Twee jaar Neurenberg 1943–1945

In de meidagen van 1943 moest het er dan van komen. Gepakt en gezakt nam ik afscheid van thuis en met andere Hollanders in groepsverband per trein naar Duitsland. Voorlopig bleef men bij elkaar, later werd overgestapt naar verschillende richtingen. Zo waren er die naar Osnabrück gingen of naar Berlijn. Ik was met een groepje ingedeeld voor Neurenberg in Beieren. Hier werden we door een begeleider opgevangen. Deze man bracht ons met de tram naar Noordoost-Neurenberg. We werden ondergebracht in een soort kamp, waar allemaal houten barakken stonden. Ons groepje werd zo'n barak toegewezen. Het interieur bestond uit 20 bedden, telkens twee boven elkaar, een tafel en een kachel. Nadat ieder zijn slaapplaats had uitgekozen, werd de bagage hier achtergelaten en weer met een begeider mee naar de binnenstad voor het maken van pasfoto's en andere formaliteiten, die nodig waren voor een legimitatie, een zogenaamd “Ausweis”. Voor mijn werk kwam ik terecht op de fabriek van Leistritz, waar vliegtuigonderdelen werden gemaakt. Zo'n tien Hollanders uit onze barak werkten hier op deze fabriek. Ik werkte op de instrumentmakersafdeling, dus precisiewerk. Zwaar was het werk ook niet, ik kon het zittend af. Maar de werktijden waren lang en dat was wel weer vermoeiend. Om zes uur moest je elke morgen op je werk wezen. Dat betekende elke dag om vijf uur opstaan, aankleden, wassen buiten in een speciale wasbarak en 20 minuten met de tram door de stad naar de fabriek. Om half acht was er dan een kwartier pauze om je ontbijt te gebruiken en verder op de dag nog een kwartier rust. Om half zes zat de dagtaak erop. En dan weer met de tram naar de barak. Hier was een centrale keuken waar je dan een warme maaltijd kon gebruiken.
In het kamp waren woonbarakken voor Fransen, Tsjechen en Polen. In onze barak waren zo'n twaalf Hollanders en twee Vlamingen. De man die de leiding over het kamp had, was een Duitser uit Keulen. Gelukkig nog al een geschikte man, die het goed met ons voor had. Omdat ik degene was die aardig Duits kon spreken, heeft hij mij als verbindingsman aangesteld. Ik moest dan als tussenpersoon voor mijn kamergenoten de lopende zaken behartigen. Bij zo'n 14 jongens onder elkaar in de leeftijd van 20 de jongste en 42 de oudste, waren er begrijpelijk allerlei types. Ook was er een oudere man van in de vijftig uit Leiden, die niet op onze fabriek werkte, net als de andere Leidenaar Gerard Paes. Ik meen dat er zes jongens uit Haarlem kwamen, een uit Bennebroek, twee uit Amsterdam en drie uit Heeze [Noord-Brabant]. Ik meende dat er vier getrouwd waren, de andere waren vrije jongens. We leefden in een soort communiteit, ieder had zijn verplichtingen, onder andere om de beurt een barak schoonmaken en in de winter de kachel aanmaken. Toen we de barak betrokken, hadden we de zomer voor de boeg. Dan is het leven wat makkelijker, hoewel bij warm weer kon het in deze houten barakken 's nachts knap warm zijn, maar 's winters duchtig koud. De kachel werd met cokes gestookt. We kregen een bepaalde hoeveelheid brandstof toegewezen, daarmee kon hij 's nachts niet blijven branden. De meeste jongens zochten dan tijdig hun kooi op onder de molton deken, ook al omdat ze 's morgens zo vroeg op moesten.
De eerste tijd bleef het in Neurenberg vrij rustig met de oorlogshandelingen, maar na drie maanden vielen er toch enkele bommen in de stad. Een bom viel in ons kamp, maar gelukkig voor ons trof hij alleen de kampkeuken en wel grondig, hij kon niet meer gebruikt worden en werd ook niet meer opgebouwd. Van die tijd af kregen we dan ook geen warme maaltijden meer. Nu kregen we levensmiddelenbonnen toegewezen. Hiermee konden we in de restaurants in de stad ons eigen menu uitzoeken, dat was voor ons een hele verbetering. Het gehalte van het eten uit de kampkeuken was vaak beneden peil. Voor sommige jongens was het eten zo waardeloos, dat zij op een houtvuurtje bij de barak zelf hun potje klaarmaakten. Op den duur wisten we wel waar je in de stad het lekkerst en ook het voordeligst kon eten.
