Molen rond 1930
De molen rond 1930 met op één roede zelfzwichting

MOLEN "DE HOOP" TE HOLWERD, deel 1

 

R. Tolsma (reinder.tolsma@home.nl)

Eeuwenlang moeten de boeren van Holwerd, "een groot en oud dorp in Dongerdeel bewesten de Paezens" (Tegenw. Staat,1787), gebruik hebben kunnen maken van een windmolen in het eigen dorp. De eerste aanwijzing dat er rond 1400 een molen te Holwerd stond, wordt gevonden in de activiteiten van Albrecht van Beieren, graaf van Holland, die toen aanspraken maakte op Friesland en met een leger grote delen van Oostergo en Westergo bezette, hij bouwde o.a. een versterking bij Ter Lune in de monding van de Dokkumer Ee. Hij eiste al gauw ook belasting van de Friezen. Een van die belastingen was het "windrecht". In de "Zoenbrief en Accoord" tussen Hertog Albrecht van Beieren en de Friezen van 3 mei 1399 (Charterboek, bl. 292) staat: "voort soe sall onse lieve genedige Heere voornt. houden aen hem selven den wint van der Moelen over all in den Lande van Oistvrieslant,&ldots;"

Nadrukkelijker staat het in de schenkingsakte voor Her Foye van Dochem, getrouweling van de Hertog, die beloond wordt met "&ldots; die helfte van Dongeradeel, alsoe alst gelegen is in Oestergoe uptie Lauwers, mit alle heerlichede hoge ende lage, mitten giften van kercken, mitten winde vander meulen, mitten forfeyten, brueken, boeten,&ldots;"(2)

Hoewel er niet bij staat in welke dorpen, naast Dokkum, windmolens aanwezig waren, kan gevoegelijk worden aangenomen dat "het groot en oud dorp" Holwerd daar zeker bij hoorde.

Lange tijd ontbreken er bronnen om de continuïteit van deze molen te bewijzen, pas in 1511 (Register van den Aanbreng) is er weer een vermelding waaruit de aanwezigheid van de molen kan worden opgemaakt: "Feije by de Moelen Werf, 4½ pndten buijten, 19 pondten binnen dyck, lantheer Wbbele Pibesz". Het blijft gissen of er op deze "molenwerf" een molen stond maar aannemelijk is het wel.

Zeker omdat er vier jaar later een ramp met deze molen plaatsvond. In de strijd tussen de Hertog van Gelre en de Hertog van Saksen, beiden belust op de heerschappij in Friesland, werden verschillende dorpen door dan weer het ene dan door het andere leger aangevallen. Worp van Tyaerda schrijft daarover: "Int selue jaer (1515) den 22 dach February toegen twe vaentys knechten by 800 met sommige burgers wt Leuuarden toe Holwert, ende branden dat dorp schoen wt met dye molen, want sy mede waeren gegaen anden Geldersche partye, ende haer heerschappen, naemelicken Syts Bottinga, waeren principaele mede van dye Geldersche". (2)

Omdat Syds Bottinga, ook wel Buwinga genoemd, Geldersgezind was, werd het hele dorp maar platgebrand. Syds moet hebben gewoond op Bonga, nu Stationsweg 21, waar nog laatmiddeleeuwse restanten ven een steenhuis te zien zijn. Hij had op het verkeerde paard gegokt want de Geldersen verloren hun invloed in Friesland, Karel V werd de nieuwe landheer en Syds Buwinga's goederen werden geconfisqueerd en vielen in handen van Sythie Humalda.

Het duurt daarna anderhalve eeuw voor er weer sprake is van een windmolen te Holwerd. Dat is bijzonder omdat er in tussentijd wel bronnen bewaard zijn gebleven, molens betreffende. Bijvoorbeeld de lijsten in 1638 waarop de molens geplaatst zijn die stil moesten worden gezet omdat ze te weinig belasting opleverden voor de provincie (het "gemaal" was lange tijd een belangrijke provinciale belasting) of waaruit zelfs de molenspil gehaald moest worden, met behulp van soldaten omdat zoiets natuurlijk stuitte op verzet van molenaars en boeren(3).

De bedoelde vermelding is gevonden in Proclamatieboek Westdongeradeel, Tresoar, inv. Nr. 17, bl. 115. dd 6 Martij 1677:

"Haije Lammerts en Trijntie Dircks echteluijden wonende tot Holwert b.b.c. op de coop van seeckere huijsinge, hovinge met wintmeulen staende en gelegen tot Holwert op de slootswal&ldots;"

Zij kopen de molen van Eulte Lieuwes en Trijn Elinghs te Ternaard en moeten er 2900 goudguldens voor betalen, een dikke prijs!

Omdat de proclamatieboeken van Westdongeradeel uit die tijd in een erbarmelijke staat cq onleesbaar zijn, is het onmogelijk om de volgende eigenaar op te sporen. Pas in 1711 is weer een aankoop te vinden als "Jan en Jeppe Harmens, vrijgesellen, dogh mondigh en woonagtigh tot Lusens in Oostdongeradeel" de molen kopen van Antie Lammerts, weduwe van de laatste molenaar Oeble Sipkes. Zij betalen een bedrag van 2540 ggls. De beide broers blijven waarschijnlijk in Lioessens wonen want als Jan Harmens zijn helft in datzelfde jaar voor 1170 gg aan Nittert Sijmens verkoopt, staat er nog steeds "woonagtigh te Lioessens". Door deze verkoop noemt het eerste reëelcohier in 1711 twee eigenaars/gebruikers:

"Nittert Sijmens en Jeppe Harmens, een huys met een Roghmolen daerop staende, de 6e penning huyr getauxeert op 80 cg, belasting 13-6-11 cg

Hieruijt wort aen den Heere Baron Ulbo B. van Aylva aen grondpacht betaelt de 5e penning 5-12-; belasting 1-2-6 cg."

Jeppe Harmens was een zoon van Harmen Jacobs, sinds 1680 molenaar te Lioessens. Jeppe neemt in 1721 de molen van zijn vader in Lioessens over en verkoopt zijn aandeel in de Holwerder molen aan Heert Pytters. Deze heeft ook het aandeel van Johannes Jans overgenomen (volgde in 1715 Nittert Symens op voor een bedrag van 4000 cargls) en is nu alleen eigenaar van de molen. Er is geen koopakte gevonden omdat de procla-matieboeken van Westdongeradeel ook uit die tijd dermate vergaan zijn dat zij (vrijwel) onleesbaar geworden zijn.

De oudste akte (buiten koopakten) met betrekking tot de Holwerder molen die tijdens het onderzoek is gevonden, dateert van 1729. Zoals eerder vermeld, werd er streng toegezien op de opbrengst van het gemaal van de verschillende molens in de provincie. Een van de middelen die de provincie ter beschikking stond, was het tegenhouden van een verkoping als een molen naar de mening van gedeputeerden te weinig opbracht. De grietman van Westdongeradeel stuurt daarom in januari 1729 een brief naar gedeputeerde staten met de vraag of de molen verkocht mag worden. Hij krijgt het volgende antwoord:

"Veste, Lieve, Besondere,

Uit U: Ed: missive van den 6 deser gesien hebbende, dat de Rogmoolen in den Dorpe Holwert ter koop wordt uitgeveilt ende dat deselve van vele dienst en nut is, derhalven niet wel gemist kan worden; soo hebben wij goedgevonden, dat U: Ed: gedagte verkopinge sijn voortgang sal doen hebben; waar mede wij U: Ed: bevelen in Gods Protexie;

Leeuwarden, den 7 januarij 1729, De Gedeputeerde Staten van friesland, P. Lycklama à Nijeholt, Ter ordonnantie van deselve J.W. van Wyckel."

