snuifdoos van de duivel".

Elly van Niekerk



Foto 1: peervormig stadium, jonge zwam


Foto 2: oude exemplaar naast jonge zwam

Elly van Niekerk

 



 

De Kievitsbloem (Fritillaria meleagris)

Een bijzondere en bedreigde bloem. De Wilde kievitsbloem is een van de meest opvallende plantensoorten van ons land. Veel mensen kennen de plant alleen van tuincentra. Van nature komt de kievitsbloem voor in vochtige hooilanden langs rivieren. De soort groeit daar op vrij voedselrijke plaatsen, die in de winter drassig zijn of overstromen en in de zomer niet te sterk uitdrogen. De gevlekte bloemen van dit bolgewas verschijnen in het vroege voorjaar vanaf de tweede helft van april. Vroeger kleurde de kievitsbloem de graslanden en bossen van West- en Midden-Europa. De laatste tientallen jaren is het aantal groeiplaatsen sterk achteruit gegaan. De belangrijkste populaties komen tegenwoordig nog voor in Frankrijk, Nederland, de Balkan, Duitsland en Polen. Binnen het natuurbeleid geniet de kievitsbloem, zowel nationaal als internationaal, bescherming. Ondanks deze bescherming gaat de soort nog steeds achteruit. Voor Overijssel is daarom een plan opgesteld om de achteruitgang te stoppen en de kievitsbloem weer een kans te geven, want de plant komt daar het meest voor, nl. in de uiterwaarden van het Zwarte Water en de Overijsselsche Vecht. In Nederland is de kievitsbloem nooit algemeen geweest, maar kwam plaatselijk zeer talrijk voor. Het huidige aantal planten is nog slechts 5% van het aantal rond 1900.

Bescherming en Beheer Een goede bescherming van de Wilde kievitsbloem in Overijssel vraagt allereerst om het behoud van groeiplaatsen. In het verleden zijn kievitsbloemhooilanden verdwenen door bedijking van riviersystemen, intensivering van de landbouw, ontzandingen en bebouwing. Huidige groeiplaatsen moeten dus worden beschermd. Dit kan door het aankopen van percelen of het afsluiten van beheersovereenkomsten. Kievitsbloembeheer is gericht op het maaien in de juiste periode, afvoer van voedingsstoffen en een korte vegetatie aan het begin van het voorjaar. Dit alles moet plaatsvinden in de periode van 15 juni tot 15 juli. Een tweede maaibeurt vindt plaats aan het eind van de zomer. Deze maaibeurt kan ook door begrazing met vee of door natuurlijke begrazing door reeën of ganzen, vervangen worden. Te vroeg maaien of beweiden heeft grote gevolgen voor kievitsbloemen. Er vindt dan geen verjonging plaats, omdat afgemaaide, afgevreten of vertrapte bloemen geen zaden vormen. Bovendien kan de plant geen reservevoedsel opslaan, waardoor een aantal jaren geen nieuwe bloem wordt gevormd.

Over de naam De Nederlandse naam en enkele streeknamen verwijzen naar de kleurschakering van de bloem in knop, die aan een kievitsei doet denken. In Overijssel staat de plant bekend als "Kievitsei", "Kievitstulp", "Wilde Tulp", "Riettulp" of "Kabloem". De geslachtsnaam Fritillaria dankt ze aan de hangende, klokvormige bloemen die van het latijnse "Fritillus" (dobbelbeker) is afgeleid. De soortaanduiding "meleagris" heeft betrekking op het purperrode en witte blokjespatroon van de bloembladen, die op het verenkleed van een parelhoen lijken.

Van zaadje tot bol en bloem Alvorens zij ons haar fraaie bloemen toont, maakt de kievitsbloem een bijzonder leven door. Het ontkiemde zaadje vormt één centimeter onder de grond een klein bolletje. In het daaropvolgende jaar ontwikkelt zich een jonge plant met slechts één blad: de zwaardvorm. Deze fase kan één tot drie jaar duren. Vervolgens groeit ze uit tot een plant met stengel en bladeren, maar zonder bloem: de "kandelaarvorm". Deze fase kan drie tot acht jaar duren! Uiteindelijk breekt de fase aan waarin de kievitsbloem gaat bloeien. Na de bloei vormt de kievitsbloem een zaaddoos. De zaadjes vallen op de grond en raken na een overstroming op drift, op zoek naar nieuwe kiemgronden. Hoe oud een plant kan worden is niet precies bekend. Er zijn echter planten bekend die al tenminste 35 jaar bloeien en dus minimaal 40 jaar oud zijn!

