De thuisreis van 20 april tot 19 juni 1945

Zondag 15 april 1945: de aanval op Nürnberg is begonnen. We horen vele vliegtuigen en artillerievuur boven de stad.

16 april: we blijven in onze barakken en vernemen in de loop van de dag van de leiding van de fabriek dat we ons zelf maar verder moeten verzorgen.

18 april: in de vroege morgen om half twee krijgen we een seintje: een goederenwagen van de Duitse Wehrmacht stond vol levensmiddelen op het station Ochenbruck, een half uur gaans van onze woonbarak. Ik ga met drie Hollanders en de Amerikaan Aedelhardt, deze is Duitser, maar heeft vele jaren in de U.S.A. gewerkt en is op onze hand. Hij houdt trouwens van een avontuurtje. Met ons vijven gaan we op pad. We organiseerden een ijzeren trekwagen uit de fabriek. De heren die de leiding van de fabriek in handen hadden, waren trouwens gisteren ook al spoorloos. We zijn de hele nacht met die zware ijzeren wagen heen en terug naar de wagen in de weer geweest. Onze zelfverpleging is begonnen en goed! Voor 7 uur werd nog een grote zak, met 2 man moeilijk te torsen, in de grond in het bos ingegraven. Deze zat vol met spek, allemaal in mootjes, ingezouten in cellofaan verpakt. We hadden nu genoeg levensmiddelen, alles in blik, de man 200 repen chocolade en 700 sigaretten in busjes van 25 stuks.

Die nacht vloog het artellerievuur om onze oren en hoorden we onophoudelijk mitrailleurs. Van 15 tot 20 april duurde het verzet van Nürnberg. Vrijdag 20 april, juist op de verjaardag van Hitler, capituleerde Nürnberg en werd door de Amerikanen bezet. Ook na de capitulatie van deze stad, toen men vanuit Nürnberg de richting Neumarkt oprukte, een 40 km ten zuidoosten precies onze richting. We wachten nog enige dagen af tot alles wat rustiger werd. Ook spoedig waren hier in Gsteinach reeds Amerikanen. 's Nachts bewaakten we om de beurt onze barak. Er was steeds zwaar artillerievuur te horen. De Duitse S.S. gaf het namelijk nog niet helemaal op en komt weer een keer terug in Ochenbruck. Weer zijn we even Duits. De Amerikanen maken er weer spoedig een einde aan door het dorp in brand te schieten.

