HET DORP OUD-ZUILEN DOOR DE EEUWEN HEEN



Voorwoord
De oorsprong van Oud-Zuilen
Het Slot Zuylen en zijn bewoners
De Nederlands Hervormde kerk van Oud-Zuilen
De bestuurlijke organisatie van het gerecht Zuilen
De inwoners en hun werk


Voorwoord

Het dorp oud-Zuilen vlakbij de stad Utrecht is, voorzover nu bekend, de bakermat van mijn familie, de familie (de) Koning. De stamvader van de familie, Cornelis Jacobsz. de Coninck, heeft in de 17de eeuw het grootste deel van zijn leven in dit dorpje aan de Vecht gewoond, en een groot deel van de latere generaties van de familie is nadien in het dorpje blijven wonen. Tot in de 20ste eeuw waren enkele leden van de familie werkzaam in de kleine steenfabriekjes van Oud-Zuilen.

In samenhang met het stamboomonderzoek heb ik geprobeerd gegevens over het verleden van het dorp Oud-Zuilen te achterhalen. In feite is er echter weinig literatuur over het dorpje beschikbaar. Het meeste bestaat uit losse artikelen in tijdschriften, maar deze hebben vrijwel altijd betrekking op het slot Zuilen en zijn adelijke bewoners. Over het, naar het kasteel genoemde, dorp en zijn inwoners in de afgelopen eeuwen is veel minder geschreven. Het weinige archiefmateriaal welk van het gerecht Zuylen en Swesereng bewaard is gebleven is hier mogelijk debet aan. Daarentegen beslaat het aan het rijksarchief in Utrecht afgestane archief van slot Zuilen vele tientallen meters kastruimte. Binnen dat archief zijn veel stukken van voor 1800, en zelfs oorkonden van rond 1300, bewaard gebleven. In dit archief zijn ook veel gegevens over inwoners van het dorp Zuilen in vroeger eeuwen te vinden. Wegens gebrek aan voldoende literatuur was ik dan ook genoodzaakt de geschiedenis van het dorp, voor een deel, uit de oorspronkelijke archiefstukken gewaar te worden. Dit was gelukkig betrekkelijk eenvoudig omdat bij het onderzoek naar vroegere familieleden in veel geraadpleegde archivalia ook gebeurtenissen van meer algemene aard aan het daglicht kwamen.



Het gerecht Oud-Zuilen op een plattegrond uit 1696


klik hier voor een grotere kaart

De oorsprong van Oud-Zuilen
Al sinds een ver verleden bepaalt de Utrechtse Vecht het landschap van Noord-West Utrecht. Deze rivier vormde een levensader voor de ondoordringbare bossen en moerasgronden die voor onze jaartelling, en nog vele eeuwen daarna, dit deel van Nederland domineerden.

In de tijd van Romeinse Rijk werd de Vecht, die feitelijk buiten de grenzen van het Romeinse rijk lag, al benut als een vaarverbinding naar noordelijker gelegen gebieden. De omliggende landen bleven in die tijd echter ongecultiveerd en werden slechts door jagers bezocht. In zulk een toestand is het vele eeuwen naar het vertrek van de Romeinse legers gebleven.

Gedurende de vroege middeleeuwen stond het land rond de Vecht bekend als het Gouw Niftarlake. In deze tijd vonden de eerste, nog zeer plaatselijke, ontginningen plaats. Aan het eind van de 8ste eeuw woonden er in Swesen of Suesnon, de latere Swesereng, de Friese edelman Wursing. De landerijen waren aan hem in leen gegeven door Karel Martel. Wursing moet een zeer vroom christen zijn geweest. Hij was, volgens de geschiedschrijving, zeer goed bevriend met St. Willibrordus en st. Bonifatius, en heeft de aardsbisschop meermalen op zijn landgoed ontvangen. Een kleinzoon van Wursing was de H. Ludgerus aan wie in latere jaren de kerk van o.a. Loenen werd gewijd. Hoogstwaarschijnlijk vormde de nederzetting die door Wiirsing en zijn nazaten werd bewoond de voorloper van het huidige Huis (slot) te Zuilen.
Een eeuw later blijken de omliggende landerijen in het bezit van de Utrechtse kerk te zijn gekomen.

