Van 1934 tot 1943: als expeditiewerker

Ondanks het feit dat het jaar 1933 een dieptepunt was, niet alleen voor mij, maar ook voor vele anderen in deze crisisjaren, heb ik toch nog een fijne vakantie mogen genieten. De rest van het jaar was weinig bemoedigend. Er was helemaal geen vraag naar personeel. In de openbare leeszaal werden alle kranten uitgepluisd door werklozen om te ontdekken of men nog een of ander baantje in de advertentiepagina tegen kwam. Je moest eigenlijk zelf maar gaan solliciteren bij een of andere zaak en vragen of men je kon gebruiken. In Haarlem was in mijn vak al weinig keus. Edelsmeden waren er niet veel. Daarbij was het een vrij luxe vak. Als er dus bezuinigd moest worden, dan waren deze artikelen wel het eerst aan de beurt om het aanschaffen op de lange baan te schuiven en de nodige reparaties zo lang mogelijk uit te stellen. Ik herinner me nog dat ik een keer op een koude dag in het najaar op de fiets naar Utrecht reed om te solliciteren bij de bekende edelsmid van Brom. Ik kwam daar na uren fietsen verkleumd aan. Ik werd wel binnen gelaten, dat gaf al enige hoop, maar stond na enige minuten, zonder succes, al buiten. Men was bij Brom ook al blij dat men er net kon blijven doordraaien, maar meer personeel, nee, daar was geen behoefte aan. Ik stapte dus weer op de fiets, terug naar Haarlem.

Het jaar 1934 bracht een lichtpuntje. Het nieuwe jaar was nog maar net gestart, toen ik door een sollicitatie een baantje kreeg. Ik had geschreven op een advertentie van een wasserijbedrijf voor buitenwerk bij “Haak” in het Kleverpark. Nu wilde het toeval dat mijn vader, door zijn werk bij de wasmachinefabriek van Rekers, nogal eens bij Haak aan het klussen wad, zo ook nu in die dagen. Hoes, dat was de directeur van Wasserij “Haak”, informeerde bij mijn vader naar mijn persoontje, of ik een geschikte jongen was enz. Het resultaat was: ik kon maandag daar beginnen. Hoewel het geen werk was wat me erg aantrok, was ik toch blij eindelijk weer eens wat te kunnen doen en wat te verdienen.

Het was de bedoeling dat ik een nieuwe klantenwijk bij elkaar zou colporteren. Eerst huis aan huis reclame: circulairen in een bepaalde buurt rondbrengen, waarna de volgende dag naar aanleiding van deze reklame men nieuwe klanten moest werven. Nu was dit wel geen zwaar werk en het gaf 10 gulden [€ 4,50] in de week, verder ging het op provisiebasis van elke nieuwe klant kreeg je een bepaald percentage bij je tientje. Wel had ik met dit baantje een tamelijk vrij leven, was ook de hele dag buiten, een groot verschil met het atelierwerk bij Thijssen. Daarbij had ik een vooruitstrevende baas met sociaal gevoel voor zijn personeel. Er werkten in de expeditie twee chauffeurs, die elk de hele week wasgoed ophaalde en het weer thuisbezorgde. In de wasserij werkten buiten wat mannelijk personeel tientallen meisjes als strijkster, mangelster, perster, vouwster of inpakster. Het was dat mijn baas een echte doorzetter was, anders had ik dit werk al lang opgegeven. Vaak was het na een hele dag huis aan huis colporteren, dat je op het eind van de dag maar zeggen en schrijven één nieuwe klant wierf. Maar dan zei baas Haak: “Morgen misschien weer geluk”. Hij jaagde je nooit en was nooit ontevreden over het resultaat. Zo ging het eerste jaar voorbij, een klein klantenwijkje was intussen ontstaan. Op een transportfiets met voorop een grote mand ging ik 's maandags mijn wijk in om het wasgoed op te halen om het op het einde van de week weer thuis te bezorgen. Ik was begonnen in het Kleverpark, geleidelijk werd heel Haarlem-Noord erbij betrokken. Het ging voornamelijk om fijn wasgoed, zoals overhemden en boorden. De grove was in manden en zakken bezorgden de chauffeurs met de auto. Het gezegde “de aanhouder wint” bleek met dit baantje goed van toepassing. In 1936 immers was mijn wijk intussen aardig uitgebreid, werd de transportfiets verruild voor een driewielige motorbakfiets. Dat was een hele verandering. Ik moest afscheid nemen van de fiets, wat me inspireerde tot een Ode aan de fiets.

