kapitein tje

op zoek naar zeeland

 
 

het paeremes en zijn makers - gesprekken met frans dingemanse

mariël otten [txt+img] 080513

"Hand Made: Lang leve het ambacht" is de titel van de voorjaarstentoonstelling (9 maart-20 mei) in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Ruim vijfhonderd objecten zijn er te zien, "door mensenhanden gemaakt" van de middeleeuwen tot nu.

Eén paar van die mensenhanden behoort toe aan Frans Dingemanse, beeldsnijder en kunstschilder uit Nieuwland.

Dingemanse is een van de vaklieden die "op zaal" in Boijmans het ambacht tot leven mogen brengen.

Frans Dingemanse is de ambassadeur van het paeremes. Hij heeft daar zelf wel eens genoeg van. Hij is immers beeldend kunstenaar en doet veel meer dan alleen mesheften snijden. Maar ja, wie paeremes zegt, zegt Dingemanse en dat zal niet gauw veranderen. Hij staat straks "natuurlijk" in Gouden Handen (een nieuw boek over ambachten in Nederland, dat in het najaar zal verschijnen) en er is helemaal geen houden meer aan als zijn grote wens in vervulling gaat: een eigen publicatie over de Zeeuwse volkskunst in het algemeen en het paeremes in het bijzonder.

Ik ontmoette Frans Dingemanse (hierna FD) voor het eerst in oktober 2010 op een symposium in Maarssen georganiseerd door het Nederlands Centrum van Volkscultuur. Het viel meteen op dat FD naast vakman vooral een rasverteller is. Kleine en grote verhalen wisselen elkaar in rap tempo af. Nadat ik in juni 2012 een hele dag mocht doorbrengen in zijn atelier in Nieuwland kwam ik thuis met een stapeltje foto's van mesheften en ik wist bij god niet meer welk verhaal bij welk heft hoorde. Omdat FD bezig is aan een boek over het paeremes, dacht ik: ik lees het zometeen allemaal terug in dat boek. Maar FD heeft het druk, onder meer met exposities over het hele land - van Geersdijk tot Appingedam, en nu zelfs een hele week in Boijmans! De publicatie laat dus nog even op zich wachten. Daarom stap ik gewapend met twee A-4tjes met printjes van de foto's op de trein naar Rotterdam. Ik denk: "Vandaag ga ik niet alleen luisteren, maar ik schrijf ook alles meteen op!"

Het paeremes is een versierd boerenzakmes

Op folkloristische dagen, bij het sjezen- en ringrijden kom je ze nog tegen: mannen in zwart pak met een paeremes waarvan het heft uit de broekzak steekt. Zo'n boerenzakmes was een onderdeel van de mannendracht in Walcheren, Zuid-Beveland en een deel van Zeeuws-Vlaanderen. De broek had zowel links als rechts van de grote zilveren stukken in het midden een smalle zak in de zijnaad van de broekspijp, met het mes in een leren schede in de ene, de pijp in een puupuus (de pijpenkas) in de andere zak.

FD: "Zeeland heeft een volkskunst voortgebracht met een duidelijk eigen gezicht, namelijk het met snijwerk versieren van houten voorwerpen. Dat konden kistjes of stoven zijn, pijpenkassen, de houten foedralen waarin de stenen pijp werd opgeborgen, maar hoofdzakelijk waren het heften van messen."
De naam paeremes (Zeeuws voor "paardenmes", de "ae" uitgesproken als in She loves you yeah yeah yeah) is een verzamelterm voor het versierde boerenzakmes. De naam heeft op zich niets met paarden te maken, maar is afkomstig van het type bekroning dat in de tweede helft van de 19de eeuw populair werd: twee paarden die uit een bagge (voermand) eten. Voordien hadden de heften geen bekroning of een leeuwtje op de top van het heft. Ook die noemen we paeremes.
FD: "Tegenwoordig worden ook allerlei andere thema's gekozen voor de versiering en oorspronkelijk was er helemaal geen bekroning, maar dit specifieke model is het meest populair geworden. De inventie van het span paarden als bekroning van het heft, rond 1860, wordt gezien als een ultieme hommage aan het plattelandsleven van toen."

In de 18de eeuw heeft het mesheft een ronde doorsnede en geen bekroning en kooitje. In de 19de eeuw wordt de doorsnede ovaal en verschijnt het kooitje. Vervolgens wordt de bekroning gevormd door een leeuwtje. Het span paarden als bekroning verschijnt rond 1860.

