Mijn grootouders

Mijn grootvader Jan Klein, geboren in 1843 in Alkmaar, heb ik zelf niet gekend. Hij was van de eerste generatie uit onze familie die van Alkmaar naar Haarlem trok. Evenals zijn vader, H. Klein, was ook hij schoenmaker. Ongeveer in 1866 moet hij van de straat Ritsevoort in Alkmaar [1811 DN of 1811 DM] naar Haarlem gekomen gekomen zijn en trouwde hier in september 1872 met Elizabeth van Brussel. Ik weet dat hij eerst een schoenenwinkel had in de Koningstraat en later in de Ridderstraat 3 [2011 RR Haarlem]. Grootvader was al in 1906 overleden.

Mijn grootmoeder, geboren maart 1843 en overleden januari 1924 in Haarlem, kan ik me wel herinneren. De laatste jaren leefde zij op een hofje. Dat hofje, “De Groene Tuin” genaamd, was in de Warmoesstraat gelegen. Als kind zijnde kwamen we wel bij haar op bezoek. Het was een monumentaal gebouw. De entrée was een paar stoeptreden omhoog en dan stond je voor een mooi bewerkte, dubbele eiken deur. Na een ruk aan de mooie koperen trekbel werd door de portierster open gedaan. Je kwam dan in een grote hal met een portierskamer, vandaar kwam je in de tuin, waaromheen aaneengesloten de huisjes van de bewoners lagen. Het was een mooi heel rustig hofje. Als je eenmaal binnen was, merkte je niets van het stadsgewoel daar buiten.

Grootmoeder woonde daar met haar zoon, onze oom André. Omdat hij niet helemaal volwaardig was, mocht haar zoon bij hoge uitzondering ook inwonen. Mijn grootmoeder sliep beneden in de huiskamer, waar zich een alkoof bevond. Dat was een bed in een kast waarvan de dubbele deur overdag dicht was. Het huisje had maar één kamer beneden en een trapje naar de zolder, waar oom André dan sliep. Oom André werkte bij Figee, de machinefabriek, eerst op de Leidsevaart, waar hij de buitenkraan die aan de Leidsevaart stond, moest bedienen. Kraandrijver noemde men zo iemand voor het lossen van materiaal vanaf de boten. Later werd die fabriek daar opheven en het personeel naar de fabriek van Figee aan het Noorderspaarne overgeplaatst. Hier moest men elke dag met een veerpontje over het Spaarne gezet worden.

Ik kan me van grootmoeder verder niet zoveel herinneren. Het staat me nog wel bij, dat het er altijd erg stil was op het hofje. In haar kamer stond een ronde mahoniehouten tafel met mahoniehouten stoelen bekleed met rood leer. Er was een schoorsteenmantel waarop de pendule stond [welke nu bij mij in de kamer staat]. Als dat klokje ging slaan, was dat wel het enige geluid wat je hoorde. Er stond ook een flinke vierkante kachel waaraan veel nikkelbeslag, een koperen doofpot en een gietijzeren kolenbak, verder een mooi mahoniekastje voor glaswerk. Een groot fotoportret van opa.
Verder herinner ik mij nog goed dat wij met Sinterklaas bij grootmoeder op het hofje moesten komen. Mijn ouders woonden toen in de Jansstraat. Dus liepen wij, vader, moeder en de vijf kinderen, naar de Warmoesstraat. Toen we haar kamer binnenkwamen, stond de ronde tafel vol met cadeautjes. De Sint had deze keer alles op het hofje gebracht. Nou, we keken onze ogen uit: voor ieder van ons lag er speelgoed uitgestald. Verder weet ik nog dat grootmoeder 's zondags na de mis in de Jozefkerk aan de Jansstraat bij ons een glaasje kwam drinken. Ze gebruikte dan meestal een borreltje met elixer erin. Dat het nou een echte lieve grootmoeder was, nee, dat kan ik niet zeggen. Als kinderen vonden wij haar nogal streng. Het was nou niet direct een gemoedelijke oude dame. Ze was ook altijd in het zwart gekleed met rokken tot aan de grond. Op straat had ze zo'n kapoet hoedje op en droeg een zwart tasje met zilveren beugel.