De nieuwe eigenaar wordt Jan Sieverts, een bekende in Holwerd want hij was voordien molenaar op de pelmolen in het dorp (zie verder). In de koopakte komen een paar bijzonderheden voor:

"Jan Sijverts Pelmolenaar cum uxore egtelieden onder Holwert bbc op de koop van sekere roggemolen onder voorsz: dorpe, met de huisinge cum annexis gelijk mede de Bakkerije met desselfs gereedschappen en stallinge voor koeijen sijnde het molenhiem en hovinge groot ongeveer 1 pondm. mevr. Rengers ten oosten en suiden, de vaart ten westen en mevr. Coning ten noorden, beswaart met vier ggl jaarlijxe grondpagt aan mevr. Rengers uit te keeren des wederom inbeurende de grondp. die wegens het huiske bij de Molen staande wordt betaalt, wijders beswaart met het bebakken en bemalen der granen die op Hania Zathe worden gebruikt, &ldots;"

Dat er aan de molen tevens een bakkerij was verbonden komt wel vaker voor, echter dit is de laatste keer dat zoiets bij de Holwerder molen genoemd wordt. De bakkerij moet dus na de verkoop aan Jan Sieverts in onbruik zijn geraakt. De provincie verbood trouwens het samengaan van bakkerij en molen, al werd dit verbod ruimschoots ontdoken en komt de combinatie molenaar-bakker veel voor.

Dat de molen belast was met het bebakken en bemalen van de granen opHania is erg interessant. Ook de grondpacht moest aan de eigenaar van Hania betaald worden (ook de oudst gevonden akte van 1677 maakt er al melding van), allemaal aanwijzingen dat de molen eens op het grondgebied van Hania is gesticht. Hania State, de oude stins bevond zich aan de overzijde van de Holwerder Vaart, bestond waarschijnlijk reeds in 1453 en is na 1600 lange jaren in het bezit van de familie Van Aylva geweest. Deze familie leverde vele grietmannen aan Oost- en Westdongeradeel. Na 1800 ging de State teloor waarbij ook de "uitgestrekte bossen en plantages" die erbij hoorden, zijn verdwenen(4).

Jan Sieverts is waarschijnlijk maar één jaar molenaar geweest op zijn pas verworven molen want al in 1732 wordt zijn weduwe als eigenaar genoemd. Zij zal wel hulp van knechten hebben gehad want zij blijft op de molen tot haar zoon Sievert Jans groot genoeg is om de molen over te nemen. Zij moet in het midden van de 18e eeuw een grote bedreiging tegen het voortbestaan van de molen het hoofd bieden. In het reëelcohier van 1747 staat het heel plastisch:

"Wort versogt vermindert te hebben omdat het gemaak niet is als tevoren".

Een vermindering van de belasting van f 60,- naar f 40,- wordt toegestaan met als reden in 1748: "Nu gestelt op f 40,- omdat wel 1/3 van het gemaal heeft verloren door de pelmolen".

In 1750 is de f 40,- weer doorgehaald en vervangen door het eerdere f 60,- met als reden:

"Nu gestelt op f 60,- omdat de rogsteenen van de pelmolen zijn genomen".

Dit lijkt allemaal wat raadselachtige taal van de ambtenaar van de gemeente, die dicht bij het vuur zat en wel wist waar het allemaal om draaide, maar de oplossing van dit probleem ligt in de tweede molen van Holwerd, reeds in 1699 (inv. 19, bl. 45, WED) genoemd: "Lammert Tijsen, Pelmolenaer in Holwert" (zijn dochter verkoopt in 1711 De Hoop!) en sinds 1716 vermeld in het reëelcohier.

Eylert Yskes koopt dan een huis van Obbe Lieuwes en de ambtenaar schrijft er "in margine" bij: gortmolen. Toch staat volgens de koopakte dit huis al bekend als "sekere pelmolen met de huijsinge ca" en heeft de familie Aylva ook in dit geval bedongen dat er door de pelmolenaar kosteloos gemalen moet worden voor "het Adelijk Slot Hania en de Adelijke Huijsinge tot Ternaard". De koopprijs van 1900 cargls is behoorlijk. Een jaar later staat er "huisinghe en pelmolen". In 1723 koopt Jan Sieverts deze pelmolen, in 1731 koopt hij voor 700 cg de grote roghmolen (zie hierboven). Een van zijn opvolgers op de pelmolen, Johannes Ymes, lijkt eerst tevreden met zijn aandeel in het malen van graan van Holwerder boeren, maar in 1747 verandert dat. Zijn jaarlijkse huurwaarde in het reëlcohier van f 50,- wordt aangepast tot een bedrag van f 70,- "omdat ook rogsteenen heeft opgeleit en wel 1/3 van het gemaal na sig heeft getrocken". Dat kan kloppen want De Hoop had er nog maar 2/3 van voorheen. Heeft Johannes Ymes veel boeren aan de noordkant van het dorp, gezien de ligging van zijn molen, weten over te halen? Of heeft hij een prijzenslag ontketend?

Dat zal wel nooit bekend worden want al na een jaar houdt Johannes het voor gezien en haalt hij de roggestenen weer uit de molen. Zijn belasting keert weer terug naar het oude niveau en dit avontuur, wat hem zeker veel geld moet hebben gekost want een molen aanpassen met roggestenen en deze binnen een jaar weer verwijderen moet een hele investering zijn geweest, kost de molen ook nog de kop want òf Johannes had het geld er niet voor òf de molen heeft deze verzwaring van zijn taak niet aangekund want in 1751 verkoopt Johannes de pelmolen en zijn opvolger Hyltje Gerbens vraagt direct vermindering van belasting aan van f 50,- naar f 16,- "vermits de molen is weggebroken".

De pelmolen heeft deze slag, welke vast en zeker voor grote opschudding moet hebben gezorgd in het dorpHolwerd en dat juist in de tijd van het Pachtersoproer waarbij vele chergershuisjes bij de molens het moesten ontgelden, voorgoed verloren en nadien (1809) is er nog wel eens sprake van een "Pieter op de Pelmoolen" maar hier zal een Pieter bedoeld zijn die in het huis woonde op het perceel land waar eens de pelmolen stond. Dat perceel staat nu nog steeds bij oudere Holwerders bekend als "het pelmolenaarsland".

 


Kaartje Eekhoff, 1855
1 = molen De Hoop
2 = de nu verdwenen pelmolen, het langgerekte perceel achter het woonhuis heet nu nog steeds 't Oude Pelmolenaars-land
Ook de in de tekst genoemde Hania State is zichtbaar.