De foto' s hieronder zijn genomen op een excursie, welke de vereniging Overijsselsch Landschap op 28 april organiseerde voor al zijn donateurs (beschermers), in het natuurgebiedje Langenholte, in de uiterwaarden van de Overijsselsche Vecht, ten noorden van Zwolle.


Kievitsbloemveld


Kievitsbloem


Kievitsbloem

Elly van Niekerk

 



 

Voorjaarspaddestoelen Deel 2

De Gewone Morielje (Morchella esculenta)
Als de lente niet te droog is, kan men, vooral zo eind april-begin mei, al heel wat paddestoelen tegenkomen. Dat komt onder andere, doordat onder de honderden soorten die vooral in de nazomer en herfst te vinden zijn, er een aantal zijn die ook wel eens in het voorjaar verschijnen, zoals het bekende Gewone Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare, zeer giftig!).

Maar er zijn in ons land ook tientallen soorten die uitsluitend in de lente hun vruchtlichamen vormen en tot deze echte voorjaarspaddestoelen behoren een paar van onze interessantste paddestoelen. Al eerder besprak ik in deze rubriek, de Franjeporiezwam (Polyporus tuberaster).

Het merkwaardigst zijn echter de Morieljes. In ons land komt de Gewone Morielje (Morchella esculenta) voor. Deze 6 toto 25 cm. hoge paddestoelen hebben witte tot okergele, cilindervormige, broze holle stelen, waarop ze een ronde tot kegelvormige hoed dragen. Een hoed die aanvankelijk slechts hersenachtige plooien vertoont, maar na het uitgroeien een samenstel van putjes en lijsten draagt (als een onregelmatige honingraat) en dan een wat sponsachtig uiterlijk heeft. In de cellen die de putjes bekleden, worden de sporen gevormd. Bij snelle temperatuur- of lichtwisseling worden soms zoveel van deze microscopisch kleine sporen tegelijk afgeschoten, dat een wit sporenwolkje en soms ook zwak geruis is waar te nemen.

De kleuren van morieljes variëren van geel, okergeel tot bruingroen, afhankelijk van de luchtvochtigheid. De Gewone Morielje is lichtbruin van kleur (zie foto). Hij verspreidt een aangename zoete geur.

Wil men graag eens morieljes zien, dan moet men in ons land vooral zoeken in bossen die veel licht doorlaten, en ook vaak in directe omgeving van bomen als Essen en Iepen. Ook komt de soort voor in en achter de kalkrijke duinen, in Zuid-Limburg op kalkrijke grond met een zachte laag substraat, dat in sommige gevallen gekoloniseerd wordt door Daslook (Allium ursinum), een stinzeplant. (in de omgeving van Leiden begint deze plant nu te bloeien 22-04-06). Ook in kleibossen langs onze grote rivieren komt de Gewone Morielje voor.

Tijd van voorkomen is april en mei. Ze zijn uitstekend eetbaar, een ware delicatesse, maar door hun grote trouw aan zeer bepaalde standplaatsen en hun zeldzaamheid, vrij kwetsbaar. Sinds de jaren zestig is hun aantal in Nederland sterk teruggelopen.


Morielje
Het kweken van morieljes, een lang gekoesterde droom van velen, is nog steeds niet gelukt.

Bronnen: "De 12 Maanden van het jaar", Jan Nijkamp e.a.

