De school aan de Nieuwe Gracht

  • foto
  • Aan de gevel stond met grote letters: “R.K. School St. Jozef anno 1912” [Nieuwe Gracht 16, 2011 NE, tegenwoordig zijn hier gevestigd: kinderdagverblijf Kakelbont en Stichting Jeugd en Gezin]. Het was de parochieschool van de kerk van de Jansstraat, een lagere jongensschool die wij, mijn twee broers en ik, hebben doorlopen. Aan het hoofd stond mijnheer Speller; wat onderwijs betrof, had de “school van Speller” wel enige faam in Haarlem.

    Deze school, in 1912 opgericht, was voor die tijd vrij modern. Er was onder andere een grote gymnastiekzaal bij met alle turntoestellen. We kregen dan ook wekelijks les van een gymnastiekleraar. Er waren twee speelplaatsen, een voor de twee laagste klassen en een grotere voor de hogere klassen. Speller was een typische hoofdonderwijzer, altijd een zwarte bolhoed op, een opvallende horlogeketting sierde zijn vest. 's Morgens voor negenen stond hij altijd aan de buitendeur met de handbel in zijn hand en keek dan geregeld op zijn horloge of het nog geen tijd was. Een minuut voor schooltijd klingelde zijn bel over de straat en dan moest je binnen zijn. Precies om negen uur ging de deur dicht, als je dan nog kwam, dan was je dus te laat.

    Het onderwijzend personeel bestond in mijn tijd uit twee onderwijzeressen en vijf onderwijzers, of meesters, zoals ze toen genoemd werden. Dan was er nog de conciërge, die 's winters elke dag de kachels moest aanmaken. De twee eerste klassen waren op de begane grond: juffrouw Jansen stond in de eerste klas, in de tweede juffrouw Koelen. Juffrouw Jansen was niet zo jong meer, maar wel een zachte lieve onderwijzeres. Juffrouw Koelen was jonger en moderner. Mijnheer Van Dooremalen stond in de derde klas, zijn vader had een slagerij in de Korte Begijnestraat 7, waar ik wel eens een stukje worst ging halen [Weduwe W.J. van Dooremalen, varkensslager]. Hij was in de derde mijn meester, maar is later als onderwijzer naar het toenmalige Nederlands Indië vertrokken. In zijn plaats is toen onderwijzer Spronk of Verberne gekomen. Spronk was de meester met een klein snorretje, woonde in de Reitzstraat. Op zijn fiets reed hij dan ook altijd langs het Spaarne naar huis. Mijnheer Brockbern was wel de oudste van de onderwijzers. Hij hield wel van een grapje, we mochten hem ook wel, maar alles op zijn tijd. Het mocht niet te lang duren, dan was het: “niet leuteren, jongens, aan het werk”. Mijnheer Nederkoorn was wel de minst populaire. Hij droeg een bril. Enige keren per dag werd die bril opgewreven met zijn pochet. Had hij die bril dan af, dan keek de man erg scheel. Daarom had hij al gauw de naam “Schele Willem”. Hij kon ook het minst orde houden in zijn klas. Bij de andere meesters werd nog wel vaak zangles gegeven, maar bij Nederkoorn werd nooit gezongen. De hoogste klas was altijd voor mijnheer Van Buuren, een geschikte man, tamelijk klein, donker haar, resoluut in optreden. In het speelkwartiertje was zijn pijp onafscheidelijk. Hij woonde in Heemstede in de Oude Posthuisstraat. Die onderwijzer ging in die tijd twee keer per dag naar Heemstede. Mijnheer Brockbern, hij woonde op het einde van de Leidsevaart tegen de Zandvoortselaan, ook op de fiets, weer of geen weer. De leerlingen woonden ook vaak ver van school, maar geen enkele kwam op de fiets naar school. In de binnenstad woonden eigenlijk maar weinig leerlingen. Velen kwamen uit de Amsterdamse Buurt naar de Jozefschool en uit het Schoterkwartier, zoals ook wij, naar de school van Speller.

  • foto
  • In de eerste twee klassen werd nog lei en griffel gebruikt. Daar hoorde een griffeldoos of sponsendoos bij waar de griffels in bewaard werden en waar ook een sponsje in zat om de lei schoon te vegen. Een aardigheidje was om bijvoorbeeld een groene erwt of een bruine boon bij het vochtige sponsje te leggen, die ging dan na enige tijd uitlopen, zodat er een groen stengeltje uitgroeide. In de derde klas begon men met pen en inkt te schrijven. Men zat met zijn tweeën in een bank. De in de bank verzonken inktpot werd door beiden gebruikt. 's Morgens om half elf was er een speelkwartiertje; alle klassen gingen dan naar de speelplaats en daar werd geknikkerd of aan bokspringen gedaan. Tegen de muur handen staan, was ook een sport. Enkelen waren daarin zeer bedreven, zoals Arie Wijtkamp en Kees Thijssen. Zij liepen op hun handen een eind over de speelplaats. Echt voetballen mocht niet, daar was ook geen ruimte voor met zoveel jongens. Wel was er natuurlijk af en toe een vechtpartijtje tussen twee knapen, dan ging het er ook wel eens heftig aan toe. Sommige jongens liepen toen nog op klompen en was er zo een in gevecht met een ander, trok hij zijn klomp uit en bewerkte er zijn tegenstander mee in het gezicht. Voor de andere was dat natuurlijk een rel, die dan aangevuurd moest worden met het roepen: “Hu, Hu, Hu... ”. Dan kwam een van de onderwijzers uit het gymnastieklokaal, waar deze gezamenlijk tijdens het speelkwartiertje verbleven, om de vechtersbazen uit elkaar halen, die intussen meestal over de grond lagen te rollen. Natuurlijk zat er dan straf op voor die twee knapen. Zo verliepen de dagen en jaren hier op school.