Na deze periode volgt er een tijd van ongeveer drie eeuwen waarvan weinig over de geschiedenis van Zuilen bekend is. In deze tijd werd de streek eerst geteisterd door het binnenvallen van de noormannen, en daarna, in 839, door een verwoestende vloedgolf die, vanwege de nog zeer geringe bedijking, grote delen van Noord-Nederland overspoelde. Indien de nederzetting in die jaren niet door de noormannen was verwoest, dan was dit zeker wel door de watervloed gebeurd. Het is dus aannemelijk dat het land rondom het huidige Zuilen in die tijd weer grotendeels onbewoond was.

In de 12de eeuw kwamen de grote ontginningen op gang. De landerijen langs de Vecht werden doorgraven met langgerekte afwateringskanalen en langzaamaan met dijken omzoomd. De grond werd gedeeld met de rivieroever als richtlijn, en in de volgende eeuwen telkens meer landinwaarts ontgonnen. Hierdoor ontstonden langgerekte stroken land die typerend zijn voor dit deel van de provincie Utrecht(zie noot 2). Onder bisschop Boldewijn van Holland (1178-1196) werden onder de leenmannen van het Sticht vermeld: 'Die here van Anholt ende van Zulen, deze hilt te lene van den Sticht dat Casteel en Herrlicheyt van Zulen'(zie noot 3). In het jaar 1265 werd voor het eerst een lid van de familie van Zuylen in de geschriften met name genoemd. Dit was namelijk Hendrik van Zulen en Anholt. Enige jaren later vernemen wij ook iets over ene Steven van Zuylen welke betrokken was bij de belegering van het slot Kronenburg te Loenen waar de Heer van Velsen zich ophield na de samenzwering tegen Floris V. Het kasteel en het naastgelegen dorp heeft zijn naam te danken aan deze familie van leenmannen. De van Zuylen's hebben op hun beurt de naam ontvangen van het gelijknamige dorpje Zulen bij het Duitse Kleef waar de familie zijn oorsprong vindt.

In 1300 werd het huidige stenen slot gebouwd. Het jaartal van de stichting is nog in de zijgevel van het kasteel te vinden. Het is niet bekend of er ook voor 1300 een stenen huis heeft gestaan of dat er sprake was van uit hout opgetrokken vesting. Deze voorloper van het huidige kasteel werd rond 1297 verwoest uit wraak voor de belegering van Kronenburg. Hierbij werd Steven van Zuylen vermoord.


Het slot Zuilen en zijn bewoners
Na de stichting van het huidige kasteel zijn de Van Zuylen's al snel uit de geschiedenis van het kasteel verdwenen. Wel hebben zijtakken van deze familie ook in latere jaren vele kastelen in Utrecht bewoond, en hebben hun nazaten een belangrijk stempel gezet op de geschiedenis van het Sticht door de eeuwen heen. De familietak die het Huis te Zuilen in bezit had (het Huis zelf was een allodiaal bezit) was aan het eind van de 14de eeuw uitgestorven. Door een huwelijk tussen Eleonora van Zuylen en Frank van Borsselen in 1332 werd het slot bij een andere familie ingebracht. De lenen rondom het kasteel vielen in die tijd deels onder de abdij van Oostbroek en deels onder het bisdom van Utrecht. In 1422 werd het Huis te Zuilen, tijdens de hoekse en kabeljouwse twisten, grotendeels verwoest. Het slot zou daarna bijna een lang een ruďne blijven. Mogelijk werd het toen nog wel ten dele bewoond.



Het slot Zuilen



Door vererving via het geslacht van Culemborg kwam het kasteel een eeuw later in het bezit van Willem van Rennenberg. Toen deze in 1545 stierf werd zijn hart in de kapel van Zuilen begraven. Zijn ingewanden werden te Oostbroek en zijn lichaam te Westbroek begraven.