Maandag 23 april probeerde ik eerst te voet Nürnberg te bereiken om te zien hoe vriend Gerard Paes het zou maken. Deze woonde namelijk bij een particulier in. Ik kwam echter niet verder dan Dutzenteich, een voorwijk van Nürnberg. Hier werd ieder die zich op de weg bevond, opgevangen en in en tuin achter een café opgesloten. Met velen was ik dus Amerikaans gevangene. Hoe lang dit zou duren, wist men niet. Hier ontmoette ik nog enige Rotterdammers, die in Ochenbruck gelegerd waren. Zij waren reeds drie dagen op weg naar Holland, maar nog niet ver gevorderd. Zij hadden in een trekwagentje hun bagage en stonden nu ook hier opgesloten. Zij meenden echter nu gelijk op transport gezet te worden en rechtdoor naar Holland te reizen. Ik geloofde er echter niet zo direct in, gezien niet enkel buitenlanders, doch ook Duitsers werden opgevangen. We kregen intussen wel trek in eten. En daar wij zo het een en ander bij ons hadden, maakten we in de tuin een houtvuurtje aan en kookten ons een maaltje. We vonden zelfs wat verderop een bak met gekookte aardappelen, die we gauw bakten met wat spek. Even later kwam zelfs een van ons met een blik sperciebonen aanzetten, ook gevonden. Onder grote belangstelling van de Duitsers sloegen wij dan aan het koken en braden. De Duitsers vonden dat niet zo gek. Ze moesten evenwel toekijken en zich met het vuur te warmen tevreden zijn. Het leek wel of het geluk met ons was. Uit een hoop rommel en afval van lege etensblikken door de Amerikanen achtergelaten, vond ik een vork en mes met het merk U.S.A. Een Rotterdammer vond een tweedelig aluminium etensbord, alles militair etensgerei. Dat kwam natuurlijk goed van pas. Deze Rotterdammer was in Ochenbruck de kok geweest bij de jongens, dus was hier weer in zijn vak. We lieten het ons goed smaken en de omstanders vonden ons, Hollanders, gehaaide jongens. Nog waren we bezig met de laatste restjes te verorberen, toen opeens vrij gegeven werd. Alles vloog naar de uitgang en binnen enkele minuten was de hele mensenmenigte verdwenen. Wij bleven alleen bij een dovend vuurtje. Wat nu? De drie Rotterdammers wilden hun tocht verder vervolgen en vroegen mij om mee te gaan. Daar had ik evenwel niet veel zin in. Allereerst moest ik dan al mijn bagage daarbij de georganiseerde levensmiddelen uit Ochenbruck achterlaten. Dat vond ik wel een beetje te veel schade. Dan de andere kant was ik nu wel bij drie toffe jongens aangesloten die, althans twee ervan, goed Engels spraken. Daar kon je onderweg natuurlijk wel gemak van ondervinden. Ik stond nog zo'n beetje de situatie te overdenken, toen een van de drie een auto ontdekte, ergens in een straat naast de tuin. Met zijn tweeën gingen ze er op af, Het was een driepersoons Opel. De richtingaanwijzer stond nog uit, dus was nog niet zo lang geleden bereden. Ze probeerden te starten, het lukte evenwel niet. Hij zat nog wel met 1/4 benzine, de accu mankeerde echter iets. We reden ons trekwagentje erheen en laadden de bagage vlug in de Opel, want intussen regende het aardig. Trouwens de hele middag was buiig geweest. De trekwagen werd achteraan gebonden. Een man achter het stuur, zo duwden de andere drie onze nieuw gevorderde wagen de weg op. We liepen de brede weg langs de Rijkspartijdaggebouwen en probeerden zo of onze auto wilden starten. Hij vertikte het echter. We zouden hem evenwel naar een kennis van een onzer rijden, die in Fischbach woonde bij een garagehouder, die tevens monteur was. We liepen dan zo duwend de weg af, Ongeveer een twintig minuten hadden we zo gelopen, daar stopte ineens een Amerikaanse jeep voor ons. We moesten stoppen en dit was het einde van ons plan om met dit wagentje spoedig Holland te bereiken. Door de Amerikanen werd namelijk elke buitenlander verboden op eigen gelegenheid naar huis te gaan. Alles moest onder geleide der Amerikanen op transport gebeuren. Men moest op verzamelplaatsen bijeenkomen en van daar geregeld om de paar dagen met auto's naar de diverse landen in het Westen, zoals Frankrijk, België en ook Holland afgevoerd worden. En of onze jongens, die perfect Engels spraken, nu lang of kort redeneerden, er was niets aan te doen. Onze poging werd totaal verijdeld toen de Yankees onze Opel in de kant reden en de banden kapot schoten, zodat ze hierdoor onbruikbaar werd gemaakt. We hadden intussen afgesproken dat de Amerikanen die drie Rotterdammers met hun bagage zouden meenemen naar zo'n verzamelplaats in Fischbach. Ik had daar geen idee in, zou weer naar Gsteinach terugkeren naar mijn vrienden. Ik nam dus afscheid van de drie Rotterdammers en vervolgde mijn weg. Echter een weinig rijker als toen ik deze morgen vertrok, kwam ik in Gsteinach aan. Ik had namelijk het bagagewagentje van de Rotterdammers overgenomen. Dit was een vierwielig houten karretje, een zogenaamde bolderkar van een dokter uit Ochenbruck afkomstig. Thuis gekomen waren de jongens al druk bezig met het pakken van hun koffers en tassen. Ze hadden namelijk vernomen dat in Lauf een verzamelplaats was voor buitenlanders, vanwaar deze per U.S.A. autotransport naar het Westen vertrok. Lauf lag nu om precies te zijn 36 km van hier en dat lopend met alle bagage was niet zo eenvoudig. De vreugde was natuurlijk groot, toen ik met mijn bolderwagen tevoorschijn kwam. Nu kon tenminste alle bagage mee en hoefden we niets achter te laten. Na eerst wat spek in de pan gebraad te hebben met wat aardappelen, ging ik ook mijn spullen inpakken. Het werd die avond natuurlijk niet vroeg voor we sliepen. De volgende morgen zou de Duitser Aedelhardt, Ton en ik eerst onze baal spek uit de grond halen en verdelen, ieder het zijne.

