Amsterdam, die mooie stad...???

 

 

Het begin – de eerste Amsterdamse generatie

 

 

 

Hendricus Aloijsius Plag en Joannes Henricus Rohe, mijn voorvaderen van moederskant, verlaten hun geboorteplaats en trekken naar Amsterdam

 

In het begin van de negentiende eeuw hadden we in Amsterdam Hendricus Aloijsius Plag en Joannes Henricus Rohe tegen het lijf kunnen lopen. Beiden vestigen zich na aankomst in het centrum van de stad. Dat kon ook nauwelijks anders omdat Amsterdam in die tijd niet veel groter was dan dat. Laten we kijken hoe het hen vergaan is.

 

Hendricus Aloijsius Plag

 

Hendricus Aloijsius Plag (roepnaam Hendrik) komt in 1774 ter wereld in Ravenstein, dat in die tijd zo’n 750 inwoners heeft. Hij wordt er op 9 juni van dat jaar gedoopt als Hendricus Aloijsius Plagge. De familienaam wordt in die periode iedere keer anders geschreven: Plagh, Plagge en Plag. Uiteindelijk blijft de naam Plag over als enige echte familienaam.

 


In het stadje, tot aan de Franse revolutie een Duitse heerlijkheid, komt het aan het eind van de 18de eeuw regelmatig tot een treffen tussen Patriotten (Fransgezinden, aanhangers van de Franse revolutie) en Oranjegezinden. Overal in Nederland vliegen Patriotten en Oranjegezinden elkaar in de haren. In 1784 is de situatie zo verslechterd dat stadhouder Willem V, zijn vrouw Willemina en zijn gevolg zich genoodzaakt zien Den Haag en Holland te verlaten. Zij vestigen zich in Nijmegen. Wanneer prinses Wilhelmina in 1787 probeert naar Den Haag te reizen, wordt zij te Goejanverwellesluis bij Gouda door een handjevol Patriotten opgewacht en teruggestuurd. Haar broer Frederik Willem II van Pruisen laat dat niet op zich zitten en grijpt in. In september rukken de Pruisen de Republiek binnen en binnen één week zijn alle Patriotse bolwerken bezweken. Hierdoor komen Willem V en de Oranjegezinden weer aan de macht. Maar niet voor lang. In 1795 komt Nederland, ook Ravenstein, in handen van de Fransen. De Bataafse Republiek is een feit.

 

In deze woelige tijd vertrekt Hendricus Aloijsius, net als zijn broer Joannes Ignatius en zijn zuster Wilhelmina Maria, naar Amsterdam om daar zijn geluk te beproeven. Hij trouwt er in 1804 met Anna Maria van der Nap, maar het zit hem niet mee. Nadat er twee kinderen zijn geboren, sterft Anna Maria op 5 december 1809. In 1810 trouwt hij voor de tweede keer. Hij heeft zijn oog laten vallen op Wilhelmina van Es (roepnaam Mijntje) en op de derde van de oogstmaand (augustus) gaan ze in ondertrouw. 


Hendricus Aloijsius is timmermansknecht. Het echtpaar krijgt vier kinderen, waaronder Hendrikus Aloijsius (mijn betovergrootvader Plag). Hij is het enige kind dat in leven blijft. De drie andere kinderen uit het tweede huwelijk overlijden vóór het bereiken van hun tweede levensjaar en ook de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Hendricus Aloijsius sterven op jonge leeftijd.

 

Ook dit tweede huwelijk duurt niet lang, omdat Hendricus Aloijsius al na enkele jaren overlijdt. Hij sterft op 27 juli 1817. Hoe Wilhelmina na zijn dood in haar onderhoud en dat van het enige overgebleven kind voorziet, is onbekend. Wel bekend is dat zij haar man vele jaren overleeft . Uit het bevolkingsregister blijkt dat ze rond 1850 in het Binnen Gasthuis verblijft. Ze is daar in 1864 overleden.