Mettertijd leerden we elkaar in de barak beter kennen. Natuurlijk waren er verschillende types onder. En hoewel we onder elkaar redelijk konden opschieten, waren er toch wel eens strubbelingen. Vooral de drie Brabanders uit Heeze waren niet direkt de makkelijkste jongens. Zij werkten ook niet bij ons in de fabriek, ze waren zeer onverschillig en hun taal was grof en ruw. Vooral de oudste van de drie was opvliegend van aard. De jongste heette Graatje en was 18 jaar. De tweede Brabander heette Albert en was de geschikste van de drie. Met hem ben ik eens op een wandeltocht geweest. Zaterdagmiddag waren we om 1 uur vrij en gingen dan 's middags te voet op stap, namen onze deken mee en sliepen bij mooi weer onder de blote hemel, om dan 's zondags weer terug te wandelen door de mooie natuur op onbekende wegen. Onder de vier die getrouwd waren, kwamen er twee uit Haarlem, Jansen en Knook, zij werden dikke vrienden met elkaar en zonderden zich een beetje van de anderen af. De getrouwden kregen nog een keer de gelegenheid met verlof enige weken naar huis te mogen, maar moesten wel weer terugkomen op tijd. Dan was er nog Arie van Bakel uit Bennebroek, een serieuze jongen, die nooit vergat voor en na zijn eten te bidden, een tikkeltje naïef, was geboren met twee aan elkaar gegroeide vingers en twee tenen die een geheel vormden. Arie kreeg altijd veel brieven en pakketjes van zijn ouders uit Bennebroek, schreef natuurlijk zelf ook veel naar huis. Dan de twee Amsterdammers die altijd praatjes hadden: Smit en Tops. Het meeste ging ik met een paar Haarlemmers om: Ton van der Vaart en Giel Rip, die ook bij mij op de fabriek werkten. Ook met Gerard Paes trok ik veel op. Hij was degene die het eerst de barak verwisselde voor een mooie kamer. Een Duitse collega van zijn werk zorgde er voor dat Gerard bij hem kon inwonen. Dat was natuurlijk veel geriefelijker, tevens werden zijn kleren gewassen en onderhouden, iets wat wij zelf moesten doen. Met die lange werkdagen, elke morgen om vijf uur opstaan, was de zondag voor de meesten wel een dag om erg lang op bed te blijven liggen. Arie en ik waren eigenlijk de enige van onze ploeg die 's zondags naar de kerk gingen. Voor ons was het lang uitslapen er dan ook niet bij. Het was ook heerlijk om zondagmorgen eens rustig Neurenberg te bekijken. Er waren kerken genoeg om de Mis bij te wonen en zo kon je zelf het uur bepalen voor de dienst. Na de kerk kon je meteen weer naar de barak terug, maar als het mooi weer was, bleef je nog een paar uur in de stad ronddolen.
