Er was echter ook de noodzaak om om te gaan met niet-verwanten, al was het alleen maar om partners uit andere groepen op te kunnen nemen. Relaties met niet-verwanten berusten meestal op wederzijdsheid, een systeem dat nogal wat cognitieve vermogen vereist. Trivers' theorie van "reciprocal altruism" en Alexanders model van indirecte wederzijdsheid voorspellen een grote rol van sociale controle, zelfbedrog en hypocrisie in de fragiele samenwerkingsverbanden op basis van wederzijdsheid, die de complexiteit van de menselijke psyche uitstekend kunnen verklaren. De structuur van onze psyche bewijst wat dat betreft dat we eigenlijk al heel lang afhankelijk zijn geweest van samenwerking. Samenwerking impliceert namelijk ook het risico van misbruik en parasitisme, wat ons gezond wederzijds wantrouwen goed verklaart. In menselijke samenlevingen wordt er doorgaans alles aan gedaan om de onderlinge vertrouwdheid te kweken die de basis kan vormen van vertrouwen en samenwerking.

Wat ons dus bindt zijn veiligheid, verwantschap, en gemeenschappelijke belangen. Wat ons onderling het meest zal verdelen is onbekendheid met elkaar en het onvermogen om te checken of iemand te vertrouwen is. Misschien een reden om eens na te denken over de vraag hoe we onze samenlevingen minder onpersoonlijk kunnen maken. Misschien mag onze sociale mobiliteit wel wat minder en moeten we ons realiseren dat we ons het best voelen bij sociale structuren die van beneden af onstaan, en niet van boven af worden opgelegd. Aan de andere kant is sociale druk en moreel leiderschap onmisbaar bij het instandhouden van een menselijke samenleving: wat er gebeurt zonder die factoren is vaak maar al te goed te zien. (Terug.)