 

Terzijde

 

Hendricus Aloijsius heeft in de laatste jaren van zijn leven, de jaren dat wij hem hebben kunnen volgen, steeds gewoond in het stuk Jordaan dat tussen de Rozengracht en de Westerstraat ligt. Zijn tweede vrouw Wilhelmina kwam uit datzelfde piepkleine stuk Jordaan, uit de Anjeliersstraat bij de Violettenstraat.  Afgaande op hun steeds minder riante woonadressen, kun je met vrij grote zekerheid stellen dat het hen niet heeft meegezeten. Op het laatst zijn ze beland in de nu verdwenen Ratelwachtsteeg (op het punt waar deze uitkomt in de Tuinstraat).

 

Het gezin zal, zoals zovelen, de gevolgen van de Franse overheersing aan den lijve ondervonden hebben. Tijdens en na de Franse bezetting heerste er bittere armoede in heel Nederland. Amsterdam telde in 1799 ongeveer 200.000 inwoners, waarvan er 81.000 bedeeld werden. In 1809 waren er zelfs 108.000 bedeelden; 60.000 van hen waren wel tot werken in staat maar konden gewoon geen werk vinden. Deze moeilijkheden waren voor een groot deel het gevolg van het door Napoleon ingevoerde Continentaal Stelsel. Alle handel met Engeland werd verboden en kwam nagenoeg stil te liggen. Nadat Napoleon zijn broer Lodewijk Napoleon als koning had afgezet, o.a. vanwege het niet strikt genoeg handhaven van zijn handelsvoorschriften, werd Nederland bij Frankrijk ingelijfd en werd de situatie helemaal kritiek. Dit was de tijd waarin Hendricus Aloijsius leefde…

 

Joannes Henricus Rohe (later Rohé)

 

Ook Joannes Henricus Rohe (roepnaam Hendrik), is geen Amsterdammer. Hij wordt geboren in het Duitse Erlte bij Visbek, gelegen in het Münsterland, en wordt op 4 september 1768 in Visbek gedoopt. Veel inwoners van dit gebied, meestal arme keuterboeren en dagloners, trekken als seizoenarbeider naar andere streken om iets bij te verdienen. In Nederland werken ze o.a. als veenarbeider, grasmaaier of marskramer. Rond het eind van de 18de eeuw vestigen veel Duitsers zich blijvend in Nederland. Op een gegeven moment volgt Joannes Hendricus hun voorbeeld. Hij gaat wonen in Amsterdam en werkt er als kousenkoper/kousenwinkelier.

 

In 1807 woont hij in de Reguliersbreestraat, hoek Watersteeg (nu Regulierssteeg). De straat ligt in een levendige buurt, vol logementen, kroegen en winkeltjes. Het is er dag in, dag uit een drukte van belang. Schuin tegenover hem, in de Schapensteeg, woont de jonge wees Maria Catharina Kok. Op 24 juli van dat jaar gaat hij in ondertrouw met Maria Catharina. Wat weten we van hen?

 

De kousenwinkel loopt blijkbaar redelijk goed, want in 1808 laten Joannes Henricus en Maria Catharina een testament opstellen bij notaris Daniël Lublink. Dat kost hen één gulden, toentertijd ongeveer het weekloon van een arbeider. Het echtpaar woont dan in de Utrechtsestraat (tussen de Heren- en de Keizersgracht), waarschijnlijk bij de winkel. Uit het testament, opgemaakt op 28 juni 1808, blijkt dat Joannes Henricus zijn achternaam enigszins heeft veranderd. De slimmerd noemt zich niet langer Rohe maar Rohé. Een Frans klinkende naam kan geen kwaad in een tijd waarin de Fransen het voor het zeggen hebben…

 

Het echtpaar krijgt acht kinderen: één dochter en zeven zonen, waaronder Johannes Clement (mijn betovergrootvader Rohé). Het gezin is honkvast en blijft jaren op het adres in de Utrechtsestraat wonen, in ieder geval tot en met de geboorte van hun jongste kind in 1823.

 

Op 2 februari 1837 sterft Joannes Henricus op 69-jarige leeftijd. Jaren later, op 26 juni 1865, overlijdt Maria Catharina. Ze is dan 81 jaar en heeft zes van haar acht kinderen overleefd.

 

Duitsers

 

Joannes Henricus was een van de vele Duitsers die in de negentiende eeuw naar Nederland trokken. Hun in Nederland geboren kinderen, dus ook die van Joannes Henricus, krijgen tot 1892 automatisch de Nederlandse nationaliteit.