Neurenberg was een interessante stad met veel middeleeuwse bouwwerken, een burcht en torens van de oude stadomwalling. In die twee jaar dat ik hier was, heb ik alle bezienswaardigheden wel bekeken. Van de beroemde stadgenoot Albrecht Dürer heb ik hier veel gezien. Een stad met een rijk verleden. Bekende kunstenaars, vooral onder de handwerklieden zoals beeldhouwes, bronsgieters, schilders, uurwerkmakers en drukkers hadden hier hun domicilie, getuigen nog de prachtige fonteinen en beelden die de stad sieren. Een keer dat ik aan mijn hand een verwonding had opgelopen, wat mij drie weken in ongevallenwet bezorgde, kreeg ik mooi de gelegenheid musea en de bibliotheek te bezoeken. De wond was niet van ernstige aard, maar van de dokter mocht ik er toch niet mee werken. Eigenlijk kwam het er op neer, dat ik drie weken kon gaan en staan waar ik zin in had. Een enkele keer voor controle bij de dokter was de enige verplichting. Ja, de Hollanders werden over het algemeen redelijk behandeld. Natuurlijk was het wel gedwongen arbeid, was verplicht op die fabriek te werken, als je het niet beviel, kon je niet op eigen houtje veranderen en de benen nemen naar Holland, ging ook niet. Hoewel sommigen dat wel probeerden, maar kwamen meestal niet ver. Voor straf werden ze dan door de Duitsers bij terugkomst geheel kaalgeknipt, zoals al die Russen bij ons in de fabriek. Die Russen waren allemaal krijgsgevangenen, zowel vrouwen als mannen. Zij waren echte dwangarbeiders die niets te vertellen hadden. Ze liepen ook nog in hun soldatenplunje en kregen weinig te eten. Zij kwamen in groepsverband. 's Morgens, lopend onder toezicht van Duitsers, vanuit hun kamp naar de fabriek, om 's avonds weer op dezelfde wijze teruggebracht te worden. Er waren goeie vaklui onder, zelfs ingenieurs die achter de machines werkten. Onze bedrijfsleider was een echte bullebak. Een kerel met handen zo groot als een kolenschop en deze gebruikte hij ook nog wel eens om er mee in hun gezicht te slaan als er iets niet naar zijn zin was. Die krijgsgevangenen moesten zich dit maar laten welgevallen zonder iets van tegenweer, want iets van verzet werd meteen afgestraft.

Wij verdienden in de fabriek aardig geld en kregen voldoende levensmiddelenbonnen om rond te komen, zodat we soms wel eens wat brood aan die Russen konden geven. Dat moest wel heel geheimzinnig gebeuren, want met krijgsgevangenen praten of iets geven was voor ons streng verboden. Een van ons, Giel, hij was in de veertig, maar was een geboren scharrelaar, hij rommelde altijd met de levensmiddelenbonnen en sigaretten. Zo was hij ook een keer tegen de lamp gelopen door brood aan de Russen te geven. Hij moest bij de bedrijfsleider op kantoor komen en werd flink afgestraft met die kolenschop van de bullebak, zodat het bloed op zijn gezicht stond. Ja, zolang je maar in het gareel liep bij die Duitsers, had je geen last. Alleen als je maar even buiten hun boekje ging, had je al narigheid. En dat wist je nu eenmaal. De Duitsers, of ze nu gemoedelijk met je omgingen, tegenwerking duldden ze niet.

Wij, Hollanders onder elkaar in Neurenberg, hadden een zogenaamde Hollandse club. Een Hollander was officieel aangesteld als verbindingsman, een betaalde baan, en hield kantoor in de stad. Als er moeilijkheden waren op de fabriek of in de barak, kon je bij hem terecht. Een keer heb ik zijn hulp ook in moeten roepen en is hij bij ons in de barak gekomen, om orde te scheppen. Dat was nodig toen de Brabanders weer zo obstinaat en vechtlustig waren. Er was geen garen mee te spinnen. Ze stonden al snel klaar om deze of gene met een mes te bedreigen. De man heeft toen een hartig woordje gesproken met de Brabanders en zo de strubbelingen weer bijgelegd. Men maakte zo ook van alles mee. Zowel prettige als ook soms nare dingen. Een keer met Pinksteren dat we twee dagen vrij waren, zijn we met zijn drieën, Giel, Ton en ik twee dagen gaan wandelen. Het was prachtig zomerweer en we wilden er wel eens uit. Onze moltondeken namen we mee en wat proviand voor onderweg. Op avontuur naar onbekende streken, want een kaart hadden we niet. We liepen in noordelijke richting vanuit Neurenberg naar bosgebied. Natuurlijk hadden we veel plezier onderweg. Giel, de bietser, was wat je noemt een vrijpostig mannetje. Onderweg belde hij onder andere gewoon aan bij een zusterklooster en met een medelijdend gezicht vroeg hij dan aan Moeder Overste of er niet wat te eten voor ons was, omdat we het zo slecht hadden. Moeder Overste had medelijden