kapitein tje

op zoek naar zeeland

mariël otten 2008-2017 © id img txt

 
Het paeremes en zijn makers - gesprekken met Frans Dingemanse
Frans Dingemanse ontvangt koning(-in)
Je moet er verliefd op zijn! [interview 2010]

ZIE OOK

Hand Made in Boijmans

LINKS

Frans Dingemanse
 

paeremes als volkskunst

mariël [txt+img] 151010

"Je moet er verliefd op zijn"
Gesprek met Frans Dingemanse
Maarssen, 15 oktober 2010

Het paeremes. Natuurlijk spreek ik het verkeerd uit. Ik spreek geen Zeeuws, hoewel ik het wel grappig vond toen ik op een ochtend in 't Boekenhuisje in Zoutelande het verslag aanhoorde van de kampioenswedstrijd van Westkappel en het me, tot verbazing van klant en verkoper, niet eens echt was opgevallen dat het in onvervalst dialect ging. Maar, welke definitie je ook kiest voor "Zeeuw", ik ben d'r geen. Ondanks dat ik aan het eind van een zin vaak een vrolijk "ee" laat volgen en bij mij de dingen gebeuren "op het dorp", ook al weet ik dat de eindredactie er onverbiddelijk "in het dorp" van maakt.

Frans Dingemanse verbetert niet alleen mijn uitspraak van het woord "paeremes", maar ook van "soetelande" terwijl hij me ondertussen bijpraat over het maken van een Zeeuws mesheft. Ik heb zojuist een van de vier exemplaren "Zeeuwse volkskunst" gekregen die Frans heeft meegenomen naar een door het Nederlands Centrum van Volkscultuur georganiseerd symposium in Maarssen. In de speciaal voor de gelegenheid geschreven tekst vertelt hij onder andere voornemens te zijn "iets te publiceren over de Zeeuwse volkskunst" en dat plan moet hij zeker uitvoeren, want je kan veel van Frans leren.

Frans Dingemanse (1944) was tekenleraar toen het bloed kroop waar het niet gaan kan en hij mesheften ging maken. Het allereerste mes dat in 1979 uit zijn handen kwam, ligt trots voor hem op de informatietafel. Er is ook een kleine maar indrukwekkende verzameling paeremessen van anderen te bewonderen. Daaronder het exemplaar van een goede vriend die het lang heeft volgehouden in streekdracht over straat te gaan. Maar ja, tegenwoordig mag je geen mes meer op zak hebben, ee? Vooraan op de tafel ligt het dikke boek "Zeeuwse Streekdrachten 1800-2000", onder eindredactie van Jeanine Dekker in 2005 verschenen bij Waanders, opengeslagen bij het door Frans geschreven hoofdstuk "Het boerenzakmes".

Want dat is het paeremes: een boerenzakmes. Het was in de negentiende eeuw een vast onderdeel van de klederdracht van de man. De broek had zowel links als rechts een diepe zak, met in de ene het mes, in de andere de pijp. Het paeremes was bedoeld voor alledaags gebruik, maar was bijvoorbeeld ook van levensbelang voor paard en vee dat in geval van nood bevrijd kon worden door snel de touwen door te snijden. Het was toen ook al een ding om mee te pronken, het fraai bewerkte mes stak goed zichtbaar boven de broekzak uit.

Het paeremesheft op de fotoos is het trotse bezit van Coos Huijsman.

Het paeremes heeft ergens halverwege het versierde palmhouten heft een opengewerkt gedeelte, het kooitje, opgebouwd uit verticale zuiltjes en gleufjes, waarin een loszittend stukje hout in de vorm van een balletje zit. De naam "paeremes" (paardenmes) is afkomstig van de bovenkant, de bekroning. Die wordt gevormd door een span paarden aan een voermand. Tegenwoordig worden ook allerlei andere thema's gekozen voor de versiering en oorspronkelijk was er helemaal geen bekroning, maar het model met het paardenspan is het meest populair geworden. Frans vertelt dat dit specifieke paeremes gezien kan worden als een hommage aan het leven op het platteland van het 19de eeuwse Zeeland, als een tastbare herinnering aan "de goeie ouwe tijd".

Frans snijdt zelf paeremessen, zowel heften die passen binnen de Zeeuwse volkskunsttraditie als modellen die daarvan zijn afgeleid. Dat laatste gebeurt vaak op verzoek van een opdrachtgever. Ik vroeg Frans hoe hij het ambacht heeft geleerd. Niet dus. Hij was wel enigszins artistiek aangelegd en opgeleid voor tekenleraar, dus hij kon al wel wat met zijn handen, maar dat snijden van een paeremes, daar is geen opleiding voor nodig, daar moet je verliefd op zijn. Zijn hart en zijn ziel gaan in zo'n bekroning zitten.

Dat was bij andere houtsnijders van vroeger zeker niet altijd het geval. Voor hen was het maken van een boerenzakmes een welkome bijverdienste waarbij de gebruiksfunctie belangrijker was dan het kunstzinnige aspect. Je kunt volgens Frans goed het verschil zien tussen het ene en het andere paeremes, het ene louter gebruiksvoorwerp, het ander een kunstzinnig product. Hoewel er nog steeds mensen zijn die het kunstambacht een-Zeeuws-mesheft-maken uitoefenen, zijn de meeste messen allang geen gebruiksvoorwerp meer, maar een dierbaar bezit dat men juist niet gebruikt. Een belangrijk aantal paeremessen is ook museumstuk geworden.

Frans maakt zich geen zorgen over de toekomst van het paeremes. De belangstelling ervoor is groot en lijkt zelfs toe te nemen. Het zal zeker minder vaak voorkomen dat iemand een paeremes in een zak oudvuil stopt. Hij heeft ook een antwoord op de vraag die tijdens het symposium centraal staat: "Hoe waarborg je de toekomst van immaterieel erfgoed?" Met publicaties en tentoonstellingen is de basis gelegd voor het stimuleren van belangstelling en het vermeerderen van kennis. Die tentoonstellingen zijn, zoals we regelmatig zien bij volkscultuur, vrijwel altijd particulier initiatief geweest. Steun van "instanties van bovenaf" vindt hij positief, maar niet noodzakelijk. Ook zonder die steun is het Zeeuwse paeremes als volkskunst de enige in zijn soort nog levende volkscultuur in Nederland.