RECENSIE: STORM, HRDY & WRANGHAM

Het Darwinjaar, ter viering van Darwin´s 200ste geboortedag (12 februari) en de 150ste jaar na the Origin of Species (24 november) heeft toch voor een aantal verrassingen gezorgd. Ik doel daarbij niet in de eerste plaats op de bonte stoet van schrijvers, onderzoekers, journalisten en programmamakers die opeens uit de kast kwamen als orthodoxe darwinisten, maar vooral op een paar heuse missing links ontbrekende schakels in ons ontstaansverhaal. Daartoe behoort natuurlijk de vondst van het zeer volledige skelet van Ardipithecus – een mensachtig wezen van 4,4 miljoen jaar oud, die onlangs wereldkundig gemaakt werd in Science. Daartoe behoren mijns insziens ook een paar publicaties die onze kijk op de evolutie van de mens en daarmee zelfs het begrip van onszelf mogelijk duurzaam gaan veranderen.
Mijn groeiende verbazing komt overeen met een groeiend stapeltje boeken op mijn bureau. Het eerste, Korte hoektanden, lange benen en een sexy brein, kwam al op 20 februari uit en presenteert nog het meest traditionele beeld van de menselijke evolutie. Het boek is geschreven door een echte specialist, Paul Storm, die dan ook krachtig de overtuiging uitdraagt dat er veel meer over menselijke evolutie bekend is dan leken zich doorgaans realiseren. Zij die denken dat het allemaal wilde speculatie is maken zich er eenvoudig te gemakkelijk vanaf. Het is wel degelijk mogelijk het kaf van het koren te scheiden – de wetenschappelijk ondersteunde modellen van de paleofictie. Het model dat in het boek gepresenteerd wordt en dat de auteur samenvat als het “gras-gehakt” model sluit dan ook aan bij veel bestaand paleoanthropologisch onderzoek en past goed binnen onze huidige kennis van evolutie en ecologie.
Kort samengevat komt het erop neer dat klimatologische veranderingen onze voorouders ooit uit de bomen dreven. De nieuwe groep levende wezens die onstonden vertakten zich in meerdere soorten, aangepast aan verschillende nîches. Australopitheci waren vooral gericht op plantaardig materiaal en toen de omgeving steeds droger werd ontstonden de Paranthropi die ook heel stug plantaardig materiaal aankonden en daarnaast wortels gingen opgraven. Homo ontstond uit graciele australopethici die op de klimaatwijzingen reageerden door meer vlees aan hun menu toe te voegen. De toevoeging van vlees aan het menu maakte een vergroting van de hersenen mogelijk, die voor een deel nodig was voor de productie van werktuigen en voor een deel nodig was voor complexe sociale interacties. Seksuele selectie moet minstens net zo’n grote invloed hebben gehad als pure natuurlijke selektie en ons grote brein is dan ook te vergelijken met het gewei van het reuzenhert of de fraaie staart van een paradijsvogel.
Storm werkt naar dit model toe door geleidelijk de belangrijkste fossielen van vroege hominiden te presenteren en daarbij een paar belangrijke evolutionaire en ecologische principes uit te leggen, zoals “adaptieve radiatie” (evolutionaire vertakking naar aanpassingen aan verschillende nîches) en de verhouding van prooi- en roofdieren. Regelmatig kan hij het één en ander illustreren met eigen onderzoek. Hij vertoont een verfrissend gebrek aan de behoefte om de mens te idealiseren en heeft er dan ook niet zoveel moeite mee om aan te nemen dat ook verschillende hominidensoorten elkaar het leven moeilijk hebben gemaakt. De meest waarschijnlijke oorzaak voor het uitsterven van de Neanderthaler is volgens hem de opkomst van de anatomisch moderne mens. Het is niet toevallig dat er nog maar één mensensoort over is.
Storm zit soms dicht bij het “wapenwedloop” model van menselijke evolutie, dat al teruggaat tot een passage in Darwin´s Descent of Man, maar laat zich er niet over uit. Volgens deze theorie zijn de messen van menselijke geest geslepen door een autokatalytisch proces van stammenstrijd. Ooit heb ik diverse wetenschappelijke congressen afgereisd met een poster en paper over dit onderwerp (Slurink 1992), dus volg ik de discussie erover met grote aandacht. Het idee was bij Darwin en later bij bijvoorbeeld Richard Alexander, dat competitie tussen groepen morele discipline binnen de groep zou kunnen bevorderen, omdat onderling harmonisch samenwerkende groepsleden samen succesrijker en strijdvaardiger zouden kunnen zijn dan een zielig, onderling kiftend zooitje.