 

In de 19de eeuw vormden in Duitsland geboren mensen de grootste groep migranten in Nederland. Bepaalde ontwikkelingen in Duitsland - de revolutie van 1848, de oorlogen van 1866 en 1870-1871 en de toenemende Pruisische protestantse invloed na 1866 - leidden tot een toename van het aantal migranten. Pas na de industrialisatie van Duitsland aan het eind van de negentiende eeuw liep het aantal migranten terug. Zeker is dat er een grote groep Duitsers was die qua grootte overeenkwam met de hele migrantenpopulatie van nu.

 

 

Sappelen - de tweede Amsterdamse generatie

 

 

 

Mijn betovergrootvaders Hendrikus Aloijsius Plag en Johannes Clement Rohé trouwen jong en hebben net voldoende tijd om voor nageslacht te zorgen

 

De families Plag en Rohé vestigen zich blijvend in Amsterdam. Ze behoren niet tot de elite. Integendeel. Het zijn zonder uitzondering handswerklieden. Jammer genoeg hebben mijn betovergrootvaders en hun familie de tijd niet mee. De Nederlandse economie zit in het slop, het leven is hard en alleen de zeer sterken redden het. Hoe hebben zij zich gered?

 

Hendrikus Aloijsius Plag & Catharina Johanna Munninkhuijsen

 

Hendrikus Aloijsius Plag wordt op 27 februari 1815 geboren in de Amsterdamse Jordaan, in de Tuinstraat. Hij zal zijn hele leven daar dicht in de buurt blijven wonen. Als hij 2 is - hij woont dan met zijn ouders in de Ratelwachtsteeg - sterft zijn vader. Dit zal, hoe dan ook, een stempel op zijn jeugd hebben gezet. Het zal geen vetpot zijn geweest, de verzorgingsstaat was nog ver weg.

 

Hij trouwt op 20 mei 1835 met Catharina Johanna Munninkhuijsen. Ze zijn beiden jong. Hij is 20, zij 22. Catharina Johanna is zonder beroep, huisvrouw dus, terwijl hij zijn brood verdient als diamantslijper. Diamantslijpers verdienen redelijk en behoren - normaal gesproken - tot de weinigen die zich ‘s zondags met hun gezin een ritje in de bokkenwagen, dwars door de drukke Jordaan, kunnen veroorloven. Of dit ook voor Hendrikus Aloijsius en Catharina Johanna was weggelegd is onbekend. Waarschijnlijk niet. Hendrikus Aloijsius was volgens de overlevering niet erg gezond en het gezin verhuist in een paar jaar tijd van de Bloemstraat naar de Anjelierstraat en vandaar naar de 2de Egelantiersdwarsstraat. Een veeg teken…


 

Het echtpaar zet er vaart achter en krijgt drie kinderen. Dan slaat het noodlot toe. Hendrikus Aloijsius sterft op 17 november 1841 op 26-jarige leeftijd.  Catharina Johanna blijft achter met drie jonge kinderen en wordt naaister/breister om in haar onderhoud te voorzien. Catharina Johanna wordt oud, gaat op hoge leeftijd naar het bejaardenhuis Sint Jacob op de Plantage Middenlaan en sterft daar op 7 oktober 1901, op 88-jarige leeftijd.


 

Johannes Clement Rohé & Wilhelmina Johanna Jonkers

 

Johannes Clement wordt op 13 januari 1820 geboren in de Utrechtsestraat. Ook hij trouwt jong, net als Hendrikus Aloijsius Plag. Hij is 22 jaar als hij op 19 juni 1842 in het huwelijksbootje stapt met de 19-jarige Wilhelmina Johanna Jonkers.

 

Johannes Clement is kostwinner van het gezin. Hij is evenals zijn broers handwerkman, laarzenmaker/schoenmaker om precies te zijn. In 1845, krijgt het echtpaar hun enige kind, een dochter, die Maria Wilhelmina wordt genoemd. Johannes Clement en Wilhelmina Johanna wonen bij haar geboorte in de Goudsbloemstraat.

 

Johannes Clement sterft in 1849 op 28-jarige leeftijd.