Door verkoop kwam het huis in 1619 in bezit van Adam van Lockhorst, wiens enige dochter Elisabeth moeder werd van Anna Elisabeth van Rheede van Nederhorst. Anna Elisabeth werd later vrouw van Zuilen en Westbroek. Door haar huwelijk in 1665 met Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerke kwam het Huis te Zuilen in het bezit van deze Zeeuwse familie. De familie van Tuyll van Serooskerke is tot op deze dag in het bezit gebleven van het slot en woont daar nog steeds.

In 1536 werd Zuilen een officieel een ridderhofstad. Deze titel gaf de bezitter van het adelijk huis het recht om zitting te nemen in de ridderschap van Utrecht. Dit college vormde het tweede deel van de staten van Utrecht. Het aantal ridderhofsteden, en daarmee het aantal leden van de ridderschap, werd in 1536 tot 55 leden beperkt. Slechts in de 17de eeuw is hier eenmalig uitbreiding aan gegeven. De in leen genomen landerijen van het Huis te Zuilen, Zuilen, swesereng en Westbroek, gaven op zich geen rechten in de ridderschap. Wel was er sprake van een 'ambachtsheerlijkheid' waaruit bepaalde rechten en opbrengsten voor de leenheer voortkwamen.



Het slot Zuilen op een schilderij van Hessel Gerrits uit 1610



In 1752 werd het kasteel grotendeels verbouwd. Het als verdedigingsfort opgezette bouwwerk voldeed niet meer aan de eisen die men in de 18de eeuw stelde aan adelijke huizen. De oude toegangspoort met de smalle ophaalbrug over de slotgracht werd opgeheven. De zijgevel werd geheel nieuw geconstrueerd en van een ingang voorzien waardoor er meer plaats voor het langsdraaien met rijtuigen. Het huidige kasteel is in de zomermaanden voor bezoekers geopend en er worden rondleidingen verricht. Het kasteel bezit een zeer uitgebreide bibliotheek en een ruime kunstcollectie. Ook kan men er de bestektekeningen van de verbouwing uit 1752 zien. De familie van Tuyll van Serooskerken woont nu in het bijbehorende koetshuis.


De Nederlands Hervormde kerk van Oud-Zuilen
Volgens oude bronnen zou er in het jaar 1050 door st. Bernulphus, bisschop van Utrecht, een kapel in Zuilen zijn gesticht. Het was een langwerpig vierkant kerkje in Romaanse stijl. De kleine kapel werd later met een koor vergroot en kreeg een klein klokkentorentje. Op een afbeelding uit 1615 is deze kapel nog te zien.
De kapel van Zuilen had diverse verspreid over Zuilen en Maarssenveen liggende landerijen. deze waren door het bisdom van Utrecht toebedeeld ter bekostiging van het onderhoud. Ook in de eeuwen na de reformatie ontving de kerk van Zuilen nog inkomsten uit erfpachten. Het is niet bekend of de kapel in de decennia voorafgaand aan de reformatie regelmatig in gebruik was. Dit was waarschijnlijk niet het geval.

Na de reformatie kreeg Zuilen niet direct een eigen predikant. De inwoners van het dorp bezochten in die tijd vooral de kerk van Maarssen, en in mindere mate die van Westbroek. Uit een rekest van 1590 blijkt dat Peter Dammusszoon, "dienaar des goddelijke woords tot Zuylen", hier sedert 1589 gediend heeft. In 1590 werd hij "zuiver in de leer" bevonden. Peter Dammusszoon was tevens predikant van Westbroek. Hij woonde echter te Zuilen en had daar tevens de verplichting de kinderen te onderwijzen in de kleine catechismus. De koster woonde in die tijd te Westbroek.