Dinsdag 24 april met verschillende anderen was ik ongeveer zeven uur op. Ton moest natuurlijk zoals gewoonlijk gewekt worden. Een kwartier later waren we met zijn drieën op weg, het wagentje bij ons, om de baal spek te vervoeren. Het was 5 minuten van onze woonbarak in een kuil van een ontwortelde boom. Aedelhardt behield zijn deel in een lege munitiekist en groef deze in. Wij behielden ons deel in de zak en brachten hem naar de barak. Hier was men weer druk bezig met pakken. Ook de vijf Polen maakten zich reisvaardig voor vertrek, waarschijnlijk naar Nürnberg. Zij reisden om ongeveer 10 uur af met de zware 2-wielige wagen van de fabriek. Van de boekhouder van de fabriek ontvingen we nog de man 100 Mark (50 euro) als tegemoetkoming van achterstallig loon, meer geld was op de fabriek niet aanwezig. De leiding was trouwens weg en met de boekhouder konden we nogal goed opschieten. We namen afscheid van enige overgebleven Duitsers waar we in dezelfde barak mee samenwoonden. Het huilen stond hun nader dan het lachen. Wij hadden heel wat betere vooruitzichten, we waren bevrijd door de U.S.A. Zij bleven achter in het onzekere over de toekomst. Zo verlieten we om ongeveer 12 uur het dorp Gsteinach met zijn achten: 7 jongens en een Amsterdams meisje. De trekkar was schouderhoogte geladen met koffers, tassen en kisten. We waren natuurlijk in goede stemming, want het doel was Holland. Onderweg werd verschillende keren halt gehouden, of om de inwendige mens te versterken of om onze wielen in te smeren, want ons trekwagentje begon onder deze zware last nog al eens te kreunen. Bij gebrek aan vet of olie, gebruikten we boter. Het was die dag nogal warm en de boter dun. Daar we nogal langs de boerderijen met veel kippen kwamen, kregen we wel trek in een gebakken eitje. We opperden het plan om bij zo'n boer wat eieren los te krijgen. Maar voor geld kregen we niets, dus toen maar een ruiltje met onze chocoladerepen gedaan. De boer hapte gretig toe, hoewel sommigen wel wat royaal met hun repen omsprongen. We hadden de man 2 eieren, deze werden gebakken in de open lucht en zo hoefden we geen honger te lijden. Onze Amsterdamse was wel vrolijk, maar ook zo lui als een varken. Aan huishoudelijk werk, wat we dan onder die omstandigheden verstaan, deed ze totaal niets. Van de 200 repen chocolade die we ieder hadden, had ze al zoveel gegeten, dat ze moest overgeven en in sigaretten roken was ze ook een ster. Enfin, we hadden die dag toch 28 km afgelegd. Die nacht overnachtten we bij een boer, ook al in ruil voor levensmiddelen.

De volgende morgen [woensdag 25 april 1945] om negen uur weer afmars naar Lauf. Hier kwamen we ongeveer om 1 uur aan. Nu op zoek naar de verzamelplaats. Een “doorgangslager” noemden ze dat hier. Om 4 uur konden we ons entree hier maken. Eerst moesten we natuurlijk naam en adressen opgeven. We waren er met 20 Fransen. Voor eten werd goed gezorgd: blikken vlees, brood en koffie. Maar hoelang we hier zouden blijven, wist niemand. Iedere dag werden we zoet gehouden met beloften over transport naar Frankfurt per U.S.A. auto. Maar we bleven in Lauf. Soms kwamen er nog meer groepjes Fransen binnenwaaien. Maar deze werden toch na enige dagen afgetransporteerd naar Nürnberg. Toen deze weg waren, hebben we ons pension eens een goede beurt gegeven, alle handen werkten mee om de inwendige wanorde te herstellen. De Fransen zijn namelijk niet zo helder. Ons pension was een zaaltje van een aangrenzend café tegenover het station. Bedden, houtwol, matrassen, kasten, soldatenkleren, alles lag door elkaar. Daar het de volgende dag zondag was, wilden we het dan ook een beetje huiselijk maken.