 

In de koopakte uit 1731 staat nog een interessante zin: "des wederom inbeurende de grondp. die wegens het huiske bij de Molen staande wordt betaalt". Hier wordt verwezen naar het zogenaamde chergershuisje dat op last van de provincie op het molenterrein moest staan. Het huisje werd bewoond door de cherger die toezicht moest houden op het betalen van de belasting op het gemaal door de molenaar. Omdat hij op het terrein woonde (hij mocht het molenterrein niet verlaten, zelfs niet bij windstilte) kon hij toezicht uitoefenen op het gebrachte graan en het afgevoerde meel met de daarbij behorende "cedullen" als bewijs van betaling van "het gemaal". Voor 1748 pachtte de cherger dit baantje en moest hij leven van het verschil tussen de pachtsom die hij betaalde en zijn aandeel in het gemaal. Om het onder één hoedje spelen met de molenaar voor te komen werd er naast deze opzichter bij de molen ook een "kontrarolleur" benoemd, ook wel geappoincteerde genoemd, die bijvoorbeeld de cedullen in de "bus" moest controleren (Holwerd (3) kreeg in 1806 bus 32 toegewezen). Verder moest de cherger om de twee jaar verhuizen naar een andere molen, later werd dit om de vier jaar.

Hoe de controle precies gebeurde valt op te maken uit de Tegenw. Staat van Friesland, 1787, deel 4, bl. 408:

"De blansen van de Kollekteur moeten zy naauwkeurig invorderen, en een van hen Kontraboek houden, met aantekeningen, wanneer de aan den molen gebragte graanen weder van daar zyn gehaald of gebragt. Ook moeten zy alle avonden, by Zonnen ondergang, te samen de peil der gebroken en ongebroken graanen op den molen doen, en daarna den molen wel sluiten, zo dat niemand na dien tyd, buiten hunne kennis, op den molen kan komen; terwyl zy tot geruststelling van den Molenaar aan hem laaten den sleutel van een tweede slot op denzelven. 's Morgens moeten zy den molen met den Molenaar weder openen, en op nieuws peil doen, om te zien, of alles in denzelfden staat zy, waar in zy het des avonds hadden gelaaten; wordende deze peilingen telkens te boek gebragt".

De oudste gegevens die gevonden zijn dateren uit 1729 toen Pitter Rinses en Sjoert Pitters Contraroleur en Opsigter bij de Molen te Holwerd waren (Arch. 5, nr. 2748 Tresoar). Er bestaat ook een "Boek van de Opzigters-huzingen" waaruit blijkt dat Mevrouw Rengers de grondpacht bezit en de kerkvoogdij de eigenaar is van het opzichtershuis, opmerkelijk omdat de meeste huizen eigendom waren van de provincie. Mogelijk dat de provincie in dit geval gebruik heeft gemaakt van een bestaand huis (Arch. 5, nr. 7476, Tresoar)(6)

Het speciecohier levert een hele rij opzichters en controleurs op die hieronder worden weergegeven: (met een * stond hier eerder)

Namke Andrijs, 1752 - 1753 naar Hallum 

Sjoerd Pytters charger, ingekomen van Blia 1753 -

Andrijs charger, 1754 - (het cohier van 1755 ontbreekt)

Reinder Jacobs, 1754 -

Een los briefje in het speciecohier van 1754 meldt:

"1754:

Sjoerd Pijtters opsigter Bij De Moolen tot Holwert Twe halve hooffden

Reiner Jakobs Kontrarolleur Bij De Moolen tot Holwert Twe halve hooffden"

Claes Jans, opsigter by de molen, 1756 - 1758 nae Dockum

Beernt Harmens, apoincteerde, 1756 - 1757

Jentje Scheltes, apoincteerde, 1757 - 1759 nae Ferwert

Hessel Knijff, 1757 - 1758

* Reinder Jacobs 1758 - 1763

Romke Oenses, opsigter by de molen 1759 - 1763

Teunis Gerbens, 1763 - 1766 na Doccum

Hendrik Menagie, appoincteerde, 1763 - 1767 nae Dockum

Marten Jans van Anjum, 1766 - 1767 obiit

H. Eldringa van Leeuwarden, 1767 - 1769 na Lemmer

* Romke Oenses van Dockum, opsigter by de molen, 1767 - 1770 obiit

Gosse Theunis van Holwert, 1769 - 1773 na Blija

Sjouke Lieuwes van Ternaard, 1770 - 1774 na Dockum

Hendrik Norbrens van 't Heerenveen, 1773 - 1777 vertrokken nae Ferwert

Hendrik Kunst van Dockum, 1774 - 1778 na Ferwert

* Gosse Theunis van Blija, 1777 - 1781 na Ee

Tjeerdt Scheersma van Ternaard, 1778 - 1779 na Dockum

Coenraad Schreuder van Ee, 1779 - 1783 nae Ackerwoude

(GT en CS: opsigters by de molen en soldaat onder de guarde)

Jurjen van Dussen van Anjum, geappoincteerde soldaat, 1781 - 1783

Willem Groenwolt, 1783 - 1787 na Dockum

Feije Andries van Ackerwoude, 1783 - 1784 na Drogeham

Oeble Jouwstra van Ferwert, 1784 - 1788 na Blija

Harmen Roeloffs van Dockum, 1787 - 1791 na Collum

Lammert Sanstra van Dockum, 1788 - 1791 na Dockum

Lourens Rademaker van Dockum, 1791 - 1795 na Dockum

* Oeble Joustra van Blia, 1791 - 1795 na Blia

Willem Aalslager van Ferwert, 1795 - 1799

Sjoerd Freerks van Blia, 1795 - 1799

Joost Meckel, 1799 - 1802

Tiede Wouwenaar, 1799 - 1802

Lodewijk Rucker/Reuker, 1802 -

Johannes Minkes, 1802 - 1805 (overleden)

Durk Martens, 1805 -

In 1806 wordt een reorganisatie doorgevoerd en daarbij moeten heel wat molenchergers het veld ruimen. Ook de beide beambten te Holwerd moeten verdwijnen. Aardig aan deze lange lijst (7) is dat de leeftijden ook worden vermeld: Lodewijk Ruiker is al 85 jaar en Dirk Martens 65. Zij hebben waarschijnlijk geen gouden handdruk gekregen zoals tegenwoordig gebruikelijk is!

Sievert Jans wordt in 1755 de nieuwe molenaar, hij zal er al jaren hebben gewerkt want in 1749 wordt hij als "een gemeen arbeider" bestempeld en behoort hij met zijn moeder, "Jan Syverts wed. Molenaarsche - wel gestelt - aan een huisgezin en betaalt 26 - 15 - : belasting". Zijn moeder gaat naar haar zoon in Nes, Rinse Jans, eveneens molenaar.

Sievert Jans zal een tiental jaren molenaar blijven want in 1765 staat Ids Lieuwes als zodanig te boek. Hij is getrouwd met Hinke Johannes en beiden komen van Holwerd. Van Ids Lieuwes is een hypotheekakte(8) bekend uit 1769, een aantal jaren na zijn aantreden op de molen. Hij leent daarin een bedrag van 2000 cg en het zou interessant zijn om te weten waar hij dat, toch aanzienlijke, bedrag voor gebruikt heeft. Heeft hij een nieuwe molen laten bouwen? Zijn er grote aanpassingen gedaan? Helaas staat daarover niets in de hypotheekakte, slechts "reeds voor ondertekening dezes uijtgekeert" en daarom blijft het gissen. Het is wel vreemd dat de akte pas in 1774 wordt geregistreerd wat kan wijzen op problemen met de rentebetaling.

