Overgang naar de maatschappij

  • foto
  • Een keerpunt in je leven komt als je de schoolbanken verruilt voor werken bij een baas. En dan nog wel in een vak waar je voordien nog nooit van gehoord had. Ik had de lagere school doorlopen, maar wist toen nog niet welk vak ik zou willen leren. Een advertentie in de parochiekrant waar een leerjongen gevraagd werd bij de edelsmid Thijssen werd de drempel naar de andere wereld. Ik ging er met mijn moeder op af, vlak in onze buurt: Schoterweg 2. Op de gevel van het oude 18de-eeuwse huis, lazen we op een bord: “W. en A. Thijssen, kunstdrijvers en edelsmeden”. We werden binnengelaten door de patroon, en na een kort informatief gesprek, werd ik aangenomen als leerjongen. Eigenlijk was ik nog geen 14 jaar, maar die paar weken was geen bezwaar. Op een maandag in augustus 1928 was ik dan 's morgens om half acht in het atelier present, eerst werd kennis gemaakt met de andere personeelsleden, het waren er vijf, dan was nog de broer van de patroon Antoon, die hier meesterknecht was, een vijftiger die al even streng was als zijn broer Wim. Zoals dat toen ging als broekie, was je in het eerste jaar meer duvelsjager voor de andere personeelsleden, allerlei werkjes werd je opgedragen, waarvan je niet veel leerde, maar die toch noodzakelijk waren. De overige tijd werd besteed aan het beoefenen van het in koper krassen van een of ander meetkundig figuur, het figuurzagen in metaal en het ciseleren. Was het zaterdag, werd de hele morgen tot 1 uur besteed met het schoonmaken en opruimen van het atelier. Alle hamers en ijzeren staken en dat waren er wel veertig, moesten wekelijks met fijn schuurpapier gepolijst worden. Winterdag was het je werk om elke morgen de kolenkachel, die midden in de werkplaats stond, aan te maken. Dat gebeurde dan met lange turf en een scheut petroleum, en dan cokes of eierkolen er later op.

Hoewel ik wel goed met de collega's kon opschieten, had je als jongste broekie soms wel wat te verduren, want in pesten en in de maling nemen, waren ze soms goed. Maar ook daar kom je overheen. Op den duur leerde je dan ook het mooie handwerk. In het atelier werden uitsluitend kerksieraden gemaakt, meest van zilver, een hoogst enkele keer van goud en veel van koper, zoals kandelaars en kruisen, mooie kelken en monstransen van zilver, alles zuiver handwerk. Het personeel was gespecialiseerd: de een was enkel koperslager, de ander ciseleur en graveur. De broer van de patroon was een vakbekwaam zilversmid. Onder het personeel was ook nog Brabander, een aardige man. Op het eind van de week zei hij tegen mij: “Heb je al een verhuiswagen besteld?” Ik vroeg waarvoor, “Om je eerste weekloon in te doen”, zei hij. De lonen werden zaterdags uitbetaald door de patroon, voor mij was dat twee gulden [€ 0,90]. Trots ging ik er mee naar huis, mijn eerste verdiende loon.

Het edelsmeden was een veelzijdig beroep, dat je niet zo maar even aanleerde. Als leerling zijnde kreeg je met van alles te maken: het ciseleren en solderen, het metaal in een bepaalde vorm drijven met de hamer, het verzilveren en vergulden, metaal pletten en metaal rekken, dat is draad trekken op een trekbank. Je had met allerlei zuren te maken: salpeter- en zoutzuur, vitriool en koperbeits. Ook moest je secuur volgens tekening werken. Ik ging dan ook naar de avondtekenschool in de Kamperstraat 37 [Ambachtschool]. Vijf jaar lang elke winteravond naar school. Dat nu die eerste winter naar de avondschool 1928–1929 een zeer strenge winter werd, was wel toevallig. Op alle singels en grachten werd geschaatst. We gingen dan ook met schaatsen naar de avondschool en terug over het ijs naar huis. Het systeem bij Thijssen was dat er elk jaar een leerjongen bij kwam, zo was het dan, dat ik na een jaar een trapje hogerop ging en zogenaamde 2de leerjongen werd. Je was dan ontheven van allerlei rotklusjes en boodschappen doen en kreeg je meer tijd om vakwerk te doen. Sommige leerlingen waren met een paar jaar alweer vertrokken. We hadden dan ook geen makkelijke baas, hij kon soms heel erg lastig wezen. Vaak vielen er dan ook woorden als een werkstuk niet naar zijn zin was. Uiterst kritisch werden de werkstukken door hem beoordeeld. De patroon werkte voornamelijk boven aan de tekentafel en maakte de ontwerpen voor de diverse opdrachten. Geduld heb ik daar dan ook wel geleerd. Urenlang zat je soms te polijsten om het metaal zuiver vlak en glad te krijgen.

Een vereiste was natuurlijk dat je de tekenschool of kunstnijverheidschool bezocht. In Haarlem was de kunstnijverheidschool opgeheven. Een collega ging 's avonds naar de avondkunstnijverheidschool in Amsterdam. Voor mij was daar geen denken aan, die luxe was voor mijn ouders niet te betalen. Ik hield het dus maar bij de avondtekenschool in Haarlem. Vijf jaar in hetzelfde lokaal, met dezelfde leraar. Je komt in je leven wel eens met mensen in aanraking, die van grote invloed in je latere leven zijn geweest. Zo iemand was onze tekenleraar. Aan hem heb ik veel te danken. Zo is mijn belangstelling voor de kunstgeschiedenis bij hem begonnen.
Mijnheer A. (Dr. Johan Anton) van der Boom was overdag leraar kunstgeschiedenis aan de academie in Den Haag. Op de avondschool bracht hij ons zo tussendoor met interessante vertellingen wegwijs in de wereld van de beeldende kunst. Deze interesse is mijn leven lang met veel voldoening bij gebleven. Mijnheer van der Boom was een prettige leraar, ongeveer 35 jaar oud, vakbekwaam in het ontwerptekenen en in kleurcombinatie met waterverf. Hij bracht ons met de moderne stijl in aanraking, door voorbeelden te kopiëren van eigentijdse kunstenaars. In ons lokaal zaten enkel handwerklieden, schilders, glazeniers, edelsmeden, typografen enz. Er werd een uur in de week in een ander leslokaal projektietekenen gegeven. Zo ben ik 5 jaar bij Thijssen in dienst geweest. Maar een vakbekwaam edelsmid ben je dan nog niet. Om dit vak in alle opzichten vakkundig meester te zijn, moet je meer opleiding genoten hebben. De crisis van de dertiger jaren werd ook in deze branche gemerkt; er kwamen steeds minder opdrachten binnen, zodat er ontslagen vielen en met halve dagen werken, het nog een beetje gerekt werd, totdat in de zomer 1933 ook voor mij de deur achter mij dicht ging.