Versierde mesheften zijn overigens niet uniek voor Zeeland. De bekroning, vlakverdeling en het kooitje maken Zeeuwse heften wel anders dan die van elders.
Het paeremes heeft ergens halverwege het versierde palmhouten heft een opengewerkt gedeelte, het kooitje, opgebouwd uit verticale zuiltjes en gleufjes, waarin een loszittend stukje hout in de vorm van een balletje zit. Bij een Zeeuws mes neemt het kooitje alleen de achterste helft van de doorsnede in, het front blijft massief.

Aan de afbeeldingen is vaak te zien welk beroep de eigenaar uitoefende of tot welk geloof hij behoorde. Een heft met de afbeelding van Adam en Eva in het paradijs is waarschijnlijk uit Zuid-Beveland, afkomstig van een katholiek. Bij de keuze van onderwerpen maakten Bijbelse voorstellingen en christelijke symbolen in de 19de eeuw plaats voor landbouwtaferelen als oogsten en ploegen: het boerewelvaren. Bij de keuze van onderwerpen maakten Bijbelse voorstellingen en christelijke symbolen in de 19de eeuw plaats voor landbouwtaferelen als oogsten en ploegen: het boerewelvaren. Kleine boeren hadden bijvoorbeeld een heft met een ploegende boer. Handgereedschap hoorde bij een heft van een knecht of arbeider die dagelijks met dat gereedschap werkte. De welgestelden hadden een paeremes met afbeeldingen die juist niet aan arbeid doen denken. Je ziet de rijke boer hooguit in een rijtuig op weg naar de markt. Dat hoorde allemaal tot het standaardrepertoire.
FD: "Als je een mes ziet met een afwijkende voorstelling kun je ervan uitgaan dat het in opdracht gemaakt is. Dan is meer variatie in vormgeving en onderwerpkeuze mogelijk - dat is nog steeds zo."

Het paeremes was vroeger al een ding om mee te pronken. Het bewerkte heft stak goed zichtbaar boven de broekzak uit. Het mes was ook een graadmeter voor welstand. Iemand van stand had een zilveren heft. Maar een paeremes was vooral bedoeld voor alledaags gebruik. Elke jongen kreeg voor zijn vijftiende verjaardag zo'n werkmes dat doorgaans zijn hele leven meeging. Ze sneden er voederbieten mee aan stukken en schraapten er de modder mee van hun klompen. Het was noodzakelijk voor een paardenknecht om zo'n mes altijd bij zich te hebben. Bij brand of in een ander geval van nood kon hij paard en vee bevrijden door snel de touwen door te snijden. Om die reden ook steekt het heft boven de broekzak uit - dat was handig als je het snel nodig had - en was het heft besneden. Het is dan minder glad en heeft een betere greep.
Het was indertijd gebruikelijk om als je ergens ging eten je eigen mes en vork mee te nemen. FD: "Het werd ook aan tafel gebruikt, om een stuk van het spek af te snijden bijvoorbeeld. Als een knaap voor het eerst bij een meisje thuis mocht mee eten, moest hij vooral niet vergeten zijn mes bijtijds weg te steken. Zolang zijn paeremes op tafel lag, kreeg hij een nieuwe snee brood op zijn bord."

Oude heften - snijders toen

Tegenwoordig is het paeremes geen gebruiksvoorwerp meer maar een dierbaar bezit dat men juist niet gebruikt. FD heeft er een indrukwekkende collectie van. Bij een bezoek aan zijn werkplaats wordt de ene lade na de andere van zolder gehaald. Bij elke lade en uiteindelijk ook bij elk heft heeft FD een verhaal te vertellen. Hij wil letterlijk alles weten over elk paeremes: hoe is het gedaan, waarom is het zo gedaan, welke houtsoort is gebruikt, welk gereedschap? Als hij van een bepaald heft het wie, wat en hoe niet weet, dan wordt een soort dna-onderzoek opgestart. FD: "Door grondig onderzoek zijn misschien niet alle namen van de makers te achterhalen, maar kan wel met een hoge mate van zekerheid vastgesteld worden dat sommige heften van een en dezelfde hand zijn."

