WAT MOETEN EN MOGEN WE?

Sinds Moore in zijn Principia Ethica de vloer aanveegde met de evolutionaire ethiek van Herbert Spencer zijn filosofen erg voorzichtig geworden met het aanwijzen van normatieve ethische consequenties van de evolutietheorie. Maar is dat terecht? Een serieuze evolutionist kan zijn normen en waarden moeilijk funderen in het bestaan van God, in een abstracte plicht of in het grootste geluk voor het grootste aantal. Ook het overleven van de soort of groep biedt geen soelaas, want daar gaat het in de natuur helemaal niet om. Toch heeft de moraal iets onvermijdelijks en lijken we niet zonder te kunnen.

Morele taal is de taal van samenwerkers die bepaalde doelen en idealen delen. Daaraan ontleent het zijn gezag en quasi-objectiviteit. De misbruiker, de parasiet en de crimineel plaatsen zichzelf willens en wetens buiten het gemeenschappelijk veld van zorg en verantwoordelijkheid; buiten de gemeenschappelijk beleefde waarden en normen die de basis vormen van de moraliteit. Maar kunnnen we zomaar van alles besluiten over wat onze gemeenschappelijke normen en waarden voortaan zijn? Is consensus de enige basis? Consensus zou leeg zijn als er niet een menselijke natuur is, die bepaalde grenzen stelt aan wat we kunnen willen en wensen. Mensen zijn door-en-door sociale wezens, maar het zijn ook willende wezens die streven naar reproductief succes of naar zaken die daarmee geassocieerd zijn geraakt. Ze hebben elkaar nodig, maar moeten elkaar ook de ruimte geven om niet in conflict te raken. (Lees verder.)