 

Bronnen:

1. Eelco Verwijs, De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen, bl. 535

2. Worp Tyaerda van Rinsumageest, Vijfde boek der Kronijken van Friesland, bl. 139 (dank aan D. Bunskoeke die mij hierop attent maakte)

3. De Vrije Fries 1955, deel 42, bldz. 93 e.v. S.J. van der Molen: Het gemaal in Friesland, een bijdrage tot de Friese molengeschiedenis.

4. Noordelijk Oostergo, De Dongeradelen, uit de serie "Monumenten van Geschiedenis en Kunst", Herma M. van den Berg, 1983. Bl. 105,106.

5. BRF nummer 2614. Andere busnummers: De stad Dokkum 26,27,28, Anjum 29, Ee 30, Lioessens 31, Ternaard 33, Nes 34, Kollum 35.

6. Zie voor verdere gegeven over het gemaal "De molen van Lioessens, deel 2", R. Tolsma en D. Douma, De Sneuper 38, september 1996

7. Tresoar, BRF. Arch. 8, nr. 2592

8. Nedergerechten WED 168, bl. 418

 

 

 

 

MOLEN "DE HOOP" TE HOLWERD, deel 2

 

R. Tolsma (reinder.tolsma@home.nl)

 

Na de dood van Ids Lieuwes neemt Hinke Johannes, zijn weduwe, de molen over in 1784. Zij zal daarbij steun gehad hebben van knechten want de kinderen waren nog te jong, de latere molenaar Lieuwe Idses bij-voorbeeld is pas geboren in 1780. Deze Lieuwe neemt in 1811 de familienaam Van der Meulen aan al is hij dan al geen molenaar van De Hoop meer omdat hij die in 1810 heeft doorverkocht aan Luitjen Jans die eveneens als familienaam voor Van der Meulen gekozen heeft!

Luitjen Jans van der Meulen moet het aanzienlijke bedrag van f 9500,- voor de molen betalen. Dat lijkt toch een aanwijzing dat zijn voorganger Ids Lieuwes rond 1770 de molen òf helemaal heeft vernieuwd òf rigoureus verbouwd. Aardig is dat nog altijd de
f 4,- jaarlijkse grondpacht wordt genoemd, nu te betalen aan Dirk Stelwagen.

Ook in de tijd van Luitjen Jans is "het gemaal" een belangrijke belasting voor de provincie en van de hernieuwde vaststelling in 1816 zijn een aantal gegevens bewaard gebleven (9) en een prachtige akte. In deze akte wordt verteld dat Luitjens Jans is uitgenodigd op het gemeentehuis in Ternaard om daar de nieuwe overeenkomst te tekenen(10):

"Op heden den tweden Januarij 1817 kompareerde voor ons Willem Idsardij, assessor van Westdongeradeel, bij absentie van den Heere Grietman deszelfs functien waarnemende geadsisteerd met den Secretaris van voorz. Grietenij Luitjen van der Meulen, koornmolenaar te Holwert, ingevolgen de aanzegging ten dien einde aan hem gedaan

En verklaarde de komparant genoegen te nemen in de door ons aan hem gedanen voorslag betrekkelijk den aanslag waarop zijn molen in de provintialen belasting op het Gemaal bij resolutie van de Ed. Gr. Achtb. Heeren Gedeputeerde Staten van den 24 december 1816 nr 1, is aangeslagen, na aftrek van een tiende; te weten

voor de Tarwe de som van 861 guldens en

voor de Rogge 1220 guldens, alzoo tezamen voor 2081guldens,

en diensvolgens aantenemen voor het einde van iedere maand daarvan een twaalfde gedeelte aan den grietenij ontvanger te voldoen alles naar inhoud van het Reglement deswege door hun Ed.Gr.Achtb. Heeren Gedeputeerde Staten dezer Provintie gearresteerd den 2den december laatstleden; terwijl de komparant verder zich verbond tot securiteit van de betaling der vastgestelde zom om op de eerste requisitie van Grietman en assessoren

genoegzame borg te stellen of zo veel vaste en onbezwaarde goederen te verbinden als vereischt mogt worden.

Gedaan op de Grietenye Rechtkamer te Ternaard onder drie eensluidende op dato voorschreven, hebbende de komparant deeze met ons na voorlezing getekend.

wg L. v.d. Meulen, W. I. Idsardi en Klaassesz(?) secretaris

 

Na de dood van Luitjen Jans van der Meulen op 3 nov. 1826 (57 jaar oud) is er alweer een weduwe die de scepter zwaait op molen De Hoop te Holwerd. In 1829 wordt in het bevolkingsregister Taeke Louwes Liezenberg genoemd als molenaarsknecht en omdat zoon Jan Luitjens dan al 19 jaar is, zal ook hij op de molen gewerkt hebben.

Andere zoon Rintje Jans is kastelein en bakker te Ferwerd maar hij heeft een wankele financiële positie (hij leent in zes jaar tijd een bedrag van meer dan f 6600,-). De toestand wordt zo penibel dat er in 1831 een rechtzaak tegen hem wordt aangespannen. Rintje is genoodzaakt om zijn aandeel in de molen te verkopen aan zijn moeder en ook van zijn vaderlijk erfdeel moet hij afstand doen om aan geld te komen. Het helpt hem niet erg want in 1837 wordt hij onderhouden door de armvoogden in Gorredijk.

Zoon Jan Luitjens is ook niet van plan om molenaar te worden op De Hoop want ook hij verkoopt zijn aandeel in de molen en wel aan zwager Anne Glazener, koopvaardijkapitein te Rotterdam.

Op deze manier wordt Nieske Kadijk, weduwe Van der Meulen, gedwongen om in 1839 te molen te koop aan te bieden maar alvorens zij daartoe over kan gaan, moet eerst de nalatenschap van haar man geregeld worden.

Uit het 18 pagina's dikke dossier (11) komen een aantal zaken naar voren:

*Lijfdracht van Luitjen Jans is al onder de kinderen verdeeld.

*Genoemde vertrekken in het molenhuis:

noordelijke kamer, voorhuis, oostelijke kamer, zolder, kelder, portaaltje (met 9 stoven), stal (waarin 1 koe),achterhuis (2 varkens en 1 melkschaap)

*De molen wordt geschat op f 10.000,-, losse goederen daarbij f 173,25

Er ligt een schuld op dit alles twv f 1326,75

*Er is ook een boek aanwezig met daarin allerlei posten maalloon: namen (boeren?) uit: Waaxens, Brantgum, Holwerd, Raard, Dokkum, Betterwird, Rinsumageest, Ee, het armenhuis te Holwerd en Gerrit Willems f 75,- maar insolvent.