Gedurende de overgang tot de reformatie heeft het enige tijd gekost voordat er voldoende predikanten beschikbaar waren om alle dorpen te voorzien. Vaak gebeurde het dat pastoors, veelal onder druk, in korte tijd werden omgeschoold om de protestantse godsdienst te prediken, maar later toch geheel of gedeeltelijk hun oude geloof weer voortzette. Hierdoor was de synode gedwongen de aanstelling in te trekken en naar een vervanger te zoeken. Ook veel remonstrantse predikanten werden later uit hun functie ontheven. Vaak verliepen er enige jaren tussen een vertrek en de aanstelling van een nieuwe predikant.

Het is niet helemaal bekend wat er na het vertrek van Peter Dammusszoon is gebeurd. Recent onderzoek heeft bevestigd dat ene Pibo Ovitius tussen 1606 en 1612, naast Nigtevecht, ook Zuilen heeft bediend. Ook is bekend dat in 1620, en daarna, door Jan van Dulmen, "onderwijzer der jeugd", in de kapel van Zuilen uit het catechismus werd voorgelezen. Omtrent 1634 word hetzelfde gedaan door Baltasar van Doorn, "singer en voorleser tot Zuylen". Voor het dopen van hun kinderen, en voor een huwelijksvoltrekking, gingen de inwoners van Zuilen in die jaren vooral naar de kerk van Maarssen.



De voormalige kapel van Zuilen in 1615, naar A. Rademaker



Het dorp Zuilen viel in de eerste jaren na de reformatie kerkelijk onder de Classis van Amersfoort. ln 1641 werd door de ingezetenen van Zuilende aan de Classis een eigen predikant verzocht. Er waren toen 18 lidmaten waarvan er 12 te Maarssen communiceerden. Om de aanstelling te bekostigen werd door de Heer van Zuilen bij de rentmeester van de kerkelijke goederen aangedrongen op verkoop van stukken land bij Maarssenveen. Pas 10 jaar later, in 1651, werd de eerste predikant, ds. Teckman, aangesteld. Hier ligt dan ook de aanvangsdatum van de doop- en trouwregisters van Zuilen. De kapel van Zuilen was in die tijd al ernstig vervallen, en het is de vraag of deze nog in gebruik was. In 1654 is men begonnen met de sloop van en de bouw van een nieuw kerkje op dezelfde plaats( zie noot 1). Deze kwam in 1655 gereed. Het was een klein eenvoudig ingerichte kerk, zonder orgel, met de voorgevel aan de Vecht, en een kleine zeskantige toren. Vooral omdat het dorp niet door een overmaat van beter bedeelde inwoners werd bevolkt, die met elkander, zoals in Maarssen, probeerden te wedijveren met giften, heeft de kerk van Zuilen altijd deze eenvoudige inrichting behouden.

De benoeming van predikanten geschiedde sinds de 18de eeuw om beurten door de ambachtsheer en de kerkenraad. De kerkenraad bestond uit twee diakenen en twee ouderlingen die op voordracht werden benoemd. Twee kerkmeesters werden elk jaar, op voordracht van de schepenbank, door de ambachtsheer benoemd, en traden doorgaans na twee jaar af. Veel van de vaste inwoners en van het dorp, die tevens lidmaat waren, kregen op die wijze eens in hun leven zo'n functie toebedeeld. Een groot deel van de vaste inwoners was lidmaat van de kerk. De koster van de kerk was in de 17de en 18de eeuw tevens dorpsonderwijzer.
De besluiten van de predikant en de kerkenraad waren vaak van grote invloed op het sociale leven van de dorpelingen. Binnen een kleine gemeenschap was het bijvoorbeeld moeilijk te verteren wanneer iemand, wegens zijn of haar gedrag, van 'het kerkelijk avondmaal' werd uitgesloten. Ook kwam het vaak voor dat men geen kerkelijke attestatie ontving. Dit laatste was nodig wanneer iemand naar een andere plaats wenste te verhuizen, en zich daar, wegens mogelijke armlastigheid in de toekomst, bij de kerkgemeenschap wou aansluiten. In de notulen van de kerkenraad zijn dan ook vele klachten van getroffenen te vinden die een zodanig genomen besluit aanvochten. Wie de notulen van de raad in deze tijd doorleest ontkomt niet aan de indruk dat predikanten en kerkenraadsleden zich in die tijd zeer betuttelend opstelden.