Hoewel ik nu gemotoriseerd over de straten en wegen reed, was het winterdag wel nodig om een leren jas en leren kap te dragen. Vooral als veel sneeuw was gevallen, en dat was in de jaren dertig geen zeldzaamheid, kostte het soms heel wat inspanning om de klanten te bereiken. Of je zat vast in de hoge sneeuw of de motor weigerde dienst en liet het afweten. Zo had je 's winters door het weer allerhand ongemak. Mijn baas zag dat ook in en een jaar later was de motorbakfiets van de weg en kreeg ik een klein bestelautootje. Mijn rijbewijs had ik intussen reeds gehaald, door 10 rijlessen voor ƒ 15,- [€ 7] bij een rijinstructeur te nemen. Nou, dat was een hele verbetering. Ik reed nu comfortabel met mijn autootje door de wijk en geleidelijk werden ook de verdiensten opgevoerd tot het niveau van een expeditiewerknemer. Het was een typisch verschijnsel dat in de crisisjaren, waar het toch bij de meeste zaken niet erg florissant ging, men in de wasserijbranche maar weinig nadeel van de crisis ondervond. Men kon zelfs uitbreiden. Het waren voor mij dan ook, ondanks de grote werkloosheid die overal heerste, aangename prettige jaren. Ook vader was in 1934 zonder werk gekomen. Maar op zijn leeftijd was de kans verkeken om nog werk te vinden. Met zijn vijven brachten de kinderen evenwel voldoende geld binnen, zodat moeder in het huishouden redelijk kon rondkomen op bescheiden niveau. Toen het echter in 1938 en 1939 iets beter ging worden met de economie in ons land, werden we weer door een andere tegenslag bedreigd. De oorlog lag namelijk in het verschiet. In 1939 was ook de mobilisatie begonnen. En in de meidagen van 1940 werd Nederland door de Duitse legers overvallen. Onze tegenstand duurde vijf dagen. En toen kwamen er geleidelijk grote veranderingen. Wat mijn werk betrof, dat ging voorlopig nog wel gewoon door, hoewel de klanten zeepbonnen moesten inleveren als men wasgoed bij de wasserij liet behandelen. En zo kwamen er allengs meer verorderingen van de vijand. Ook moesten de auto's na enige tijd ingeleverd worden. Bij ons bedrijf mocht voorlopig een auto gebruikt worden voor het bezorgen van klanten buiten Haarlem, zoals Amsterdam, Zaandam en Zandvoort. Mijn autootje werd dus ook weer verruild voor een gewone bakfiets. En toen kwam de ellende weer. In de oorlogswinters van 1941 en 1942 viel enorm veel sneeuw. Aan de zaak werkten we met 4 bakfietsen. Met die dikke sneeuwwegen ging men met elke bakfiets 2 man de wijk in. Een moest voor aan de bakfiets met een touw over de schouder door de sneeuw trekken, terwijl de ander aan het stuur voortduwde. Er werden daarvoor hulpkrachten aangenomen, er waren genoeg gegadigden voor dit werk met zoveel werklozen in deze jaren.

  • foto
  • Ondanks al die ellende maakten we onder elkaar ook wel vrolijke dingen mee. We waren jong en bekeken het optimistisch. De directeur bleef goed voor zijn personeel zorgen. Hij organiseerde soms een gezellige personeelsavond in de zaak en stelde wat, wat uitzonderlijk was voor deze tijd, een week vakantie in het jaar in. Dan werd het bedrijf een week gesloten. Zo ben ik die eerste vakantieweek met collega Jan van Waart op de fiets naar Zuid-Limburg geweest. In Simpelveld overnacht, welk bezoek nog een staartje kreeg. Maar hoe verder de tijd verliep en de oorlog in omvang steeds groter werd, maar de overwinningskansen voor de vijand geleidelijk minder werden, werd ik toch in 1943 opgeroepen om in Duitsland te gaan werken, Nu kon ik natuurlijk geen gehoor geven aan die oproep en gaan onderduiken, maar volgens mijn optimisme zou de oorlog nu spoedig ten einde zijn. Nu kon ik kiezen voor een opleiding aan de Fokkerschool als instrumentenmaker of onderduiken met de gedachte dat na drie maanden de oorlog wel afgelopen zou zijn, volgde ik die cursus bij Fokker in Amsterdam. Maar na drie maanden duurde de oorlog toch nog twee volle jaren.