Foto: Enzo Musumeci (2005) Zie ook: www.sentieriboschivi.ch
 

Foto: André Biemans, Gewone Morielje, Begraafplaats Groenesteeg,Leiden
Foto' s Daslook: André Biemans

Elly van Niekerk


 



 

Judasoor (Himeola auricula-judae)

Judasoor is een trilzwam, die bij droog weer inkrimpt, maar regenereert in vochtiger omstandigheden.De naam wordt wel verklaard uit de overlevering dat Judas zich aan een Vlier had opgehangen nadat hij Christus verraden had (Goede Vrijdag voor Pasen). De Vlier is de favoriete gastheer van het Judasoor.

Onder gunstige (vochtige) omstandigheden is het 2-6 cm grote Judasoor een satijnachtige donkerroze zwam, die zacht aanvoelt. Vaak treft men hem aan in de vorm van een geaderd, enigszins doorzichtig, oor (zie foto). Bij droogte krimpt hij in, wordt harder en donkerder (tot zwart) van kleur. Judasoor komt gedurende het gehele jaar voor in Nederland en België, zowel op levende als op dode bomen. De zwam heeft een voorkeur voor Vlier, maar groeit ook op een groot aantal andere bomen en struiken. Het is een algemene en zich uitbreidende soort.

Judasoor veroorzaakt "witrot" wanneer hij als parasiet op en levende gastheer leeft. Als de gastheer sterft, wordt het Judasoor een "saprofyt". Dit soort schadelijke zwammen noemt men "necrotrofe parasieten". Deze komen voor op vaak nog levende bomen. Judasoor is eetbaar en wordt veel gebruikt in de Chinese en Japanse keuken.
Elly van Niekerk



Judasoor
Foto: Elly van Niekerk. Judasoor op afgevallen, dode tak van een Vlier. A' damse Duinwaterleidingduinen (19-02-06)  



 

 

Stinzenplanten

Onder de naam stinzenplant verstaan we tegenwoordig plantensoorten die in hun verspreiding binnen een bepaald gebied (vrijwel) beperkt zijn tot "Stinzen" (naar de Friese naam voor versterkte adellijke woning) ; buitenplaatsen, oude boerenhoeven, oude pastorietuinen en aanverwante milieus zoal kerkhoven, stadswallen en slotheuvels. Aanvankelijk werd de naam "stinzenplanten" alleen gebruikt voor soorten van de Friese stinzen, maar later werd deze term ook buiten Friesland toegepast.

Het gaat om soorten of variëteiten van soorten, met opvallende bloemen, of omdat ze decoratief waren, of dat men er geneesmiddelen uit kon bereiden (bv. het Gevlekt Longkruid). Bloemen die vroeger op buitenplaatsen e.d. zijn aangeplant, niet inheems dus, en vervolgens verwilderd en ingeburgerd. Soms echter is er ook sprake geweest van spontane vestiging vanuit de omgeving. De bosanemoon (Anemone nemorosa) en het speenkruid (Ranunculus ficaria) zijn waarschijnlijk niet bewust aangeplant, maar komen van nature in deze milieus voor. Dit geldt echter niet voor de volgende soorten stinzenplanten: Voorjaarshelmbloem (Corydalis solida), Holwortel (Corydalis bulbosa), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Daslook (Allium ursinum), Sleutelbloemen (Primulae), Wilde boshyacint (Scilla non-scripta), Sterhyacint (Scilla bifolia), Bostulp (Tulipa sylvestris, en het Gevlekt Longkruid (Pulmonaria officinalis). Het zijn allemaal bol- of knolgewassen (de Bosanemoon heeft wortelstokken) die profiteren van de verhoogde lichtinval in het nog kale bos in het voorjaar. Zij geven als eersten kleur aan de fraaie buitenplaatsen.

Helaas is, in de laatste decennia, een achteruitgang van de soorten waargenomen. Dit was te wijten aan b.v. het verdwijnen van de specifieke stinzenmilieus, zoals in de omgeving van Leiden, buitenplaatsen die ten offer vielen aan stedelijke bebouwing. Ook werden gronden gebruikt voor zandwinning en daarna voor bloembollenteelt. Bovendien worden genoemd slecht tuinonderhoud en, in de niet-particuliere terreinen, onvoldoende aandacht voor de stinzenplanten. Tenslotte kregen terreinen die door openstelling een andere functie kregen, te lijden van intensieve betreding, loslopende honden en (in mindere mate) van het uitsteken van stinzenplanten. Echter in Park Oud Poelgeest bij Leiden (niet particulier terrein) komt ook het omgekeerde voor. Een soort als Holwortel (Corydalis bulbosa), liep ruim tien jaar geleden erg terug en is zich de laatste jaren weer sterk aan het uitbreiden. Op het ogenblik zijn ze in volle bloei te bewonderen in velerlei variëteiten, van donkerpaars tot lichtlila, maar ook is er een prachtige spierwitte soort!