Zie ook de site van Hein Vera over een koster te Oud-Zuilen in 1693:
'Wie deed het met wie in Zuilen in 1693'



Het kerkje van Oude Zuilen in deze tijd



Zuilen was de eerste plaats in Nederland waar het begraven in de kerk werd afgeschaft. In 1787 werd daar besloten om buiten het dorp een begraafplaats aan te leggen om aldaar, zonder enige uitzondering, de overledenen te begraven.
Op oudjaarsavond 1847 werd de kerk door een brand verwoest. Een jaar later werd er, met behoud van de oude muren, een nieuwe kerk opgetrokken. Nog steeds is er aan de voorgevel een duidelijk verschil te zien tussen het metselwerk van de 17de en de 19de eeuw.

De bestuurlijke organisatie van het gerecht Zuilen
Het dorp Zuilen vormde, tezamen met de Swesereng en Westbroek, een ambachtsheerlijkheid. Deze behoorde aan de ambachtsheer, de eigenaar van het Huis te Zuilen. De "heerlijke rechten", welke hieruit voortvloeiden, bestonden o.a. uit het recht van de ambachtsheer om de schout aan te stellen en de leden van de schepenbank te benoemen. Ook had de ambachtsheer bepaalde rechten bij de overdracht van land. Zo is in een aantal ambachtsheerlijkheden langs de Vecht, tot in de 19de eeuw, het recht van de 13de penning blijven bestaan: dit was het recht van de Heer op een 13de deel van het verkoopbedrag bij transporten van onroerend goed. Aan deze rechten kwam door de Franse bezetting een eind.

Onderdeel van de ambachtsheerlijkheid vormde het gerecht Zuilen en Swesereng. De door de ambachtsheer aangestelde schout was, naast rentmeester, tevens schout van Westbroek. Het gerecht had echter wel een eigen schepenbank die uit 5 leden bestond. De schepenen werden elk jaar, op voordracht van de schout en schepenbank, door de Heer van Zuilen benoemd. Veel werk was er voor de schepenbank niet. De schout en schepenen hielden zich vooral bezig met het vaststellen van de hoogte van verschillende belastingen. Ook geschillen tussen burgers onderling, en over heden, alsmede de vastlegging van transporten, werden door de schepenbank behandeld. Daarnaast konden burgers het gerecht verzoeken een huwelijk te voltrekken wanneer een paar niet de gereformeerde godsdienst aanhing. Omdat Zuilen een zgn. 'lage ambachtsheerlijkheid' was, moest men voor de hogere rechtspraak naar Utrecht. De schout en schepenen van Zuilen waren slechts bevoegd om boeten op te leggen.


Het dorp Oud-Zuilen in de 17e eeuw

Er werden door het gerecht Zuilen aan inwoners en passanten verschillende soorten belastingen opgelegd. Zo was er bijvoorbeeld een belasting op turf (vooral van belang voor de steen- en pannenbakkerijen), en op andere produkten zoals koffie, thee en tabak. Ook werd er een morgengeld (belasting op grond) geheven, en een familiegeld die gedeeltelijk naar draagkracht werd opgelegd. Ook werden er boetes geheven, o.a. als tijdens een periodieke inspectieronde op iemands erf kraai- of eksternesten werden aangetroffen (zie: ). De schout en schepenen hadden meestal slechts een maal per maand zitting. De vergoeding voor leden van de schepenbank was dan ook in 1721 vastgesteld op slechts 12 gulden per jaar. Voor dezelfde werkzaamheden ontvingen de schout en de secretaris jaarlijks echter 100 gulden. De schout en schepenen kwamen sinds 1694 bijeen in het regthuys naast de kerk. Voor die tijd werden de zittingen gehouden in het huis van een van de ingezetenen van het dorp. In het huidige regthuys is nu een café-restaurant met eenzelfde naam gevestigd.