[Donderdag 26 april] Zo kon ik de volgende morgen ook eens naar de kerk. We maakten iedere dag ons potje klaar op een houtvuur in de voortuin. We aten er goed van, want er was genoeg. Jammer dat het weer wat minder mooi werd, daar we totaal niets anders te doen hadden, dan eten, slapen en … afwachten maar. Iedere dag konden we bericht van de aftocht ontvangen. Dus wilden we geen risico nemen, door op eigen gelegenheid te gaan. We ontvingen nog wat eten, dat we in lange tijd niet geproefd hadden, zoals rijst, gries, appelmoes en tube kaas. Ook werd het electra in orde gemaakt, zodat we de avonden vrolijker konden doorbrengen. Verder was het maar wachten. Hoewel ik mij niet verveelde, ik waste onder andere mijn kleren, hiervoor was gelukkig wel een goede gelegenheid aanwezig. Uren liep ik door een bos te dwalen of las een boek.

Zaterdagmorgen [28 april] kwam het ineens bij mij op om Gerard Paes op te zoeken in Buchenthal bij Nürnberg, als hij daar tenminste nog zou zijn. Ik pakte wat levensmiddelen in en om 11 uur verliet ik Lauf. Het regende flink, maar ik had een goede regenjas georganiseerd, een militaire jas. Om half 3 kwam ik er aan. Gerard was niet thuis. Hij was per fiets van zijn kostvrouw, zijn oom aan het bezoeken die 50 km verderop woonde. Om 6 uur kwam hij terug.

Ik bleef er slapen en nam zondagmiddag [29 april] om half vier afscheid van de familie Sintl en van Gerard. Deze ging met zijn oom vanaf Nürnberg naar Holland. Te voet ging ik terug naar Lauf, waar ik om 7 uur aankwam. Het was voor mij weer eens een echt huiselijk weekend geweest bij de familie Sintl.

Het is intussen maandag 7 mei en met vreugde vernemen we 's middags om 2 uur: de capitulatie van heel Duitsland is een feit. Het weer werd gelukkig ook stukken beter, de zon is op de dag zeer krachtig, we kunnen bruin worden. De dekens en matrassen worden buiten geslingerd en zo wachten we af, ons verkwikkend aan de voorjaarszon.

's Middags [woensdag] 9 mei komt evenwel het lang verwachtte nieuws: morgen om 8 uur afrijden. We stonden die morgen om 6 uur op en om half negen gingen we weg. Een stel Fransen en onze club van acht. Met twee U.S.A. auto's vanaf de Markt in Lauf naar Würzburg 100 km verderop. Allemaal staande in de vrachtlegerwagen kwamen we om 12 uur aan. Het was erg warm die dag. We werden ondergebracht in een grote kazerne. De eerste indruk was vijf grote gebouwen, in het midden een exercitieterrein, waar de transporten werden afgeladen. De meesten die hier aankwamen, of er reeds waren, waren Fransen. Voor de Hollanders was een vleugel beschikbaar. We meldden ons en verrichtten de nodige formaliteiten. Vernamen dat we binnen hoogstens drie dagen zouden afreizen naar Maastricht, gelijk met de Vlamingen. We hoopten allen stellig dat dit zou gebeuren, want het was in een woord gezegd een grote bende. Hoofdschuld was dat er geen water was, waardoor de WC's niet te gebruiken waren. Men deed zijn behoefte maar waar men het kwijt wilde, zodoende hing er een ondragelijke stank in heel het gebouw. Een auto met een watertank reed de hele dag af en aan, om honderden mensen van drinkwater te voorzien. Het was een opeenhoping van allerlei slag mensen, die schreeuwden bij de tank met drinkwater. Water om te wassen werd niet gegeven, daar was een gemeenschappelijke waterbak voor, waar ieder zich in waste en wat nooit ververst werd. Door de ondragelijke stank sleepten verschillenden, ook ik, onze matrassen naar buiten en gingen in de open lucht slapen, hoewel je daar ook al niet rustig sliep. Dan was het weer een stel Fransen die schreeuwend en zingend over het exercitieterrein kwamen. Ook kwam er wel midden in de nacht een transport binnen. Grote koplampen van militaire wagens kwamen dan op de plaats af, waar je lag te slapen. Dus moest je gauw je matras opnemen en wat verder op gaan liggen.

Zo bleven we hier dan weer dagen wachten, dag in, dag uit, zonder ook maar enig teken dat we spoedig zouden vertrekken.