Jan Helder wegens geleverd hout f 239,75

Rinse Huizinga wegens timmerloon aan de molen f 136,80

Johannes Pheiffer idem f 30,38

Tabe Smedema wegens ijzerwaren f 20,50

Benedictus Visser idem f 10,70 

*Was Luitjen Jans lang ziek?:

Wopke Feenstra - medicijnen en visites f 40,40

Docter Verschuur van Groningen f 40,-

Docter van der Velde van Dockum f 6,-

Docter Oosterloo te Holwerd f 20,20

* "Voorts wordt nog aangemerkt dat er eene bekeuring bestaat wegens het fabriek van de Commissen der administratie waarvan de uitslag nog onbekend is (mogelijk wel f 1320,-)

* Totaal generaal: voordelig saldo f 13.486,-, nadelig saldo f 6.145,-

 

Pas dan verschijnt er een advertentie in de Leeuwarder Courant:

 

Koren-, Pel- en Moutmolen te Holwerd.

Men presenteert publijk, tegen genot van f 150,- Strijkgeld, ten overstaan van den Notaris IJpma te Holwerd, als daartoe gecommiteerd, aan den meestbiedende te verkopen:

Een florissante, welbeklante en gerenommeerde Koren-, Pel- en Moutmolen, genaamd de Hoop, op stelling van 6 ½ el, met 4 paar Steenen en ongeveer 24 el vlugt; benevens de aanbelendende Huizinge met Stalling en Erve cum annexis; alles ruim en in de laatste jaren, vooral de gaande Werken, veel verbeterd; en alzoo thans in besten staat, bijzonder geschikt en aangenaam gelegen aan de vaart ten Zuiden van- en aan het dorp Holwerd, toebehoorende aan de Weduwe en Erven L.J. van der Meulen; den 12 Mei 1839 of vroeger vrij te aanvaarden.

Wie gading maken, komen op Dingsdag den 22 Januarij 1839, des avonds ten 6 ure, in de Herberg de Zwaan te Holwerd; zijnde inmiddels de Conditien te vernemen bij genoemden Notaris en den Heer J.J. Heep, Griffier van het Kanton Geregt te Holwerd, gelijk ook aan den Molen bij de Weduwe v.d. Meulen voormeld.

 

Het is de eerste keer dat de molen uitvoerig wordt beschreven en dan valt meteen op dat deze beschrijving niet past bij de molen die er vandaag de dag staat. Uitgaande van een el van 69 cm zou de stelling toen 4 ½ meter hoog geweest zijn, deze is nu 6.30 meter. De lengte van de vlucht (= één roede of, zoals de leek zegt "twee wieken") staat vermeld als 24 el = 16.5 meter terwijl de huidige vlucht 23.65 meter bedraagt.

Van verschillende kanten werd hierop gereageerd. Inderdaad is de el vanouds 69 cm lang. Echter in de Franse Tijd werden alle maten en gewichten op Franse leest geschoeid en bij Besluit van 29 maart 1817 werd in het Staatsblad nog eens vastgesteld dat:

"Art. 1. Overeenkomstig het voorgeschrevene bij de wet van den 21sten Augustus 1816, den naam van elle (aune) voor de eenheid der lengtemaat, bij art. 6 derzelve wet verordend en bekend onder den systematischen naam van metre.

Art. 2. Voor onderdeelen van die lengtemaat of elle, de namen van:
Palm voor het tiende gedeelte (decimêtre)
Duim voor het honderdste gedeelte (centimêtre)
Streep voor het duizendste (millimêtre)
Art. 3. Voor veelvouden der elle:
Roede voor het tienvoud (décamêtre)
Mijl voor het duizendvoud (kilomêtre)"

Koper wordt voor f 9506,- (bij opgevolgde oproepingen en terugtasting) en niet voor de f 10.000,- die op de provisionele verkoop werd geboden, Gerben Willems Hoekstra, gardenier te Holwerd, en zijn vrouw Fokelina Cornelis Posthumus (12).

Zo staat in het Bevolkingsregister van 1839 de familie Hoekstra als bewoner van het molenaarshuis te boek:

Gerben Willems Hoekstra, 31, *Zwaagwesteinde, Moolenaar

Fokelina Kornelis Posthuma, 27, * Ferwerd

Willem Gerbens Hoekstra, 1, * Holwerd

Kornelis Gerbens Hoekstra, 1, * Holwerd

Fokelina Gerbens Hoekstra, 2, Holwerd

Willem Haebles Stuivenga, 27, * Leeuwarden, dienstknecht

Renske Hilbrands van Gelder, 17, *Holwerd, dienstmeid

In de jaren die volgen zijn er steeds knechten aan de molen verbonden, ze lijken niet echt te "wortelen" want in 1859 bijvoorbeeld worden er liefst vier genoemd:

Gosse Keimpes Groenwold, 1859 naar Betterwird

Pieter Sijtsma, 1859 van Idaarderadiel

Jan Schuilenburg, 1859

Gauke Kuiken, 1859

De oudste zonen (een tweeling) Willem en Kornelis voelen niet voor het molenaarsvak en gaan naar zee, zoon Auke wordt boer te Surhuizum, zoon Petrus verkoopt zijn moederlijk deel aan zijn vader, dus blijft alleen zoon Rein Hoekstra als mogelijk opvolger in Holwerd achter, hij wordt echter "koopman" genoemd.

De jaren 70 van de 19e eeuw zijn erg bewogen voor molenaar Gerben Hoekstra. Op 26 maart 1873 komt zijn vrouw te overlijden, op 29 okt. 1873 zijn dochter Trijntje en in datzelfde jaar 1873 zijn er grote werkzaamheden aan de molen, nadat al in 1849 het molenaarshuis was afgebroken en opnieuw opgebouwd, uitgebreid met een pakhuis. Wat er in 1873 allemaal precies is gebeurd, is niet gevonden maar het feit dat de bovenas van de molen van gietijzer is waarop de inscriptie "Fa. L. Enthoven en Co. Nr. 597. 's Hage 1873" staat, plus het feit dat de hoogte van de stelling en de lengte van de vlucht niet kloppen met bovengenoemde advertentie uit 1839, lijken te wijzen op een grote nieuw- en verbouw in 1873. Daar komt nog bovenop dat de onderbouw en de bovenbouw van de molen niet bij elkaar passen. De stijlen van het bovenachtkant staan binnen die van het onderachtkant. Het lijkt erop dat de molen een hele nieuwe bovenbouw heeft gekregen van een bestaande molen: De Hoop zou dan opgebouwd kunnen zijn uit twee verschillende molens!(13)

Molenaar Gerben Willem Hoekstra komt op 5 juli 1892 te overlijden (hij is dan 53 jaar molenaar geweest, al zal hij op z'n 84ste wel niet veel meer in de molen werkzaam zijn geweest) en dan koopt Rein Gerbens Hoekstra de molen op een openbare veiling van zijn broers en zusters. De waarde van de molen is gedaald naar f 4380,-, een verwijzing naar de moeilijke tijden in de landbouw aan het einde van de 19e eeuw. Toch heeft Gerben Hoekstra goed "geboerd" want een bedrag aan contanten in huis van f 6300,- en

vorderingen twv f 6793,- zijn niet mis. De totale waarde van zijn erfenis bedraagt f 32.567,92, een groot bedrag voor die tijd.