De vroegere houten valbrug over de Vecht bij Zuilen werd elk jaar voor de schepenbank in pacht uitgeslagen. Diegene die het hoogste bod deed werd daarmee voor het komende jaar brugmeester. De brugmeester inde dan de brugtol waarmee hij de pachtsom terugverdiende en in zijn levensonderhoud kon voorzien. Wel was de pachter verplicht de brug zelf te onderhouden. Dit alles had voor het gerecht als voordeel dat deze bij aanvang van het seizoen al een vaste opbrengst van de brugtol ontving. Naast de brug werd er ook een stuk dijk langs de Vecht in pacht uit geslagen.

In de Franse periode bleef de schepenbank nog enige tijd functioneren. In 1810 kreeg Zuilen een maire en een adjoint municipal aan het hoofd. De functie van maire was feitelijk gelijk aan die van een burgemeester nu. Daarnaast werd er een Conceil Municipal van 10 leden ingesteld. In 1813 werden de gerechten Zuilen, Swesereng en Oostwaard tot een Mairie samengevoegd. De Oostwaard was voor 1811 een apart gerecht, dat in het oosten en noorden begrensd werd door Maarssenveen en verder door de Vecht.
Na het vertrek van de Fransen werd er een gemeenteraad ingesteld. Zo ontstond er de gemeente Zuilen. De burgemeester werd bijgestaan door twee wethouders. In het begin van de 19de eeuw was het oude regthuys nog als gemeentehuis in gebruik, maar in 1929 werd hiervoor huize Daalwijk ingericht.



Het dorp Zuilen op een foto uit 1894



In 1954 werd de gemeente Zuilen opgeheven en deels bij Utrecht gevoegd. Dit had vooral betrekking op de wijk Nieuw-Zuilen. Het huidige dorpje aan de oostzijde van de Vecht (oud-Zuilen) viel voortaan onder de gemeente Maarssen.

De inwoners en hun werk
De bevolking van Nederland bestond in de vroege middeleeuwen uit vrijen en onvrijen. Tot de eerste groep behoorden de edelen en de gewone vrijen. De tweede groep waren de horigen en de lijfeigenen. De leenmannen behoorden altijd tot de groep van edelen en vrijen. Zij waren echter wegens hun leen gebonden hun leen heer in oorlogstijd bij te staan. De leenheer van de landerijen rond Zuilen was de bisschop van Utrecht.

Spoedig na de stichting van het Huis te Zuilen zal er rondom het kasteel een klein dorpje zijn ontstaan. De beschermende invloed die van de versterking uitging was daarvoor een reden. Anderzijds had de kasteelheer ondergeschikten nodig om o.a. op de nieuw ontgonnen landerijen te werken. Het lijfeigenschap werd in die tijd langzaamaan afgeschaft, waarna de boeren verplicht werden een deel van de opbrengst in natura aan hun Heer te leveren. Later werd deze afdracht vervangen door tijnsen.

Het aantal inwoners van het dorpje Zuilen moet in de late middeleeuwen nog zeer klein zijn geweest. In het begin van de 17de eeuw woonden er waarschijnlijk niet meer dan 150 personen in het gerecht Zuilen en Swesereng. Slechts de helft daar van woonde in het dorp. In de 17de en 18de eeuw was het aantal inwoners uitgegroeid tot ongeveer 500 in 1811. Pas na 1915 kwam de grote groei van de bevolking op gang.

Tot in de 16de eeuw leefde de bevolking van Zuilen voornamelijk van de landbouw en veeteelt. Vooral de weilanden van de Swesereng werden voor de veeteelt gebruikt. Grote kudden vee werden daar, ten behoeve van de stad Utrecht, als een wild-west gebeuren over de weilanden gedreven.