Eindelijk op vrijdag 18 mei werd het opstellen geblazen, om 2 uur op het binnenterrein met bagage, eerst groepscontrole, daarna enige minuten verderop naar het treinemplacement, een gesjouw met koffers, kisten en zakken. Hier stonden een 40 wagons, in elke goederenwagen werden 40 man ingedeeld. We kregen intussen nog wat tijd om water te halen. Onze aftocht begon om 5 uur. De locomotief met zijn 40 wagons achter zich zette zich langzaam in beweging. We waren nu wel op weg, maar het ging uiterst langzaam. Zo om het half uur stopten we een poosje.

Om 11 uur stopten we 14 km voor Frankfurt, waar we de nacht bleven staan. Dat er bij ons van slapen niet veel kwam, kan men zich indenken. In een goederenwagon met 40 mensen, daarbij al de bagage, geeft niet veel ruimte om behoorlijk te gaan liggen. De meesten hingen dan ook zo'n beetje op en over hun koffer en daarbij brak er 's nachts nog een kort, maar hevig onweer los. We waren allen blij dat weer het daglicht doorbrak. Toen het eindelijk zaterdagmorgen was, deden we onze schuifdeur open en ontdekten we dat we op een rangeerstation waren. Vele treinen stonden hier, we zochten wat water om ons te wassen op het emplacement en vertrokken weer om 9 uur langs Frankfurt en Mainz. Hier bleven we weer enige uren staan op het geheel verwoeste hoofdstation van deze stad. De zon scheen heerlijk. Op enige goederenwagons met hout geladen, welke op een rails naast de onze stonden, gingen Ton, Gé en ik heerlijk in de zon liggen, een deken op het hout uitgespreid en bleven er liggen tot het signaal van vertrekken blies. We waren nu zo aan de zon gewend, dat we het binnen veel te bedompt vonden. We kropen dus op onze eigen wagon en bleven daar onder het rijden ook op liggen. Zo passeerden we de nieuwe Rheinbrug bij Mainz, de “Franklin Rooseveltbrug” genaamd. Deze werd in gebruik genomen op de dag dat Roosevelt overleed. Het was eigenlijk maar een noodbrug, door Amerikaanse militairen gemaakt op een houten fundament met enkel spoor. Het was een heel smalle brug. Zeer langzaam reed de trein er over. Wij op het dak zagen ver beneden ons, aan beide kanten niets dan water. Veel verder dan Mainz zijn we die dag niet gekomen, een 100 km van Saarbrücken.

Van zaterdag op zondag 19 en 20 mei sliepen we, althans een tiental van ons, als landverhuizers op het dak van de wagon, een paar dekens bij ons, maar koud was het niet. Een deel van de nacht reed de trein nu door, al was het dan met een slakkengangetje. We reden door enige tunnels. Het had zelfs even geregend, hoewel ik daar niets van gemerkt had. Doordat nu een 10 man op het dak sliep, was er voor de overigen in de wagon wel meer ruimte gekomen, om wat verder te kunen slapen.

Toen ik die morgen ontwaakte, was het Eerste Pinksterdag. De trein stond ergens stil, ik keek op en naast ons stond een andere goederenwagen geladen met levensmiddelen. Verschillende jongens waren al weer op roof en sleepten pakken mee naar onze trein. Het duurde echter niet lang of een Amerikaans legersoldaat, welke daar wacht hield, het in de gaten had, waarschuwde, schoot een keer in de lucht, lachte eens en de pret was afgelopen.