 

De economische situatie in de 19de eeuw

 

De eerste helft van de 19de eeuw was een slechte tijd. De economische toestand was deplorabel. Eerst werd Nederland geconfronteerd met de gevolgen van de Napoleontische tijd, waarin de handel stil kwam te liggen en Nederland als een wingewest werd behandeld. Daarna volgde tussen 1829 en 1839 de geldverslindende strijd tegen de Belgen. Tenslotte besefte Nederland veel te laat dat men op industrieel gebied was achtergebleven bij het buitenland, waar al op grote schaal gebruik werd gemaakt van stoomkracht. Dit alles leidde tot een verpaupering die zijn weerga niet kende.

 

In 1847 was het aantal bedeelden 155 per duizend inwoners. In Amsterdam was het aantal bedeelden nog hoger: een kwart van het aantal inwoners werd bedeeld. Op een totale (Nederlandse) bevolking van twee en een half miljoen werden er gemiddeld 500.000 à 600.000 door de overigen onderhouden.

 

Arbeiders en handwerklieden verdienden weinig, bar weinig. Een paar voorbeelden. Goud- en zilversmeden verdienden ƒ 1,20 per dag. Leerlooiers en bierbrouwers verdienden niet meer dan ƒ 0,80 per dag. Boekdrukkers moesten zich met nog minder tevreden stellen en kregen slechts ƒ 0,60 per dag. Blikslagers hadden zelfs niet meer dan ƒ 0,55 per dag. Deze loonbedragen werden betaald in de eerste helft van de 19de eeuw. De vrije zaterdagmiddag bestond toen nog lang niet, laat staan een hele vrije zaterdag. Er werd zes volle dagen per week gewerkt, meestal 10 uur per dag, soms nog langer. In de huisindustrie werkten zeer jonge kinderen vaak meer dan tien uur per dag.

 

De werkomstandigheden van de arbeiders en de woonomstandigheden in de volksbuurten waren in de 19de eeuw ronduit slecht. Misschien heeft dit ertoe bijgedragen dat beiden zo jong zijn gestorven. Wie zal het zeggen? Slechte huisvesting, met zeer onhygiënische toestanden, eisten hun tol. De kindersterfte was hoog en er waren regelmatig uitbarstingen van difterie, roodvonk, griep en koortsen. Veel kinderen hadden Engelse ziekte en veel mensen stierven aan ziekten zoals tuberculose of pokken. Tussen 1832 en 1866 was er vier maal een cholera-epidemie.

 

Rond 1860 keerde het tij. Amsterdam kreeg het Noordzeekanaal, de handel (in met name koloniale producten) nam toe en de industrialisatie kwam op gang. Op sociaal gebied bleef echter zeer veel te wensen over. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw kwam hierin verbetering. Er werden verenigingen opgericht die hun best deden om het lot van de arbeiders te verbeteren en op een gegeven moment kwam ook de staat met wetgeving om aan de ergste misstanden een eind te maken.


 

Het kan verkeren – de derde Amsterdamse generatie

 

 

 

Ondanks een moeilijke start, zien mijn overgrootouders, Joannes Adolph Plag en Maria Wilhelmina Rohé, kans hun leven in goede banen te leiden

 

Joannes Adolph en Maria Wilhelmina worden geboren in een tijd waarin Nederland er slecht voorstaat. Beiden verliezen hun vader op zeer jonge leeftijd. Een moeilijk begin. Gelukkig voor hen wordt de economische situatie in de tweede helft van de 19de eeuw langzaam maar zeker beter.

 

Joannes Adolph Plag

 

Joannes Adolph (roepnaam Jan) wordt op 22 mei 1840 geboren in de 2de Egelantiersdwarsstraat. Zijn vader sterft in 1841. Wat nu? Volgens mijn tantes gaat hij al heel jong bij een schoenmaker in de leer. Hij moet meehelpen om de kost te verdienen. Tot 1868 woont hij bij zijn moeder in de Kerkstraat. Zijn twee oudere broers zijn dan al getrouwd en het huis uit. In juni 1868 gaat ook Joannes Adolph op zichzelf wonen, in de Spuistraat.

 

Maria Wilhelmina Rohé

 

Maria Wilhelmina (roepnaam Marie) komt op 29 december 1845 ter wereld. Na de dood van haar vader wordt Maria Wilhelmina opgevangen door de familie van haar overleden vader. Ze woont bij haar oma (die in 1865 overlijdt).