Op de linkerfoto: Aquarel Frans Dingemanse, "Sleet", 2011, 34x22cm (met de oorspronkelijke messen). FD: "Een gebruiksvoorwerp dat jaar in jaar uit, in sommige gevallen door een volgende eigenaar, wordt gehanteerd, is onderhevig aan slijtage. Modder en vuil aan de handen schuren het hout. Vocht en als gevolg daarvan roest kan zelfs via de angel van het lemmet in het houten gedeelte dringen, waardoor het heft scheurt. Als een mes valt of wordt gestoten, kan een stuk van het heft afbreken. De topversiering is het meest kwetsbare gedeelte. Exemplaren zoals we ze nu onder ogen krijgen, hebben dan ook veelal een doorleefd uiterlijk."

Hij kan er uren over praten en ze passeren allemaal de revue. De messen uit de collectie Dingemanse vliegen je daarbij om de oren.
Zoals over Pieter Puype (Oost-Souburg, 1838-1900), boerenknecht tot hij een ongeluk kreeg met een paard, een scheerwinkel opende waar hij, tussen het knippen en scheren door, mesheften sneed. Hij brengt in de vormgeving van landbouwwerktuigen en gereedschappen details aan die bij een ander ontbreken. Het model-Puype is het prototype geworden en oneindig nagemaakt. Daarom vinden veel mensen dat een paeremes er zo uit moet zien: twee paarden, kromstaven, vogeltje ertussen, verder handgereedschap, ploegende boer of boer in wagentje, zuiltjes van het kooitje met kerfsnedemotiefjes. Ruimte over? Nog een vogel of een bloemetje.
Of over Andries Trieller (Domburg, 1838-1929), boerenkleermaker, die al jong begon te snijden en speelser te werk ging dan Puype. FD noemt hem een echte volkskunstenaar. Het is wel eens schots en scheef maar ook ontwapenend en charmant. Het heeft fantasie en humor. Trieller's stijl werd nauwelijks nagevolgd.
En over Andries Vlieger (Meliskerke, 1861-Zoutelande, 1939), kleermaker, zijn persoonlijke favoriet. Vanwege diens eigenzinnigheid maar ook omdat zijn heften prachtig zijn opgebouwd en het snijwerk ongelooflijk verfijnd. Vlieger wist een Bijbelprent uit de 17de eeuw om te zetten naar zijn eigen opvatting en ook zijn op de flora geënte motieven overstijgen soms de gemiddelde volkskunst.

Kapper, kleermaker, stoffeerder, timmerman, meubelmaker, boer en boerenknecht. Het maken van een paeremes was indertijd een welkome bijverdienste. In het bevolkingsregister stond achter "beroep" vaak: geen. De gebruiksfunctie stond voorop. Dat én de populariteit van het model-Puype resulteerde in een ongekend groot aantal paeremessen in het laatste kwart in de 19de eeuw. FD kent een snijder uit die tijd die honderden heften gemaakt heeft. FD: "De voorstellingen zijn in vrijwel alle gevallen handgereedschap of ploegende boer. Ze zijn slordiger en minder gedetailleerd dan de Puype-heften: het snellere werk. De heften werden geleverd aan de ijzerwinkels en als compleet mes verkocht aan arbeiders, paardenknechten en de kleinere boeren. Het zijn de echte werkmessen die nu soms aangetroffen worden met beschadiging of tot op de draad versleten."
De traditie zette zich voort in de 20ste eeuw doordat zonen het ambacht van hun vader leerden. Zo was het in 1978 een heft van David Trieller (Domburg, 1878-1960), zoon van Andries, waardoor 't paeremes-kwartje viel bij FD.

Nieuwe heften - snijders nu

Frans Dingemanse (Grijpskerke, 1944) volgde de opleiding MO-B aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag en was tot 1998 tekenleraar. Hij woonde toen in Kamperland op Noord-Beveland. In de kerstvakantie van 1978/79 kwam het eerste paeremes uit zijn handen - van kersenhout. Sindsdien sneed hij tientallen heften, zowel heften die passen binnen de Zeeuwse volkskunsttraditie als ontwerpen die met het Zeeuwse model niets meer te maken hebben. Zo maakte FD een os en ezel voor een Kerst-mes, Leda en de zwaan, een zeemeermin, een sterrenbeeld, allerlei dieren, een ballerina of toonladder of desnoods een wereldbol. De enige vereiste is dat hij alles binnen een paar kubieke centimeter palmhout vorm moet zien te geven. Humor: er kwam ook een heft met een kooitje met meerdere balletjes.
Vanaf zijn 65ste doet FD zijn best om geen opdrachten meer aan te nemen omdat de plannen voor het boek steeds meer vorm begonnen te krijgen.