Een tweede verwondering was een andere surprise: we kregen op deze Pinkstermorgen allen een Rode Kruispakket, tenminste één pakket voor 2 man. Er zaten prima versnaperingen in, zoals suiker, chocoladepoeder, cakes enz. Ook vlees in blik en boter. Zo konden we dus een goed verzorgd ontbijt verorberen in een stralende zon op deze Pinkstermorgen. De gestolen pakketten werden ook ontleed. Tot veler teleurstelling bevatten ze slechts sperciebonen in blik. Een klein uurtje na het ontbijt reden we weer verder. Nog geen twee uur later bleven we staan bij een dorp. De natuur was hier prachtig. Niemand wist hoelang we hier zouden blijven. We gingen water halen in de omgeving, enige minuten lopen. Sommigen namen een bad in een riviertje, welke vlak naast de trein stroomde en ook weer zonnebaden op het dak van de trein. Er gingen geruchten: om 3 uur vertrekken. Even later vernamen we, dat twee transporten vóór de onze een locomotief defect was geraakt en deze moest uit de rails. We kookten ons Pinkstermaaltijd sperciebonen met vlees, griesmeel en rozijnen. We kookten het op een houtvuurtje naast de rails. Dit deden we met zijn vieren: Ton, Gé, Giel en ik. Er werd natuurlijk de nodige gein bij gemaakt en zo hadden we een amusante middag. Zo'n Pinksterdag was wel even anders dan we thuis gewend waren. Er stonden intussen vier transporten achter ons en vijf transporten voor onze trein. Zo tegen een uur of 7 gingen drie van onze jongens nog eens een wandeling maken in het dorp. Eerst zou ik ook meegaan, maar gezien ik nog een ander bezigheid had, bleef ik bij onze wagon. We hadden namelijk het plan om de volgende dag voor al onze wagonbewoners witte bonen te koken. Giel zou ons daarbij helpen, want die was kelner geweest en wist wel zo'n beetje van de verhoudingen voor zo'n hoeveelheid soep. Ton, Gé, Willem en ik hadden namelijk een grote koffer witte bonen bij ons, die we in een grote opslagplaats in Würzburg hadden georganiseerd. Daar de meesten van ons in geen twee dagen warm gegeten hadden, zou dit best in de smaak vallen. Een grote water emmer was nog in ons bezit, die zou vol moeten komen met witte bonensoep. Er moest dus water gehaald worden en de bonen in de week gezet. Het plan werd natuurlijk met enthousiasme goed gekeurd, daar was niemand op tegen. We hoopten nu maar, of waren wel in de vaste overtuiging, dat we de volgende dag gelegenheid genoeg kregen onderweg ergens aan de kant te gaan koken. Een kleine twee uur gebruikt men daar wel voor, was Giel zijn opinie. En gezien we elke dag beleefden dat de trein meerdere malen zo'n tijd stopte, rekenden we er natuurlijk op dat dit de komende dag ook zou gebeuren. Onderweg met waterhalen vernamen we ineens geruchten van over een half uur vertrekken. Terwijl toch van verschillende kanten bevestigd was, we zouden de nacht hier blijven staan en morgen vroeg vertrekken. Maar ja, geruchten zijn geruchten en meestal zit er iets van waarheid in. We kwamen dan ook met ons water spoedig terug en toen bleek het juist te zijn. Over een half uur dus starten. We zochten nog even wat brandhout voor het vuur voor morgen. Er stond hier een houtopslag in de buurt, dus dat was nogal eenvoudig. Je moet overal rekening mee houden. Misschien is morgen weinig hout te vinden. Dus sleepten we een voorraad mooie droog hout in de wagon. De bonen werden gespoeld. En ik maakte mijn bed op dak in orde, want het weer was prachtig. Nu was er nog iets waar we een beetje over in zaten. Onze drie jongens waren nog niet terug uit het dorp van hun verkenningstocht. Het was reeds 9 uur. Dus waren zij al bijna 2 uur weg. Als de trein soms ineens weg zou rijden, hadden zij de narigheid. En ja wel hoor, vijf stoten op de fluit, dat was het eerste signaal. Even later volgden twee langgerekte fluitsignalen van af de locomotief. Ik installeerde mij met verschillende anderen op het dak. En even later vertrok de trein zonder onze drie, het waren Ton, Gé en Appie. We reden 1 km; stop. Waarschijnlijk een opstopping van voorgaande transporten. Achter ons zette zich een trein in beweging. Enige laatkomers van onze trein renden nog over de rails om die trein te halen. Sommigen hadden geluk, anderen moesten het opgeven. Wij konden dat van af het dak mooi bekijken. Ons transport zette zich weer in beweging. In de aanvang reed de trein zo langzaam, dat verschillende achterblijvers vanuit de achterop komende trein op de onze konden overstappen, tenminste als je goed kon hardlopen. Weer reden we even en stop! Net stonden we stil of we hoorden schreeuwen, ik keek op van mijn dakslaapplaats en ja wel hoor, daar kwamen de drie verloren schapen aanrennen. Op het signaal van de machinist waren ze gekomen van uit het dorp. Ze hadden heel hard moeten spurten om nog het transport dat achter ons reed, in te halen. Onder het stoppen waren ze naar voren gelopen en hadden zo ons transport bereikt. Het dak werd beklommen en we nestelden ons tesaam in de dekens. Het was namelijk vrij wat frisser dan de vorige nacht. Een weinig bewolkt en zo te zien kans op regen. Op goed geluk gingen we slapen. De drie achterblijvers moesten natuurlijk eerst hun wederwaardigheden vertellen van het dorp. Ze waren ergens bij iemand op bezoek geweest en hadden wit brood, koek en daarbij koffie gedronken. Appie had nog een stuk koek voor mij meegenomen, wetende dat ik altijd behoorlijk kan eten. Ik vertelde dat natuurlijk van ons witte bonenplan en onder allerlei gein sliepen we eindelijk in. Dit was dan het einde van een wel bijzondere Eerste Pinksterdag, welke wel lang in herinnering zal bijblijven. Zo sliep ik die nacht in.