 

Een avontuurlijk leven vol verrassingen

 

Rond 1865 besluiten Joannes Adolph en Maria Wilhelmina samen door het leven te gaan. Maria Wilhelmina gaat in 1866 inwonen en werken bij de familie Schrik, op het Koningsplein, terwijl Joannes Adolph werkt bij een schoenmaker op de Herengracht, ter hoogte van de Spiegelstraat. Dan besluit Joannes Adolph naar Parijs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan. Hij vertrekt in oktober 1868 en Maria Wilhelmina volgt - op eigen houtje - op 11 november van datzelfde jaar.

 

Joannes Adolph vindt werk bij een luxe laarzenzaak. Nadat ze een hele tijd op de benodigde papieren hebben gewacht, trouwen Joannes Adolph en Maria Wilhelmina in Parijs (op 26 juni 1869). Ze krijgen daar een kindje dat na korte tijd sterft en maken er de Frans-Duitse oorlog, de belegering van Parijs en de volksopstand van de Communards mee. Joannes Adolph en Maria Wilhelmina slagen erin Parijs te verlaten en komen op 25 mei 1871 berooid in Amsterdam aan.

 

In het Amsterdamse gemeentearchief is 26 juni 1869, de Parijse trouwdatum, terug te vinden. Toch zijn ze jaren later in Amsterdam opnieuw getrouwd (op 7 september 1876), waarschijnlijk omdat het Parijse (kerkelijke) huwelijk ongeldig was.  Het echtpaar krijgt in Nederland in totaal acht kinderen.


 

Joannes Adolph ontwikkelt zich tot orthopedisch schoenmaker, zijn vrouw is huisvrouw. Zijn naam is een begrip in Amsterdam, maar ook daarbuiten. Mensen komen van heinde en ver om zich schoenen aan te laten meten.

 

Mijn overgrootvader en mijn overgrootmoeder worden beiden zeer oud. Hij overlijdt op 7 september 1928 op 88-jarige leeftijd. Zijn vrouw sterft op 3 mei 1931 op 85-jarige leeftijd.

 

 

Een nieuwkomer – de vierde Amsterdamse generatie

 

 

 

Mijn opa, Franz Macke, verlaat zijn woonplaats Damme en trekt naar Amsterdam

 

Franz Macke ziet op 12 februari 1881 het levenslicht in Damme, gelegen in het groothertogdom Oldenburg. Volgens mijn moeder en mijn tantes wilde zijn moeder absoluut niet dat hij als dienstplichtige zou gaan dienen in het door Pruisen gedomineerde leger. Daarom vertrekt hij op 17-jarige leeftijd naar Nederland, nadat hij officieel toestemming heeft gevraagd om te emigreren en zijn Duitse staatsburgerschap heeft opgegeven.

 

Franz Macke, groeit op in een boerengezin. Zijn ouders, Bernard Heinrich Macke (keuterboer) en Maria Elisabeth Krümpelmann, bewonen een kleine, in de dorpskern gelegen boerderij in de Gartenstraße 16. Damme is in die dagen een klein, arm dorp in een arme, overwegend agrarische streek.


 

Maria Elisabeth Krümpelmann wil niet dat haar zonen (Bernard en Franz) in dienst gaan en hun leven op het spel zetten. De oorlogen tegen Denemarken (1864), Oostenrijk (1866) en Frankrijk (1870-1871) liggen dan nog vers in het geheugen. Zij is niet de enige, een groot aantal rooms-katholieken is dezelfde mening toegedaan. Het betekent echter wel dat de jongens vóór hun 18de jaar moeten vertrekken.

 

In 1886 emigreert Bernard op 17-jarige leeftijd naar de Verenigde Staten. Bernard was veel te jong om op de bonnefooi naar het buitenland te gaan. Hij gaat naar Ohio, waar al drie broers van zijn vader naar toe zijn geëmigreerd. Franz krijgt in januari 1898, een paar weken voor zijn 18de verjaardag, toestemming om Duitsland te verlaten. Een en ander wordt - net als bij zijn oudere broer Bernard - in een zogenaamde Entlassungsurkunde vastgelegd. De consequentie is wel dat Franz vanaf dat moment zijn Duitse nationaliteit verliest. 