In 1612 werd er te Zuilen een brug over de Vecht waardoor de dorpsbewoners eenvoudiger de overkant, de Sweserengh, konden bereiken.
Aan het eind van de 16de eeuw werden in Zuilen de eerste pannenbakkerijen opgericht. In het nabijgelegen Maarssen was toen al enige eeuwen eerder een steenbak kerij gevestigd. De benodigde klei werd direct van het naastgelegen land langs de rivier afgegraven (het aftichelen). Later moest de klei telkens verder weg en meer landinwaarts gezocht worden, en maakte men gebruik van speciale boten voor het vervoer van de klei. Het land dat voor dit 'aftichelen' nodig was werd voor een of meer jaren van de eigenaar gehuurd. Wanneer een stuk land eenmaal was afgegraven moest de tichelaar opnieuw naar nieuwe kleigrond uitzien. Een teveel afgegraven land was niet meer als landbouwgrond te gebruiken. Vandaar dat de staten van Utrecht strikte regels stelde aan de diepte tot waar de tichelaar de kleigrond mocht afgraven.

In 1622 liet de ambachtsheer, Adam van Lockhorst, de eerste steenoven van Zuilen bouwen. 40 jaar later werd er een tweede steenoven in de buurt van huize Daalwijk bijgebouwd. Volgens een verslag van 1858 waren er toen in Zuilen 3 steenovens en 5 pannenbakkerijen werkzaam. Het werken op de steen- en pannenbakkerijen was seizoensarbeid. De arbeiders werden dan ook meestal op seizsoenscontract aangenomen. Vaak waren hele families, man, vrouw en kinderen, aan de ovens werkzaam. Dit blijkt ook uit een dakpan uit 1875 waarop de namen staan vermeld van de knechten bij de pannenbakkerij van de weduwe Voorsteegh. Een deel van de werkers in deze industrie was geen vaste inwoner van Zuilen, maar trok van de ene plaats naar de andere. Vooral de uitbreiding van de steden in de 17de eeuw heeft de groei van de steenindustrie bevorderd.

Naast de landbouw en de steenindustrie waren er ook een paar schippers in Zuilen woonachtig. Zij vonden werk met de aanvoer van turf en het vervoer van stenen naar de stad. Verder woonde in het dorp tevens een kleermaker, een schoenmaker en een mandenmaker. Vanwege de geringe omzet zullen hun inkomsten zeer karig zijn geweest. Andere ambachtslieden, die niet aan de eisen van de gilden van Utrecht konden voldoen, vestigde zich vlak buiten de stadsgrensen in Zuilen. Daarmee ont dook men tevens de vaak hogere belastingen die men voor de producten moest betalen.

Zie ook de site van Hein Vera over de inwoners van Oud-Zuilen in 1693:
http://home.wxs.nl/~vera0000/webdoc6.html

Voor het personenvervoer kwam er dagelijks een trekschuit langs. Deze verzorgde de verbinding tussen Utrecht en Amsterdam. De meeste inwoners van het Zuilen gingen echter te voet of met een rijtuig naar de stad. Langskomende reizigers konden uitrusten in de herberg van het dorp, waar rond 1730 Pieter Spierenburg herbergier was. De ligging vlakbij de stad Utrecht heeft zeker een gunstige invloed gehad op de welvaart van de inwoners van het dorp. Ook trok de jaarlijkse kermis van Zuilen, die al in 1616 werd vermeld, veel stedelingen aan.

In Zuilen werd, in navolging van de grote steden, rond 1780 een brandspuitapparaat aangeschaft. Voor de bediening van dit vehikel werden elk jaar een brand spuitmeester en een assistent aangesteld. Ook deze aanstelling gebeurde, op voordracht van de schepenbank, door de heer van Zuilen (zie: ).