Bij haar begrafenis weet ik nog dat we mee mochten, waarbij wij voor het eerst in ons leven in een rijtuig reden naar de begraafplaats aan de Schoterweg. Dat was een heel evenement, wat ons nog lang bij bleef. Enige dagen na de begrafenis mocht ik met vader en broer Jan wat meubelen en ander huisraad ophalen uit het hofje. Dat ging toen in 1924 nog met een handwagen. Nu was er in de Lange Veerstraat een poort, de achteruitgang van de Groene Tuin, daardoor moesten dan de spullen naar de wagen gebracht worden. Een van ons moest dan om beurten bij de wagen blijven posten. Vader en oom André brachten dan de huisraad via de binnentuin naar de poort. De inventaris was natuurlijk maar gedeeltelijk voor ons. Want oom Jaap, de oudste zoon van oma, hij was getrouwd met tante Bets, kreeg natuurlijk ook zijn deel. Nu was tante Bets nogal een beetje hebberig aangelegd, en zoals dat wel meer gaat met erfenis verdelen, kwam ook hier wel strubbeling aan te pas. Tante Bets had al gauw beslag weten te leggen op die mooie kachel. Maar dat ging niet door, want mijn vader had deze kachel in die tijd voor zijn moeder gekocht bij Schous op de Gedempte Oude Gracht [nog steeds op dit adres gevestigd: IJzerhandel Schous van 1854, Gedempte Oude Geacht 30, 2011 GR Haarlem]. Dus ging die kachel naar ons huis. En nog jarenlang heeft hij bij ons de kamer verwarmd.
Nu was er in de Lange Veerstraat eenrichtingverkeer. We mochten er wel inrijden, maar niet terug. Eigenlijk moest je dan de Korte Veerstraat en het Spaarne langs nemen. Vader vond dat wel een grote omweg, dus wij trokken de handwagen de verkeerde richting de straat uit tot aan het Klokhuisplein en draaiden we de wagen om en zo naar de Jansstraat. Ook ging het schemeren en de wagen moest voor donker afgeleverd zijn. In die tijd was er wel minder verkeer op de weg, maar politie kwam je veel vaker tegen op straat dan tegenwoordig.

Mijn grootvader van moeders kant, Andreas Hommerich, heb ik maar een keer een paar weken meegemaakt, zover ik mij herinner. Hij was namelijk een Duitser en woonde in Westfalen in het plaatsje Hattingen a/d Ruhr. Mijn moeder was ook van geboorte Duitse. Het moet namelijk in 1925 geweest zijn, dat deze grootvader Andreas Hommerich (geboren september 1844) een paar weken bij ons kwam logeren. Wij woonden toen in de Ben Viljoenstraat 26. Een hele prettige herinnering heb ik van deze opa overgehouden. Het was een rijzige figuur met een mooie witte baard. Toen hij bij ons kwam logeren, was hij al 80 jaar. Ik was net als mijn broers en zus Leny nog op school. Alleen zus Tony was nog thuis. Zo gebeurde het in die weken dat opa met Tony aan zijn hand ons van school tegemoet kwam. Wij liepen altijd langs het Spaarne. En als we opa dan van veraf zagen, liepen we om het hardst om het eerst bij hem te zijn. Het was een heel vriendelijke en gezellige opa. Ik heb er fijne herinneringen aan. Jammer dat het maar drie weken duurde. Een jaar later, op 15 november 1926, kregen we bericht dat opa was overleden. Het was voor mijn moeder wel gelukkig dat hij een jaar tevoren nog een paar weken geweest was.

Van mijn grootma van moeders kant weet ik eigenlijk niets; zij moet al vroeg gestorven zijn.