Rein Gerbens Hoekstra is vrijgezel en samen met zijn eveneens ongetrouwde zuster vormt hij nu een huishouding in het molenaarshuis. Dit duurt tot 1909, Rein is dan 65 jaar en woont met zijn zuster Hiltje nog een aantal jaren in Holwerd voor ze in 1914 naar Huizum vertrekken, renteniersplaats bij uitstek.

De molen is intussen voor f 4700,- overgenomen door Hendrikus Hoeksema, molenaarsknecht te Spijk in Groningen. Rein Hoekstra heeft een aantal bijzondere voorwaarden bedongen:

"De kooper moet voor 500 gulden overnemen zes molenzeilen, takels, blokken, ongeveer 500 zakken, graanmaten, gewichten, evenaar, schalen, bilhamers, steenbeitels, domme kracht en sleephout, alles in den molen aanwezig
De verkooper heeft ter uitoefening van zijn bedrijf, voor een knecht gehuurd een huis te Holwerd tot 12-5-1910 voor 42 gulden per jaar. De kooper is verplicht de door den verkooper aangegane huurovereenkomst vanaf 12-5-1909 na te leven en op de bepaalde tijdstippen de huur vanaf 12-5-1909 tot 12-5-1910 aan den daarop rechthebbende te voldoen; eveneens is de kooper verplicht vanaf 12-5-1909 tot 12-5-1910 in zijn dienst te houden de twee molenaarsknechten Jitse Ploeg en Douwe Ploeg, onderscheidenlijk voor 7,50 per week plus vrije woning en 135 gulden per jaar plus kost en inwoning, ten minste voor het geval genoemde molenaarsknechten bij den kooper in dienstbetrekking wenschen te blijven"

Toch aardig, zo'n "sociaal plan" in 1909!

Molen De Hoop

Molen de Hoop met voor het huis de familie Hoeksema + 1915

Hoeksema 1944

 Hoeksema aug. 1944 (coll. P. Timmermans)

 

Hendrikus Hoeksema zal de laatste commerciële molenaar op De Hoop zijn en volgens de verhalen heeft hij het financieel goed gedaan. Toch was het een moeilijke tijd omdat de snelle opkomst van de meelfabrieken grote afbreuk deed aan het bestaansrecht van de aloude Koren-, Pel - en Moutmolens. De pellerij liep daarnaast vooral na de oorlog terug omdat de mensen steeds minder karnemelkse pap gingen gebruiken.

Zoon Hendrik Hoeksema probeert het na het terugtreden van Hendrik senior in 1948 nog een poosje met zijn zwager Pier Feddema (gehuwd met Anna Hoeksema) maar in 1954 houden ook zij het voor gezien. De molen wordt eigendom van de firma L.O. Hiddema die de molen buiten werking stelt, het grootste deel van de maal- en pelinstallaties sloopt en de vrijgekomen ruimte gebruikt als opslagplaats, voorwaar een roemloos einde van De Hoop want het bouwwerk raakt daarna behoorlijk in verval. En dat terwijl de gemeente bij een inventarisatie van molens in Friesland door de Fryske Akademy in 1943 en in 1946 nog van De Hoop zegt dat de molen iedere dag draait en in goede staat is en op de vraag:

 "Stellen B&W in het algemeen prijs op het behoud van den molen?" volmondig met "zeer zeker!"antwoorden. (14)

De gemeente laat het er daarom niet bij zitten en al in december 1956 is er een eerste gesprek met de heer O.L. Hiddema. Diens vraagprijs van minstens f 10.000,- is de gemeente in eerste instantie teveel, maar in 1962 volgt er weer een gesprek. Deze keer is de gemeente vast van plan om tot koop van de molen over te gaan. Er wordt contact opgenomen met "De Hollandsche Molen", molenbouwer Jellema te Birdaard maakt een kostenraming om de molen enigszins op te knappen, groot f 10.000,- (alleen aan houtwerk) en er worden plannen gesmeed om een stichting in het leven te roepen die in de toekomst voor de molen gaat zorgen.

De Firma Hiddema gaat een loods bouwen in Dokkum en heeft daardoor de molen niet echt meer nodig voor opslag. Zo komt het dat de gemeente Westdongeradeel in juli 1963 de molen overneemt voor f 5000,-.

De eerste plannen tot restauratie lopen stuk maar tussen 1967 en 1971 wordt vooral de buitenkant van de molen aangepakt voor een f 70.000,-. Tussen 1977 en 1982 wordt de molen o.a. voorzien van een volledig nieuw maal- en pelwerk waardoor de molen weer in volle glorie kan draaien (kosten f 270.000,-) Op 30 juni 1982 wordt de molen officieel weer in werking gesteld en in gebruik genomen door de vrijwillige molenaar Gelt van der Berg en zijn leerlingen Bart van der Sluis, Frits Hoogteyling en Evert Dam. Sindsdien zijn er steeds vrijwillige molenaars op De Hoop werkzaam geweest. Tevens is aan de molen een opleiding tot vrijwillig molenaar verbonden.(15)

In 1994 kreeg de molen nog nieuwe roeden en een nieuwe windpeluw en werd de molen van een nieuwe rietkap voorzien, in 2000 kwam er nog een nieuwe staart. Zo kan molen De Hoop weer even vooruit al zal voort-durend onderhoud noodzakelijk zijn om dit industriële monument in goede conditie te houden.

 

Lijst van eigenaren en molenaars:

? Eulte Lieuwes

1677 Haije Lammerts

? Oeble Sipkes en vrouw Antie Lammerts, d.v. Lammert Tijsen!

1711 Jan en Jeppe Harmens

1711 Nittert Symens en Jeppe Harmens

1715 Johannes Jans en Jeppe Harmens

1721 Heert Pytters

1728 Harke Sipkes

1731 Jan Sieverts

1732 Jan Sieverts weduwe = Hiske Jans

1755 Sievert Jans

1765 Ids Lieuwes

1784 Ids Lieuwes weduwe = Hinke Johannes

? Lieuwe Idses (van der Meulen)

1810 Luitjen Jans van der Meulen

1826 Nieske Rentjes Kadijk, wed. L.J. van der Meulen

1839 Gerben Willems Hoekstra

1892 Rein Gerbens Hoekstra

1909 Hendericus Hoeksema

1948 Hendrik Hoeksema

(Molenaars: 1948 Hendrikus Hoeksema jr en zwager Pier Feddema)

1955Firma L. O. Hiddema eigenaar

1963Gemeente Westdongeradeel

Vrijwillige molenaars:

1967-1971 restauratie 1973: Van Tilburg

1977-1982 restauratie 1982: Gelt van der Berg

1986: Gerard Gremmé

1990: leeg

1993-1994 restauratie 

1994: Sije Hoekstra

 

Naschrift

Zijn nu alle raadselen rond De Hoop opgelost? Helaas niet. Een exact stichtingsjaar van de huidige molen is niet gevonden, hoogstens een zeer waarschijnlijke, 1873, waarbij van twee molens een nieuwe is gemaakt. Ook het probleem dat de molen wel op de Schotanuskaart van 1664 is afgebeeld maar niet op de, betrouwbaarder geachte, Schotanus/Halma-kaart van 1718, is niet opgelost. Meer dan "de molen moet vergeten zijn want uit archiefstukken blijkt dat hij er stond" is er niet van te zeggen.