Toen ik hem in 2010 vroeg hoe hij het ambacht heeft geleerd, zei hij: "Voor het snijden van een paeremes is geen opleiding nodig, daar moet je verliefd op zijn."

De naam paeremes komt dus ook niet van "perenhout" ook al wordt soms perenhout gebruikt. Meestal wordt palmhout gebruikt, niet afkomstig van de palmboom maar van de buksboom of buxusstruik, de Buxus Sempervirens, die ook wel eens palmboompje wordt genoemd.
Het hout verandert in de loop der tijd van kleur: van bleekgeel naar oranje en donkerder bruin. Het wint aan aantrekkelijkheid door het geregeld in de hand te nemen! Om een heft op een oud mes te laten lijken, kan het nog gekleurd worden met oranjebruine was.

Ook de zwarte ebbenhouten stipjes die de ogen van de paarden vormen zijn kenmerkend voor Zeeland. Hiervoor worden piepkleine gaatjes geboord en daarin piepkleine ebbenhouten stokjes in getikt en afsneden.

FD: "We weten niet hoe iemand in de 19de eeuw een heft maakte. Door oude heften te bestuderen en je eigen logica te volgen, kun je zien wat je moet doen en met welk gereedschap om tot het gewenste resultaat te komen. Een deel van het gehanteerde gereedschap maakte men vroeger zelf. De latere generaties heftensnijders doen dat ook. Kleine gereedschappen, eigenlijk voor een ander doel gemaakt, kun je zo slijpen dat ze voor het speciale werk geschikt zijn. De praktijk leert dat ieder zijn eigen werkwijze en voorkeur voor bepaalde gereedschappen ontwikkelt."
Op de site van Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland beschrijft FD stap voor stap hoe het in z'n werk gaat, een versierd heft snijden: Met de scherpe punt van een mesje snijd je de omtrek van de gleufjes in. Met een plat beiteltje neem je hout weg, tegen de ingesneden lijn aan. Je verdiept met de punt van het mesje de snede. Met een beiteltje smaller dan het gleufje, bijvoorbeeld 1 mm breed, diep je in de lengterichting de gleufjes uit. Een paar millimeter is genoeg. Het is handig in de nu ontstane gleufjes gaatjes te boren, dat vergemakkelijkt het verder uitdiepen. Ik doe dat handmatig met een klein boortje. De afstand tussen de gaatjes is zo klein mogelijk, de diepte zodanig dat hout voor het balletje niet wordt beschadigd. Bij de twee gleufjes links en rechts (tegen de voorkant van het heft) boor je helemaal door. Met het smalle beiteltje diep je deze gleufjes uit, zodat er een spleet ontstaat dwars door het heft heen. De andere gleufjes moeten zo diep worden dat er genoeg hout overblijft om een balletje te vormen. Met een zeer plat beiteltje, bijvoorbeeld 1 cm breed en maar 1 mm dik, steek je de wanden van de gleufjes weg, zodanig dat de zuiltjes naar binnen toe taps toelopen. Zo ontstaat er achter de zuiltjes een holle ruimte om een stokje heen. Dat stokje blijft van boven en van onder vast zitten. Door alle gleufjes heen neem je aan de onder- en bovenkant van het stokje met het smalle beiteltje hout weg tot er een balletje overblijft... enzovoorts enzovoorts.
Als je het leest, denk je: Daar begin ik niet aan!

Zo niet FD. "In 1978 hield ik voor het eerst bewust een Zeeuws mes in mijn handen. Ik wilde wat ik in mijn handen had ook maken. Ik dacht: wat die vent kan, kan ik ook. Van alles wilde ik weten. Hoe is het gedaan? Waarom is het zo gedaan? En: wat moet ik doen om dat ook voor elkaar te krijgen? Hoe kom ik aan de juiste houtsoort, het juiste gereedschap? Met een paar linoleumgutsjes en wat mesjes bleek ik een heel eind te komen. Bevriend meubelmaker en restaurateur Jan Verkeste gaf me een stukje kersenhout. Daar moest ik maar eens mee beginnen." Toen het af was, wilde zijn vader, die altijd in dracht liep, het mes wel kopen. FD sputterde tegen: "Maar dan heb ik er geen meer!" waarop pa zei: "Als je er één kunt maken, dan kun je er ook twee maken."