Het onderwijs voor de dorpskinderen werd door de hervormde kerk verzorgd. In de 17de en 18de eeuw werd daarbij vooral de nadruk gelegd op de cathechismuslessen. De dorpsonderwijzer, die in de 17de en 18de eeuw ook als koster fungeerde, was in die tijd ook meer een voorlezer. Daarnaast werd getracht de kinderen een beetje lezen en schrijven bij te brengen. Omdat er in die tijd nog geen schoolgebouw in Zuilen was zal voor het onderwijzen, zal voor daarvoor, zoals in zoveel dorpen in die tijd, een schuur zijn gebruikt. Zoals uit een reeks aan documenten blijkt konden aan het eind van de 17de eeuw veel inwoners van Zuilen in elk geval hun naam schrijven.
De kinderarbeid op de pannen- en steenovens had tot gevolg dat het dorpsschooltje tussen april en oktober vrij wel leeg was. Ook na de invoering van de leerplichtwet in 1901 kwam schoolverzuim nog veelvuldig voor. Omdat de dorpsonderwijzer meestal per leerling werd betaald moest deze een zeer karig leven hebben geleid. Aan het eind van de 18de eeuw was de schoolmeester tevens doodgraver, groefbidder en voorzanger in de kerk.

Diegene die armlastig waren geworden ontvingen, indien zij lidmaat waren van de hervormde gemeente van Zuilen, van de diaconie een kleine bijdrage voor hun levensonderhoud. Deze bijdrage was echter zo klein dat men daarnaast op hulp van familie of buren aangewezen bleef. Ook nam de kerk de zorg voor eventuele weeskinderen op zich. Dit gebeurde door de wezen tegen vergoeding bij een van de in gezetenen onder te brengen. Tevens was er voor de armen een deel van de begraafplaats gereserveerd waar zij kosteloos werden begraven.

De aanleg van het Merwedekanaal in 1889, en de plaatsing van een wagon- en bruggenfabriek van Werkspoor b.v. in 1910, veroorzaakte een grote bevolkingsgroei in Zuilen. Daarnaast werd in 1913 bij het dorp een staalgieterij opgebouwd. Met de bouw van nieuwe woningen ontstond in de eerste helft van deze eeuw in de Swesereng de wijk Nieuw-Zuilen. Vanwege de vraag naar arbeidskrachten groeide het in wonersaantal van Zuilen van ongeveer 2000 in 1915 tot 23620 in 1950. Dit waren de welvarende jaren voor de gemeente. In de oude kom van het dorp is het inwonertal echter tot 1950 nagenoeg gelijk gebleven.

Na de tweede wereldoorlog vonden de grote sluitingen plaats en verloren veel inwoners hun werk. De huidige Utrechtse wijk Nieuw-Zuilen kent nog steeds een hoog werkloosheidspercentage. De laatste pannenbakkerij van het dorp Oud-Zuilen werd in 1966 gesloopt.


EINDNOTEN
1 De bestektekening van deze bouw is nog in het archief van de hervormde gemeente te vinden.

2 Zie artikel van Iterson : 'doorgaande hoeven', in jaarboek Niftarlake

3 Jhr. Mr. E.B.F.F Wittert van Hoogland, 'Bijdrage tot de geschiedenis der utrechtse ridderhofsteden en heerlijkheden'.



Meer informatie over het dorp Oud-Zuilen

Website van Hein Vera over inwoners van Oud-Zuilen rond 1693:
1. 'Inwoners Zuilen 1693'
2. 'Wie deed het met wie in Zuilen in 1693'

Uit een serie "Voetsporen - Wandelingen langs de Vechtoevers":
3. In het voetspoor van Jac P Thijsse: Oud Zuilen
4. In het voetspoor van Jac P Thijsse: van Zuilen naar Oostwaard

Website van Museum Slot Zuylen:
5. www.slotzuylen.com

6. De buitenbegraafplaats Oud Zuilen
In 1781 was het de Zuilense kasteelheer W.R. van Tuyll van Serooskerken die als eerste in de provincie Utrecht een buitenbegraafplaats liet aanleggen.

7. Enkele foto's van Oud-Zuilen 7. Hotel en restaurant Het Vechtse Park
Het Vechtse Park is gevestigd in het woonhuis van de voormalige dakpannenbakkerij 'Daelwijck', later het gemeentehuis van Zuilen.