Eind januari moest mijn geliefde theorie het echter ontgelden op een symposium over biologie en ethiek, georganiseerd door de universiteit voor humanistiek. Eén van de belangrijkste sprekers was Sarah Blaffer Hrdy, die ook een eredoctoraat ontving. Ondertussen is haar buitengewoon boeiende Mothers and others verschenen en zelfs al vertaald als Een kind heeft vele moeders. Hrdy claimt dat het menselijk vermogen tot samenwerking en inleving niet primair voorkomt uit stammenstrijd, maar vooral een heel andere oorzaak heeft: mensen behoren tot de groep soorten die gedeelde broedzorg kennen. Ergens in de diepe prehistorie konden kinderen alleen overleven als er zich behalve moeders ook tantes, grootmoeders, vaders, en zelfs anderen over bekommerden. Kinderen waren de zorg van de hele stam. Nog steeds staan menselijke moeders kinderen relatief gemakkelijk af aan andere verzorgers en gaan kinderen al vlak na hun geboorte van hand tot hand op een manier die absoluut ondenkbaar zou zijn bij de aan ons verwante soorten. Wat dat betreft lijken mensen minder op chimpansees en gorilla´s en hebben ze juist een aantal frappante overeenkomsten met zijdeaapjes en tamarins. Bij dit soort Zuid Amerikaanse aapjes zijn mannetjes en andere hulpouders onmisbaar voor de overleving van de jongen. Het tempo waarmee deze soorten jongen krijgen is zo hoog dat gedeelde broedzorg noodzakelijk is. Hrdy wijst ook op de schaduwkanten van het systeem, waarbij dominante vrouwtjes de voortplanting van andere vrouwtjes soms proberen te verhinderen en waarbij vrouwtjes hun kinderen soms doden als de kansen dat er voldoende beschikbare zorg is klein zijn.
Wellicht heeft het boek van Hrdy een verkapt feministische boodschap, maar zij is nooit te betrappen op een onjuiste weergave van de feiten. Zij laat juist heel goed zien dat we tot nu toe nog steeds te weinig aandacht hebben besteed aan de eigenaardigheden van ons voortplantingssysteem bij het nadenken over de menselijke evolutie. Zo is zelfs de bindingstheorie van Bowlby teveel gebaseerd op het idee dat het menselijk contact tussen moeder en kind het patroon volgt van onze behaarde zustersoorten. Onderzoekingen bij natuurvolkeren laten zien dat kinderen daar ook niet voortdurend door de moeders worden gedragen, maar ook door vaders en hulpouders. Kinderen moeten al heel jong door hebben wie bereid is tijd en energie in hun te stoppen en dat vergt speciale cognitieve en communicatieve vermogens. Volgens Hrdy gaan kinderen bijvoorbeeld brabbelen op het moment dat moeders ze meer afstaan aan hulpouders.
Hrdy probeert uiteindelijk aan te tonen dat er niet alleen speciale coöperatieve en emotionele vermogens nodig waren voor gedeelde broedzorg – zij noemt die “emotionele moderniteit” -, maar dat de verdere evolutie van deze vermogens en de ontwikkeling van het menselijk brein ook onmogelijk waren geweest zònder dit systeem. Emotionele moderniteit was ook een voorwaarde voor de evolutie van de taal die een gedeeltelijke transparantie van menselijke geesten voor elkaar veronderstelt. Daarmee wordt duidelijk dat onze speciale culturele vermogens meer voortvloeien uit een bijzondere voortplantingssysteem dan andersom.
Aan het einde van haar boek werpt Hrdy de mogelijkheid op dat het medeleven en de emotionele betrokkenheid die zij karakteristiek acht voor onze menselijkheid wel eens zouden kunnen wegevolueren. Eigenlijk geeft zij hiermee toe dat haar model toch op zijn minst eenzijdig is en dat er meerdere selektiedrukken tegelijk werkzaam zijn. Zij heeft zich kennelijk niet afgevraagd welke andere mechanismen de menselijke evolutie hebben voortgedreven en voortdrijven. Daartoe zou heel goed het door haar bestreden mechanisme van competitie tussen groepen kunnen behoren.