    Een enkele keer in het jaar was er een aparte dag, bijvoorbeeld met de feestdag van St. Jozef, de patroon van de school, en ook werd er elk jaar het Heilig Hartfeest gevierd. Dat gebeurde in de gymnastiekzaal. Daar werd dan het Heilig Hartbeeld geplaatst en versierd met bloemen en palmboompjes. Door de leerlingen werden dan religieuze liedjes gezongen onder leiding van een onderwijzer. Ook de pastoor van de Jozefkerk was bij die gelegenheden aanwezig. Dagelijks om vier uur klingelde de bel het einde van de schooldag in. Ongeveer zo'n 200 jongens verlieten dan de school.

Voor ons was de kortste weg naar huis langs het Spaarne, en daar was wel het een en ander te beleven. Voor je aan de brug over de Kloppersingel was, kreeg je de houthandel van Bremen, hier kon je kijken naar de lorries die over een rails liepen, beladen met hout dat vanaf de schepen naar de loodsen brachten. De lossers hadden een leren schootsvel voor om het beschadigen van hun kleren te voorkomen bij het laden en lossen van het hout. Ernaast was de fabriek van Gonnerman. Aan de Spaarnewal lagen van deze fabriek altijd grote ijzeren pijpen en buizen, waar we evenwichtlopen op oefenden. Het was als je langs de fabriek kwam meestal een oorverdovend lawaai door het aan elkaar klinken van de buizen. Dat werk werd vaak bij open deuren verricht.
Voorbij de brug over de Kloppersingel kwam je langs een steenwerf en een sodafabriek, dan kreeg je de werf Conrad met de houten ophaalbrug, als je daarover was, kwam de brug over de Paul Krugerkade, vandaar links langs de machinefabriek van Boeken- en Huidenkoper en de koekfabriek van Van Dijk naar huis langs de Spaarneoever. Daar stonden op regelmatige afstand flinke houten palen met ijzeren koppen welke dienden om met dikke touwen boten vast te meren. Wij gebruikten die palen voor bokspringen als we spelenderwijs naar huis liepen. Zo was het altijd roerig en bedrijvig langs het Spaarne.
Vaak speelden we ook op de lege dekschuiten die aan de kant lagen. Op die schuiten waren ijzeren luiken, waardoor je in de benedenruimte kon komen. We tilden zo'n ijzeren luik dan omhoog en lieten ons naar onder zakken. Voor broer Jan liep dat een keer niet goed af: terwijl hij zich met zijn hand aan de opstaande rand vasthield, viel het zware ijzeren luik ineens dicht. Zijn hand werd hierdoor zo bekneld, dat er een paar vingers bijna verbrijzeld werden. Hevig bloedend zijn wij toen helemaal naar het Elizabeth Gasthuis [is nu De Egelantier] gelopen, daar werden zijn vingers gehecht. Gelukkig voor Jan is alles weer goed gekomen, maar een litteken bleef op zijn vingers altijd te zien. Later liepen we ook wel met klasgenoten uit het Schoterkwartier de andere weg naar huis, over de Jansweg en Schoterweg, maar daar viel veel minder te beleven.

  • foto
  • In 1928 had ik de school doorlopen. Op het einde van het laatste schooljaar werd door onderwijzer Speller een feestelijk tintje aan het afscheid gegeven. Hij gaf ons dan tevens in ernstige bewoordingen raad mee voor ons verdere leven in de maatschappij. Dan konden we ook allemaal iets uitkiezen voor het ambacht of vak wat je gekozen had, een stuk gereedschap, bijvoorbeeld een schaaf voor een timmerman, of een troffel voor een metselaar, een aktentas voor een kantoorbaan. Ik wist in die tijd nog niet helemaal wat ik wilde worden, daarom vroeg ik om een vulpen. Het is niet meer deze, waar ik nu mee schrijf. Wel heb ik er vele jaren plezier van gehad. Het was er ook een met 14 karaat gouden pen. Dat is nu 64 jaar geleden. Het was een mooie herinnering aan een leuke schooltijd.