WAT MAAKT(E) ONS MENS?

 

Eigenlijk weten we nog steeds niet wie of wat we zijn, omdat we nog steeds niet weten wat onze voorouders ooit anders maakte dan andere mensapen. Onder mensapen zijn wij uniek door ons obligate rechtop lopen, onze naaktheid, onze relatieve zwakheid, en onze grote schedel, maar vooral door allerlei gedragselementen, zoals de bijdrage van vaders in voeding en opvoeding van kinderen, onze enorme sociale verbanden, onze kleding, cultuur en techniek.

Het skelet van de "jongen van Nariokotome", een ongeveer anderhalf miljoen jaar oude fossiele Homo ergaster (erectus) heeft de reflectie over onze menswording enorm gestimuleerd. Anderhalf miljoen jaar geleden bestond er al een mens met een ietwat verlengde jeugdfase, met verkorte darmen, volledig aangepast aan het leven op de grond en waarschijnlijk goed in staat te rennen. Een echte jager, dachten alle onderzoekers. De extra eiwitten en vetten die het vlees bood maakten de toenname in breinomvang mogelijk, maar deze vereiste wel speciale aanpassingen, zoals een 'te vroege' geboorte en een postnatale groei van het brein. Als gevolg hiervan is de menselijke baby lang erg afhankelijk en ook de rest van de jeugdfase is tijdens de menselijke evolutie verlengt. Dat maakte het leren van complexe vaardigheden mogelijk, maar vereiste ook langdurige zorg en proviandering. Wellicht vereiste dit speciale banden tussen mannen en vrouwen of een systeem van "gedeelde broedzorg". Richard Wrangham verdedigt nu de hypothese dat het niet zozeer de jacht als zodanig was, maar eerder de ontdekking van het vuur en het koken dat voorzag in de extra voedingsstoffen nodig voor het brein. Wrangham wijst erop dat de mens al heel snel spierkracht inleverde en niet in staat is het meeste rauwe vlees te eten. (Lees verder.)