Een heel andere theorie over de menswording stamt van de beroemde primatoloog Richard Wrangham. Hij loopt er al meer dan tien jaar mee rond, maar verdedigt de theorie nu heel diepgaan in Koken; over de oorsprong van de mens (Catching Fire; How Cooking made us Human). Volgens Wrangham was de evolutie van het menselijk brein mogelijk doordat Homo ergaster al leerde het vuur te beheersen en voedsel te koken. Bij het koken komen dermate veel nieuwe voedingsstoffen vrij dat de voedingswaarde van allerlei plantaardig en dierlijk voedsel enorm toeneemt en voldoende wordt om een groot brein te onderhouden. Wrangham claimt dat het koken ook de oorsprong is van het menselijk paarsysteem. Kokende vrouwtjes hadden een mannetje nodig om het te bereiden en bereidde voedsel te verdedigen tegen andere mannetjes. Hoe absurd dit alles ook klinkt, Wrangham weet je in de loop van een paar honderd pagina´s toch behoorlijk te overtuigen van deze theorie. De ontdekking van het vuur moet zeker enorme consequenties hebben gehad. Archeologen menen doorgaans dat het vuur 800.000 jaar geleden is ontdekt, maar de afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid. Wrangham wijst op het dunner wordende tandglazuur tijdens de menselijke evolutie, op de verzwakte kauwspieren. De ontdekking van het vuur zou tevens goed kunnen verklaren waarom we in staat zijn onze driften uit te stellen en waarom we zo graag kletsend en roddelend bij elkaar kruipen bij het haardvuur.
Uiteindelijk weten zowel Hrdy als Wrangham toch niet volledig te overtuigen. Uit de vondsten van werktuigen en bewerkte botten van plusminus twee miljoen jaar geleden weten we zeker dat Homo ergaster een vleeseter was en dat kan de toename van zijn breinomvang verklaren. Of hij net als wilde honden een soort crèches vormde – zoals Hrdy lijkt aan te nemen - blijft uiteindelijk toch onzeker. De gemeenschappelijke broedzorg kan ook van een latere datum zijn en crèches zoals wij die kennen komen maar in een beperkt aantal culturen voor. En als Wrangham gelijk heeft met zijn theorie van het vuur zouden er toch wel wat meer verschroeide botten gevonden moeten worden. Hopelijk inspireert zijn theorie archeologen om consequent naar sporen van vuur te zoeken, maar zolang deze niet met zekerheid zijn vast te stellen, hangt zijn theorie toch wat in de lucht. Het is wèl zeker dat rond de 300.000 jaar geleden het koken steeds meer bedreven werd en dat daarna de robustheid van het menselijk gebit sterk afnam. Maar allerlei zaken die Wrangham aan zijn vuurtheorie ophangt – bijvoorbeeld het menselijk paarsysteem – waren toen wellicht al onstaan.
Naast het skelet van Ardi (Ardipithecus) zullen de theorieën van Hrdy en Wrangham naar mijn smaak nog lang doorwerken in pogingen ons ontstaansverhaal compleet te krijgen. Hoezeer we het stadium van pure paleofictie ook aan het ontgroeien zijn, ons ontstaansverhaal is toch nog steeds één grote onvoltooide puzzel. Er is nog alle reden om voorlopig nog even “puzzled” - dus heel anglicistisch “gepuzzeld” - te blijven als we naar de mensachtigen om ons heen en in de spiegel kijken.

Paul Storm: Korte hoektanden, lange benen en een sexy brein. Het ontstaan van de mens door natuurlijke en seksuele selectie. ISBN 978-90-78707-07-3. Norg (Dr.): DrukWare. 2009. € 29,95. Gebonden.
Richard Wrangham: Koken. Over de oorsprong van de mens. ISBN 978 90 468 0586 2. Nieuw Amsterdam Uitgevers 2009. € 19,95. Paperback.
Sarah Blaffer Hrdy: Een kind heeft vele moeders. Hoe de evolutie ons sociaal gemaakt heeft. ISBN  978 90 468 0656 2. Nieuw Amsterdam, 2009. Paperback. € 29,95.