Toen het boerengoed werd ingeruild voor burgerkleding en de mannendracht uit het straatbeeld verdween, ging de oorspronkelijke functie van het paeremes en de relatie met de klederdracht verloren. De meeste messen zijn allang geen gebruiksvoorwerp meer maar een dierbaar bezit dat men juist niet gebruikt. Een aantal fraaie exemplaren is te bewonderen in verschillende musea. Vaak blijft een paeremes binnen de familie. Het wordt overgedragen van grootouders op ouders en van ouders op kinderen, soms zonder dat kennis van de snijder (wie, wanneer, waarom) wordt meegegeven. Op bijeenkomsten van bijvoorbeeld Heemkundige Kringen kunnen mensen hun paeremes meebrengen om die verloren kennis met FD's hulp te reconstrueren.

FD: "Met publicaties en tentoonstellingen is de basis gelegd voor het stimuleren van belangstelling en het vermeerderen van kennis. De belangstelling ervoor is groot en lijkt zelfs toe te nemen. De tijd dat exemplaren soms nog net uit de bak met oude spijkers werden gevist, is intussen wel geweest. Wat de tentoonstellingen betreft, mag worden aangetekend dat het idee hiervoor doorgaans particulier initiatief was, dan wel dat het particulier initiatief een niet onaanzienlijk deel vormde van het totaal. Het is een open deur intrappen als je zegt dat veel van wat we folklore, volkskunst en traditie noemen. blijft floreren dankzij het enthousiasme van personen en groepen."

Er zijn nog steeds mensen die het ambacht een-Zeeuws-mesheft-maken uitoefenen. Niemand weet hoeveel het er zijn. Bij een telling in 1979 kwam men tot het aantal van 35 werkzame snijders. FD denkt dat het zo'n negen mensen zijn in de laatste dertig jaar. Hij vindt het een groot probleem dat sommige snijders geen weet meer hebben van de oorsprong. De zoon leerde het van zijn vader, die was weer een voorbeeld voor een ander, waarna de volgende 't kunstje weer bij hem afkeek enzovoorts. De vierde in die lijn weet - honderd jaar later - niet meer hoe de eerste het deed en heeft vaak geen 19de eeuws paeremes in handen gehad. Dat is zoals FD het geleerd heeft. Hij probeerde in 1979 zo nauwkeurig mogelijk een heft, gesneden door David Trieller in de vijftiger jaren, na te maken. Zijn eerste paeremes was in feite een replica. Namaken om het je eigen te maken. Hij wilde er meer van weten en maakte een staalkaart van alle motiefjes op de randen van de diverse heften. Hij ontdekte verschillen in hoe een paard werd vormgegeven - en zo uiteindelijk ook de "hand van de meester".

FD: "Nu aan het begin van de 21ste eeuw is de link met de oorsprong doorgaans afwezig. Als iemand iets wil weten over een origineel heft dan moet diegene daar bewust naar op zoek. Er is sinds de 19de eeuw natuurlijk nogal wat veranderd. Wat toen volkscultuur was, is nu het in stand houden van een traditie. Het is nu iets naast het gewone leven, toen was het iets er middenin. Een heft werd per definitie gemaakt om te gebruiken, het werd niet in een vitrine of kast gelegd. De tegenwoordig vervaardigde producten dienen vaak als geschenk binnen familie- en vriendenkring. De neiging om qua vormgeving en thematiek dicht bij de traditie te blijven, is dan ook minder aanwezig."

Met zijn aanstaande publicatie, voorzien van door hemzelf geschilderde illustraties, wil FD zijn kennis van het paeremes en zijn makers delen met iedereen die daar belangstelling voor heeft. Zorgen over de toekomst van het paeremes maakt hij zich vooralsnog niet. Er zal altijd wel weer iemand zijn die een heft gaat snijden.

In 2012 had meester FD zelf een leerling: de 32-jarige Janneke Jacobs uit Middelburg. Op de foto, Kamperland 210412, worden beiden "ingelijst" in opdracht van SCEZ.

klik op de afbeelding voor de officiële foto

De citaten komen uit gesprekken met Frans Dingemanse en twee publicaties: Immaterieel erfgoed in de praktijk, oktober 2010, en "Het boerenzakmes", in Jeanine Dekker e.a. (red.), "Zeeuwse Streekdrachten 1800-2000" (Zwolle 2005).