met ons en maakte een broodmaaltijd voor onderweg klaar. Erg dankbaar namen we het in ontvangst en vervolgden onze tocht. Dat we hier over nog veel gelachen hebben met zijn drieën, is te begrijpen. Toen het tegen de avond wat duister begon te worden, gingen we het bos in en zochten een geschikt plekje om te slapen. Toen we dat gevonden hadden, werd eerst ons kloosterbrood genuttigd. Daarna draaiden we ons in de moltondeken en legden ons te ruste. Het was een beetje zoelige warmte geweest die dag. De warmte hing ook nog in het bos om zo te zeggen. We dachten het zal wel loslopen met de regen, maar nee, geleidelijk gingen de druppels komen. We voelden ze op ons gezicht en de druppels gingen over in echte regen. Dat was een tegenvaller. Wat nu, vroegen we ons af. Het was stikdonker en een onbekend bos. Welke richting moesten we op en hoe ver was het lopen om in de bewoonde wereld te komen. We waren het in ieder geval met zijn drieën over eens niet te blijven liggen en maar op goed geluk aan de wandel te gaan. Onze dekens over ons hoofd geslagen en in stromende regen op stap. Het was stikdonker, een bospad was niet te zien. Giel liep voorop, hij had een sigarettenaansteker in zijn hand. Met dat vlammetje kon zo nu en dan even bijgelicht worden. Zo liepen we alle drie achter elkaar als nachtelijke spookfiguren. Onze dekens werden loodzwaar door het vele regenwater. Hoe lang we zo gelopen hebben, weet ik niet precies, maar op een gegeven ogenblik zagen we in de verte toch een lichtschijnsel. Een teken dat we het einde van het bos naderden. En jawel, we bereikten even later een openbare weg, dat moest wel naar een of ander dorp leiden. Het was een asfaltweg, dat liep ook prettiger en daarbij brak het daglicht door en de regen verminderde geleidelijk. Toen na een tijdje het helemaal droog werd, kwam de zon zelfs door. Zo moesten wij het net hebben. Het was een erg rustige weg waar we op liepen. Nog geen mens hadden we gezien. Het was natuurlijk ook nog erg vroeg. Nu was het probleem, hoe krijgen we onze drijfnatte dekens droog. De zon moest ons ook maar helpen. We spreidden onze molton dekens op het asfalt uit, gingen er zelf naast zitten en maar wachten tot de zonnestralen het droogwerk gedaan hadden. Zelf deden we intussen een dutje aan de kant van de weg, want daar hadden we wel behoefte aan na die korte nachtrust. Aan de enkele auto die ons passeerde, vroegen we de weg. We zaten in de buurt van Lauf, nog een paar uur lopen naar Neurenberg. We hebben hier zeker nog enige uren liggen opdrogen en zijn toen weer opgestapt richting Neurenberg.

Al was het dan oorlog, we waren jong en hadden onder elkaar toch wel eens leuk vertier. Van de Hollandse club in Neurenberg kregen we ook een enkele keer een gezellig avondje aangeboden. Door de Hollanders zelf georganiseerd. Ik heb daar zelf met andere jongens cabaretstukjes opgevoerd, dat werd dan afgewisseld met muziek van een eigen bandje. Ook Oud- en Nieuwjaar werd zo gezellig mogelijk met de bewoners in onze barak gevierd. Dat daarbij velen met hun gedachten bij hun ouderlijk huis verbleven, was begrijpelijk. De Kerstdagen van 1944 ben ik naar oom Reinier gereisd. Die woonde toen in Hirschberg aan de Saale, vlakbij Hof. Ik had vergunning gevraagd om met de trein te reizen, buitenlanders mochten namelijk niet op eigen gelegenheid per trein de stad uit. Ik kreeg dan ook een bewijs mee van de fabriek, wel moest ik zorgen weer op tijd terug te zijn, werd nog eens uitdrukkelijk gezegd. Reinier woonde daar in een verrukkelijk mooie natuur in het dal van de Saale. Hij was daar van Siemens heen verhuisd, een erg onopvallende streek voor vijandige bommenwerpers. De Kerstdagen heb ik daar gezellig doorgebracht. Reinier tracteerde royaal op eten en drinken in een restaurant, waar hij ook dagelijks kwam dineren. Hij bewoonde een gehuurde kamer bij een weduwe. Hij sliep er alleen, eten deed hij altijd buitenshuis. We maakten prettige wandelingen in de omgeving. De 2de dag ging ik weer terug. Tot het einde van 1944 was het in Neurenberg opvallend rustig geweest met de oorlogshandelingen. Wel hadden we veel luchtalarm, dan was het hardlopend de schuilkelders in. Ook op de fabriek kwam dat dikwijls voor. Dat bracht dan wel vaak veel werkonderbreking teweeg. Voor ons betekende dat, vrij van werk en maar zitten wachten in de kelder tot het signaal veilig kwam. Een enkele keer had een bom wel eens wat geraakt in de stad. Meestal waren het overvliegende bommenwerpers, waardoor het alarm afging.