En waar is het schoorsteenstuk gebleven waarvan H. Hoeksema, Molenaar te Holwerd, schrijft in de NDC van 2-3-1954:

"Het stelt deze molen en het daarbij behorende huis voor zoals ze er omstreeks 1918 uitzagen, de onderbouw van de molen nog vierkant, het huis met het antieke dak-geveltje. De molenaar, H. Hoeksema senior, is bezig zakken te kruien naar een voor de wal liggend snik. Hij draagt nog de in die tijd gebruikelijke witte molenaarskleding. Ook dit stuk werd geschilderd als schoorsteenstuk en heeft tot 1941 als zodanig dienst gedaan. (&ldots;) Het is ondertekend met de letters N.D. (Nanne Dijkman).

Een ieder die er belang in stelt, kome en kijke".

 

Graag, maar waar??

Schoorsteenstuk

Aan het eind van de beschrijving van de geschiedenis van de molen te Holwerd vraagt de schrijver zich af waar het schoorsteenstuk gebleven is, waarover H.Hoeksema in de NDC van 2-3-1954 het heeft.

Dat heeft A.Feddema-Hoeksema na de verkoop van de molen in 1954 meegenomen. Het hing bij haar in de voorkamer van het huis aan de Van Bongastraat en later in het appartement in “Nijhof”. Ze heeft het na haar overlijden op 29 oktober 2000 aan mij nagelaten. Ik ben Jan van Mourik, de oudste kleinzoon van Rieks (Hendericus) Hoeksema, zoon van Diena Hoeksema en Alexander van Mourik. Ik ben in 1948 in het huis bij de molen geboren.  Voor zover mij bekend is stamt het niet uit 1918, maar uit 1914. Geschilderd door Nammen Dijkman.

Vr.groet,  Jan van Mourik.

Schilderij van De Hoop in de jaren dertig van de vorige eeuw, geschilderd door Carel Verburg.

 

 

Bronnen:

9. Prov. Best, Arch. (arch. 11) inv. 646, dd 24 dec. 1816 nummer 1.

Voor de geschiedenis van de molens in de omgeving van Dokkum is deze akte van groot belang omdat er enig inzicht wordt gegeven in de opbrengst van de molens:

Plaats:

Aantallen:

 belast.

na aftrek 1/10 of aanslag der molenaars

Holwerd

319 zakken tarwe

957

861

1412 zakken rogge

1356

1220

Ternaard

200zakken tarwe

600

540

796 zakken rogge

764

688

Nes

269 zakken tarwe

807

726

1597 zakken rogge

1533

1380

Ee

151 zakken tarwe

453

408

963 zakken rogge

924

832

Lioessens

51 zakken tarwe

153

138

837 zakken rogge

784

706

Anjum

105 zakken tarwe

315

284

784 zakken rogge

753

678

Dokkum (bij de 3 pijpen, Hantumerpoort, tusschen de Woudpoort) helaas alleen totalen

2707 zakken tarwe

8121

7309

10289 zakken rogge

9877

8890

  Over de prijzen die de boeren voor het malen moesten betalen wordt in BRF 1041 melding gemaakt. De molens is Westdongeradeel vragen voor:

Ieder lopen weit 6 strs

Ieder lopen rogge, eens gemalen 2 strs 8penn.

Driemaal gemaalen 7 strs

Stookgoed per lopen 4 strs 8 penn.

Beestevoeder per lopen 8 strs

10. Akte van aanneminge, Ingek. St. WED, 1817

11. Notaris Ypma te Holwerd, 29-10-1838, akte 51

12. Notaris Ypma te Holwerd, akte 1 van 1839. Aardig is dat in deze akte nog steeds wordt genoemd "bezwaard met het onderhoud van een hout en steiger en belast met eene jaarlijkse grondpacht, vroeger groot f 5,60 doch thans f 4,48 aan Marten Martens, leeraar te Holwerd".

13. Herman v.d. Berg (zie noot 2) kiest voor een stichtingsjaar in 1873, maar dat is aantoonbaar fout. De huidige molenaar Sije Hoekstra heeft mij de hier beschreven werkwijze aan de hand gedaan (waarvoor dank). Het enige bewijs (naast de inscriptie) dat er in 1873 echt veel is veranderd, komt uit de kadastrale legger. De belasting van de molen ging door de grond-belastingwijziging in 1873 naar beneden (van bebouwd f 260,- naar bebouwd f 120,-) waar alle andere percelen juist meer belasting moesten betalen! Dit wijst op een tijdelijke vrijstelling, dus ver- en/of nieuwbouw!

14. Registratuur WED nr. 87

15. Na de eerste restauratie nam de gemeente Westdongeradeel in het najaar van 1973 het initiatief tot het opnieuw in gebruik nemen van De Hoop door (vrijwillige) molenaars. Er werd een cursus georganiseerd met een 16-tal deelnemers en als instructeur Van Tilburg. De deelnemers kwamen vrijwel allen uit de omgeving van Holwerd: P.Algra, Holwerd, C. de Boer, Holwerd, H. Bosgra, Holwerd, W. van Bussel, Hogebeintum, S.J. de Jong, Leeuwarden, M. Joustra, Holwerd, G. Mast, Wierum, J. Meulenaar, Ternaard, S.B. Postma, Hallum, A.J. van Reede, Hogebeintum, S. Reitsma, Waaxens, H.J. Rouwe, Ferwerd, T. Schram, Brantgum, P. Soepboer, Holwerd, P.M. Vellinga, Marrum, D. de Vries, Holwerd.

 


 

 

VAN KOREN- EN PELMOLENS

IN

NOORDOOST FRIESLAND

 

W.T. Keune

Streekarchivaris van Noordoost Friesland

 

De molen van Holwerd werd in 1713 bemaald door de gortmaker Nuttert Sijmons, die het bedrijf in 1718 overdeed aan Heert Pijters. Deze ruimde tien jaar later het veld en maakte plaats voor Harke Sipkes, die reeds vijf jaar later van het toneel verdween.In 1733 nam Jan Siewerts de molen over en bemaalde hem tot zijn dood in 1752. Zijn weduwe nam de zaken waar voor hun toen nog minderjarige zoon Sijvert Jans, die in 1754 zijn vader opvolgde. Holwerd heeft niet lang plezier van hem gehad als molenaar, want in 1764 deed hij zijn bezit over aan Ids Lieuwes. Met hem kwam er wat rust in het frequent wisselen van eigenaar, want Ids heeft in ieder geval tot ca 1806 in Holwerd het beroep van molenaar uitgeoefend.

In het midden van de 18e eeuw heeft de molen enige veranderingen ondergaan. In het reëelkohier van 1747 lezen wij, dat voor dat jaar de belasting was verlaagd "omdat het gemaal niet was als tevoren."

Wat er precies aan de hand is geweest blijft voor ons verborgen, maar wel weten wij, dat het bedrijf in de loop van het volgend jaar op 2/3 van zijn capaciteit werkte. Vermoedelijk zijn toen de rogstenen buiten gebruik gesteld en werkte de molen nog slechts alleen als pelmolen. In 1750 schijnt die omschakeling een feit te zijn geworden, want de kohieren van dat jaar bevatten de opmerking: "De rogstenen zijn uit de pelmolen genomen."