Het duurde echter maar kort. Ongeveer 2 uur hadden we gereden, toen het begon te regenen, eerst druppeltjes, toen een buitje, die over ging in plensregen. Onder het buitje werd ik wakker, de trein reed, dus konden we niet van het dak af. Maar gelukkig even later minderde hij vaart en ja wel hoor, er werd ergens gestopt. Deze keer waren we er blij om. We gooiden de dekens naar beneden en daalden zelf af. In de wagon was het stikdonker. Natuurlijk werden verschillenden door ons wreed in hun slaap gestoord. Hier en daar op de grond tegen een koffer lag een bewoner te slapen. En daar kwamen zo ineens 8 man met hun natte dekens plotseling de rust verstoren. Van slapen kwam natuurlijk die nacht niet veel meer. We staken een vetkaarsje aan, zodat we tenminste een schemerlichtje kregen. De regen plenste intussen gezellig op ons dak. Alleen de twee meisjes sliepen rustig door. Ik hing in een gordel die aan het dak bevestigd was. Andere zaten om het kaarsje en keken, moe als ze waren, in het vlammetje. Opeens klonk de stem van Nelly: “Geef me een stukkie brood en wat water”. Natuurlijk werd het verzoek als gewoonlijk ingewilligd en zo werd het langzamerhand morgen. De trein reed nu weer behoorlijk door, we passeerden Saarbrücken, reden door een stukje Frankrijk naar de Luxemburgse grens. Het was maandag en in tegenstelling met voorgaande dagen reden we tamelijk door. Wel stopten we zo nu en dan aan stations, maar dat was meestal maar even. We ontvingen nog een kleinigheid van hetgeen van de Rode Kruispakketten overgebleven was. Verschillende onzer sliepen nu zo'n beetje de hele morgen door, daar zij deze nacht niet veel rust genoten hadden. We passeerden verschillende tunnels, maar gelegenheid om onze bonen te koken, was er niet bij. We hoopten nu maar op de middag, maar daar kwam voor ons geen gelegenheid voor. Nu opperden we maar het plan om een vuurtje in de wagon aan te leggen. Op een station vlak bij de Franse grens vonden we een ijzeren bak van een kruiwagen, die sleepten we binnen en een paar ijzeren staven er over, die we ook ergens opdoken. Zo kregen we een soort rooster, hout eronder en de teil paste er prachtig op. Maar nu moesten we toch wachten tot de trein ging rijden, want zo hij hier stil stond, was het wel wat gevaarlijk. We hadden ons “fornuis” vlak aan de deuropening staan en de trein stond precies halt tussen een benzinetransport aan de ene kant en een munitietransport aan de andere kant. Dus voor alle zekerheid maar even afwachten met vuur aanmaken. Even later zette het transport zich weer in beweging. Het vuur kon nu worden aangestoken. Hout was er genoeg… Jawel hoor, het fikte lekker, maar o wee, wat een rook kwam er in de wagon te staan. Er stond een rookgordijn niet mooi meer, velen kuchten en hoestten, maar dat was gelukkig gauw over. Toen het hout goed doorgebrand was, werd de rook ook minder. De meisjes waren op het dak gevlucht met enige anderen toen we even ergens stopten. Maar als de trein stopte, kwam er wel meer rook in de wagon. We gooiden er nog zes stukken spek in, van onze voorraad, welke eerst aan blokjes gesneden werd en een pond boter. Het zou volgens Giel nu wel een best vet soepje worden. Wel moesten we onze teil geregeld met twee stokken in de oren vasthouden om de schokken die de trein zo nu en dan veroorzaakte, op te vangen, waardoor de teil wel eens aan het waggelen ging. De teil was boordevol, de bonen waren natuurlijk behoorlijk aan het uitzetten gegaan. Intussen was het weer zo'n beetje avond geworden. We reden de grens van Luxemburg over. Hier stonden vele mensen en juichten ons toe, overal werd druk gevlagd. Bij de stations had men veel belangstelling voor ons koken. Het houtvuurtje brandde lekker en de bonen waren zo ongeveer gaar. Nieuwsgierig stond men het koken gade te slaan. Met een grote stok stond ik in de teil te roeren om de bonen niet te laten aanbranden. Het spekvet dreef er op. Ook van de andere wagons kwamen vele even kijken. want natuurlijk ging het als een lopend vuurtje rond, dat wij daar zo bezig waren. Toen de trein weer ging rijden, zetten wij de teil af. Giel had eerst een proefje genomen en ze goed bevonden. Het fornuis werd naar buiten geslingerd en het diner kon beginnen. Allen waren natuurlijk in het bezit van een kroes of etensbord. Zo werden 37 borden, kroesen of blikken opgehouden en gevuld met witte bonensoep. Dit was weer eens echt Hollandse kost. Toen de maaltijd naar binnen was gewerkt, werd het donker en maakten we ons slaapvaardig. Deze keer niet op het dak, want het weer was niet te vertrouwen. De trein reed in deze omgeving ook vrij snel, waarschijnlijk was de rails hier beter te berijden.