De Holwortel (Corydalis bulbosa)

Deze plant is net als andere helmbloemen lid van de fam. der Papavers (als de Klaproos), maar wijkt als onderfamilie duidelijk af vanwege de speciale "bloembouw". De bloem is b.v. naar achteren uitgegroeid tot een honingspoor. Op die manier kunnen de bloemen alleen bezocht worden door insecten met een lange tong. In het voorjaar zijn dat vooral hommels en de Sachembij. De latijnse naam "Corydalis" verwijst overigens naar de Kuifleeuwerik, waar de bloem van de Holwortel wel iets van weg heeft (zoals ook de bloem van de Voorjaarshelmbloem), een kuifje, een staart en een pootje in of achter het midden van de bloem. Ook in andere benamingen en volksnamen worden de bloemen met vogeltjes vergeleken, zoals b.v. de gehele bloeiwijze met een koppel kippen-op-stok!

De Holwortel heeft een hazelnoot- tot walnoot-grote, holle knol in de grond en ongedeelde, ovale, paarsige schutbladen aan de basis van de bloemsteeltjes.

Elly van Niekerk



Holwortel

Bosanemoon

Holwortel

Holwortel
Foto's : Elly van Niekerk en Andre Biemans (2002)
Hier leest u meer over Stinzenplanten.

 



 

Franjeporiezwam (Polyporus Tuberaster)

De Franjeporiezwam is in bepaalde streken erg bekend en gewaardeerd vanwege de uitstekende, beproefde geneeskrachtige werking. Om deze reden werd de zwam in het verleden intensief gekweekt.

De soort nestelt zich bij voorkeur op wegrottend hout van loofbomen (Beuk, Esdoorn, Populier) stronken en takken, die gedurende het afbraakproces, zorgen voor een uitstekende voedingsbodem (humuslaag). Een van de meest opvallende en verrassende verschijnselen van deze soort, is het vermogen om, onder zeer goede milieuomstandigheden, grote ondergrondse knollen te vormen door optimaal gebruik te maken van deze voedingsbodem. Het lijkt alsof de zwam oppervlakkig op de grond groeit, maar in werkelijkheid zit ze diep, op in de grond geworteld hout en ontwikkelt het vruchtlichaam zich op een dikke, onregelmatige knol, die bestaat uit myceliumweefsel dat vermengd is met de vruchtbare aarde, samen het "sclerotium" genoemd ("sclerose" is "weefselverharding"). Zo'n knol kan van 10 cm tot 60 cm in diameter worden (zie foto). Dit verklaart dat in Italië in de volkstraditie, deze zwam bekend stond als behorend tot de "Pietra fungaia", de zgn. "zwamstenen", waar men grote vruchtlichamen uit kon kweken.

In Nederland kun je de Franjeporiezwam vinden op vochtige, voedselrijke grond, b.v. in de IJsselmeerpolders en de klei- en veengebieden van Holland en Utrecht, in bossen en ook in (stads-) parken op loofhout. (In Leiderdorp komt deze zwam b.v. voor in Park Houtkamp).

De paddestoel is eetbaar en begint in het voorjaar te groeien, als er (nog) geen andere eetbare paddestoelen te vinden zijn. De tijd van voorkomen is van maart tot november. Je herkent de zwam o.a. aan de roomwitte porie centrale steel, gelig-wit geschubde hoed (ca 10 cm in doorsnee)

Elly van Niekerk



Foto: Enzo Musumeci (2005) Zie ook: www.sentieriboschivi.ch
 

 
© WeerWeb