 

Later worden ook zijn vrouw en kinderen staatloos. Franz  verzuimt om de Nederlandse nationaliteit aan te vragen voor hemzelf, zijn vrouw en zijn kinderen. Voor de kinderen verandert de situatie pas nadat in 1936 de Wet op het Nederlanderschap zodanig wordt aangepast dat ook kinderen van Nederlandse moeders en vaders zonder of van onbekende nationaliteit Nederlander zijn (art.2 van de wijzigingswet, Staatsblad 209). Ze kunnen - eindelijk - de Nederlandse nationaliteit krijgen.

 

Franz vertrekt dus naar Nederland. Hij gaat werken in de confectie. In de damesmodezaak Willem III in de Haarlemmerstraat ontmoet hij mijn oma, Hendrika Maria Plag (roepnaam Riek), ook winkelbediende.



 

Familie Macke – vijfde Amsterdamse generatie

 

 

 

Mijn grootouders van moederskant, Franz Macke en Hendrika Maria Plag, stappen in het huwelijksbootje; het begin van een veelbewogen leven

 

Franz en Hendrika Maria trouwen op 7 februari 1907. Er komen twaalf kinderen, waaronder mijn moeder. Een van de kinderen, een jongetje, overlijdt op zeer jonge leeftijd. Tot de jaren twintig gaat alles goed. Daarna volgen jaren met economische tegenslag, oorlog en verdriet. Pas in de jaren vijftig, de jaren van de wederopbouw, wordt het leven weer wat zorgelozer.

 

In de eerste jaren van hun huwelijk wonen en werken mijn grootouders op de Overtoom. Ze hebben er een zaak in ‘witte en gemaakte goederen’. Er wordt witgoed per meter verkocht (katoen, flanel en linnen) en op bestelling worden uit deze stoffen vervaardigde lakens, slopen en dergelijke geleverd. Deze artikelen worden door een naaister gemaakt. Aangezien de vraag terugloopt, besluiten mijn grootouders om een uitgebreider assortiment manufacturen te gaan verkopen. De winkel op de Overtoom is daarvoor echter te klein.

 

Ze vinden een geschikte ruimte in de Jan Pieter Heijestraat 145, in de dan nog jonge Dichterswijk. Er worden allerhande manufacturen verkocht: handdoelen, theedoeken, lakens, slopen, babyluiers, ondergoed, band, garen, linnen, kousen, elastiek enzovoorts.  Aanvankelijk gaat het mijn grootouders voor de wind. Ze staan beiden in de winkel, er is een huishoudster en drie winkelbedienden. In de jaren twintig wordt de situatie echter langzaam maar zeker slechter. In de jaren dertig gaat het mis. Ondanks het feit dat de oudere kinderen al een baan hebben en hun hele loon afdragen, is er te weinig financiële speelruimte. Mijn grootvader gaat failliet.

 

In de oorlog verliest het gezin een zoon, Jan. Hij werkt voor de oorlog in Indonesië en wordt gevangen genomen door de Japanners. Het Japanse schip de Yunio Maru - waarop hij met vele anderen wordt vervoerd naar Katambaru (om te gaan werken aan een spoorbaan) wordt getorpedeerd door de Engelsen  Hij verdrinkt. Een ander dieptepunt - vol ziekte en sterfgevallen - is het jaar 1948.  Mijn grootvader en een van mijn ooms overlijden. Na dit alles pakken de overgebleven familieleden de draad weer op.

 

Mijn grootmoeder is oud geworden en is op 4 april 1965 op 84-jarige leeftijd overleden. Haar kinderen volgden, de een na de ander, en op dit moment - 2002 - zijn nog maar twee van de 12 kinderen in leven.

 


 

Slot

 

Na de oorlog breekt een nieuwe tijd aan, waarin men door de steeds grotere mobiliteit niet langer aan Amsterdam gebonden is. Van de familie van moederzijde die vijf generaties lang in Amsterdam heeft gewoond, woont op dit moment vrijwel niemand meer in Amsterdam. Ik heb mij beperkt tot deze vijf generaties Amsterdammers en laat de beschrijving van komende generaties graag aan een ander over.



© Copyright 2004· Website Design by Van der Meijden, Amsterdam · All rights reserved · Last update: 10th August 2004