In het begin van de 19e eeuw treffen wij Luitje Jans van der Meulen aan als molenaar van Holwerd. Hij overleed in 1826 en zijn weduwe Nieske Kadijk uit Pietersburen zette de zaak voort tot haar dood in 1841. De molen kwam aan Gerben Willems Hoekstra uit Zwaagwesteinde, die in 1892 werd opgevolgd door zijn ongehuwde gebleven zoon Rein Hoekstra. Deze deed in 1909 de molen over aan de uit Bierum afkomstige molenaar Henricus Hoeksema.

Molen De Hoop na de restauratie van 1970

Rein Hoekstra, die bij zijn eveneens ongehuwde zuster inwoonde bleef nog tot 1914 in Holwerd wonen, toen zij zich beiden vestigden in Huizum om daar hun oude dag door te brengen. Hoeksema trok zich in 1948 op 70-jarige leeftijd uit het bedrijf terug en liet de zaken over aan zijn zoon en naamgenoot, die de molen bemaalde met zijn zwager Pier Feddema, die met Anna Hoeksema was getrouwd. In de veertiger jaren gingen de zaken slecht door de snelle opkomst van meelfabrieken, terwijl de pellerij vooral na 1945 sterk achteruitging door het fors teruglopen van het gebruik van karnemelkse pap, waarvan gort een belangrijk bestanddeel vormde. Hoeksema en Feddema zagen dan op den duur ook geen kans meer om hun bedrijf in stand te houden en in 1954 verkochten zij de molen met een bezwaard hart aan de firma L.O. Hiddema in Holwerd, die hem als opslagplaats gebruikte. Het bouwwerk raakte steeds verder in verval en het gemeentebestuur van Westdongeradeel nam op 25 juni 1963 het gelukkig besluit om voor ƒ 5000,- de molen van Hiddema te kopen, waardoor het dorp Holwerd zijn molen, die door de eeuwen heen het dorpsbeeld had gesierd bleef behouden. Nu, in augustus 1970, nadert de algehele restauratie zijn voltooiing en is het aantal werkende molens in Noordoost Friesland binnenkort weer met één vermeerderd.

Latere restauraties: In 1980 werd een nieuw binnenwerk aangebracht (zie constructie/inrichting) en in 1994 nieuwe roeden en een nieuwe windpeluw en nieuw riet op de kap en in 2000 een nieuwe staart.
2009 nieuw riet op de romp van de molen en een nieuwe korte spruit met korte schoren geplaatst.

In 1994 heeft de Gemeente Dongeradeel de molen overgedragen aan de Stichting Monumentenbehoud Dongerdeel.


NOORDELIJK OOSTERGO

DE DONGERADELEN

Door Herma M. van den Berg

STAATSUITGEVERIJ, 'S-GRAVENHAGE 1983

De Hoop

Aan de molenweg ten zuiden van het dorp, staat een achtkante stellingmolen, gebouwd als koren- en pelmolen. Sinds 1963 is de molen eigendom van de gemeente.

Geschiedenis
Een molen te Holwerd wordt reeds genoemd in de rekeningen van Albrecht van Beieren, omstreeks 1400 (Keune) in 1511 wordt de molen ook vermeld (R.V.A. 1, 116 "bij de Moelen Werf); in de 18e eeuw en in de reëelkohieren. De kaart van Eekhof geeft te Holwerd echter geen molen aan. Waarschijnlijk dateert de molen dus uit de 2e helft van de 19e eeuw en is het jaartal 1873 op de bovenas het bouwjaar van de hele molen*. De molen is in de jaren 1966-71 gerestaureerd. Toen werden de eternietplaten, waarmee de voet bekleed was, vervangen door gepotdekselde delen; ook werden ondermeer de gehele staart en een groot deel van de kap vernieuwd en werd het wieksysteem gewijzigd en een Engels kruiwerk aangebracht. In 1977 vonden opnieuw herstellingen plaats en sinds 1980 werkt men aan het wederom aanbrengen van het pelwerk.

Het staande werk
De molen is gefundeerd op stiepen; in plaats van radiaal geplaatst, wat normaal is, lopen zij evenwijdig aan de middellijnen van het achtkant. Dit kwam wel voor bij de oudere Noordhollandse achtkant poldermolens (men verkreeg hierdoor meer ruimte tussen de penanten voor de waterlopen), maar niet in het noorden. Zowel de voet als het bovenachtkant is van grenenhout en gebouwd volgens het algemene systeem. De voet van twee bintlagen is gedekt met gepotdekselde delen, het bovenachtkant van drie bintlagen met riet. In de velden van het bovenachtkant bevinden zich van boven naar beneden éen dubbel en twee enkele kruisen; de enkele zijn zwaarder van afmeting. Ter hoogte van de steenzolder beninden zich in de stijlen kepen, die er op kunnen wijzen dat ook hier dubble kruisen gezeten hebben. Het verhaal gaat dat de molen over enkele kilometers verplaatst is; bij die gelegenheid zouden de kruisen gewijzigd kunnen zijn. De voet is verstijfd met dubbele paren kruisen, lopend over de gehele hoogte. De basis van de kap en de spanten zijn van eiken. Lange spruit als middelbalk, tevens gebruikt als ijzerbalk. Kruisysteem, z.g. Engels kruiwerk, staart met kruilier.

Het gaande werk
Wieksysteem: buitenroe, voorheen oudhollands met stroomlijnneus en remklep, binnenroe, idem met zelfzwichting. Thans zijn beide uitgevoerd volgens het oudhollandse systeem. Roeden van staal, vlucht 23,10 m. Doorboorde gietijzeren bovenas, gegoten in 1873 door de firma L.I. Enthoven & Co. te 's-Gravenhage; aan het eind verzwaard met een betonnen manchet, dit tegen het oplichten van de as. Bovenwiel met vlaamse vang.
Van het gaande werk ontbreken met uitzondering van één incompleet koppel stenen op de stellingzolder, de bovenbonkelaar en de koningsspil, het spoorwiel, de rondsels, de steenspillen en de steenkoppels. De molen is tevens als pelmolen in gebruik geweest; sporen van dit werk zijn in het achtkant terug te vinden. De pelstenen, even als een koppel maalstenen lagen op de eerste zolder in de voet. Volgens een kohier uit 1750 zijn de "rogstenen" toen uit de molen verwijderd.

* Herma van der Berg baseert het bouwjaar van de molen op het jaartal op de gietijzeren bovenas.
Dit lijkt een onjuiste conclusie, omdat aan de bovenas te zien is dat die sterk is ingekort. Dit duidt er op dat de bovenas uit een andere (grotere) molen afkomstig is.
Bovendien passen de onderbouw en de bovenbouw van de molen niet bijelkaar. De stijlen van het bovenachtkant staan binnen die van het onderachtkant. Misschien dat de molen hier is opgebouwd met onderdelen van twee verschillende molens. De onderbouw zou van een andere molen afkomstig kunnen zijn dan de bovenbouw.
Het bouwjaar en de afkomst van de molen blijven voorlopig nog een raadsel.

(S.H.)