Maar het jaar 1945 bracht weldra grote verandering te weeg. Het was de avond van 2 januari. We hadden net gegeten in een restaurant, toen er weer luchtalarm afging. Wij, we waren met zijn drieën, naar de dichtsbijzijnde schuilkelder gingen. Toen wij weer naar buiten kwamen, zagen we een enorme ravage. De binnenstad lag totaal in puin. De bommen hadden hum werk goed verricht: overal branden en ingestorte gebouwen. Het stationsgebouw was één grote ravage. Tramrails stonden rechtop in de hoogte, met kracht uit de grond gerukt door inslaande bommen. De enorme rookontwikkelingen beletten ons de weg te vinden. We wilden natuurlijk zo gauw mogelijk naar onze barak. Hele stukken moesten we omlopen, wilde je niet ingesloten raken door de brandhaarden. Ondertussen waren we elkaar al kwijt geraakt, zodat ik alleen verder ging. Alle electriciteit was uitgevallen. Het was dan ook aardedonker. Onze barak lag zeker een uur lopen uit het centrum. Geen enkele tram die meer reed. Toen ik dan na uren dwalen eindelijk bij onze barak aan kwam, stond ik wel verbaasd te kijken. Niets, maar dan ook niets was er van over. Al mijn spullen totaal verbrand. Natuurlijk ook van mijn medebewoners, waarvan ik er nog een paar sprak bij onze verbrande spulletjes. Ik realiseerde me nu ook dat ik niets anders meer bezat dan wat ik op dat moment aanhad. Een enkele barak in het kamp was nog behoorlijk in tact gebleven, daar hebben we de nacht doorgebracht. Van slapen kwam natuurlijk niet veel, maar de kachel gaf warmte. En al hadden we die avond genoeg warmte ondervonden, bij deze warmte kwamen we toch weer een beetje bij van al die emoties. Onze fabriek was deze keer ook flink geraakt, maar de direktie had voordien al maatregelen getroffen. Al enige tijd voor de bombardementen was men bezig de fabriek te verplaatsen naar een veiliger oord, meer afgelegen en gecamoufleerd in bosgebied. Dit was zo'n dertig kilometer ten zuiden van Neurenberg, richting Neumarkt in het dorpje Gsteinach. De Russische krijgsgevangenen moesten daar vele bomen omzagen om een open ruimte te creëren voor het bouwen van de nieuwe fabriek en voor de woonbarakken van het personeel. De 8ste januari zijn we dan ook naar Gsteinach vertrokken. Onze barak was net klaar gekomen, dus namen we hier onze nieuwe huisvesting in gebruik. Lang heeft het evenwel niet geduurd. Aan alles was te merken dat het de laatste stuiptrekkingen van de Duitsers waren. Vrijdag 13 april 1945 was onze laatste werkdag hier in Gsteinach.

Het verdere relaas van de thuisreis heb ik apart beschreven in mijn dagboek. Het is door mij in die dagen op schrift gezet en geeft dus alles van deze reis weer, zoals het zich van 15 april tot 19 juni 1945 zich werkelijk afspeelde. Het is uit mijn oorspronkelijk dagboekje hier overgeschreven om het te laten lezen aan degene die het interesseert.