Die nacht reden we door Luxemburg, stukje Frankrijk en België. Ik sliep die nacht niet zo erg best. We lagen met acht naast elkaar in de breedte van de wagon. Ik lag tegen de zijkant en kon me haast niet verroeren. Met mijn rug op de rand van een koffer, mijn benen ingetrokken, anders trapte ik een ander in zijn gezicht. Het tochte ook nog al van uit de zijdeur. Het was vechten om je dekens bij elkaar te houden, daar lange Willem in zijn slaap nog al eens aan onze deken sjorde, waar we samen onderlagen. Ook als er zich een van de acht omdraaide, moest het hele rijtje zich omdraaien, anders kwam je helemaal plaats te kort en dat gebeurde nog wel eens. Want op zo'n harde ondergrond wil je wel eens omkeren. Het was nog vroeg in de morgen, toen de trein ergens stil hield. Verschillende jongens dachten dat we al in Maastricht stonden. Niemand wist eigenlijk van de route die de trein volgde. Een schoof de deur open, keek op het perron en ontdekte dat we pas in Namen zaten. We hadden dus 's nachts dwars door de Ardennen gereden. Jammer dat we er niet veel van gezien hebben. Want het is een prachtige streek en ik hoorde vertellen dat er een transport Hollanders op het perron was. Het was nu zo ongeveer half zeven. En daar ik toch niet meer kon slapen, hees ik mij ook maar uit mijn deken en stapte uit de wagon. Ja, dat is makkelijk, als je opstaat ben je meteen gekleed ook, want ja, uitkleden was er op deze thuisreis niet bij. Je hield je broek en shirt dag en nacht aan. Op het perron zag ik verscheidene bekende jongens uit Nürnberg. Zij waren eerst een week in Frankrijk geweest en gingen nu naar Maastricht. Het deed me goed weer even met ze kennis te maken en wederwaardigheden werden over en weer verteld. Ik waste me toen onder een kraan die ergens tussen de rails stond, zodat ik me weer een beetje opgemonterd voelde; vooral als je niet best geslapen hebt, knap je van water wel wat op. Daar de trein voorlopig zou blijven staan, ging ik wat op verkenning. Van onze jongens sliepen de meesten nog of hadden geen zin om op te staan. Ik liep de trap af naar een ander perron. Hier was een Rode Kruisafdeling en kon je een stevige boterham [wit brood] met corned beef en een glas bier krijgen. Ik had natuurlijk wel trek en vroeg er ook om. Gedienstige meisjes hielpen me direct. Het was er nog niet druk. Misschien was ik een van de eersten. Het smaakte me goed. Wit brood had ik al een hele tijd niet meer gegeten. Het was hier echt zo'n beetje op zijn Frans. De mensen in hun manieren, kleding en taal. Het was het eerste station waar een personentrein reed, waar je als particulier mee kon. Overal zag je vlaggen, het was hier echt gezellig. Je kon er ook kranten en tijdschriften kopen en koffie drinken in de wachtkamer. Wij konden er alleen geen gebruik van maken, geld hadden we niet. Dat Duitse bankpapier wat we nog over hadden, werd hier niet aangenomen. Ik stond zo te kijken en daar kwam een trein met Engelse soldaten aanrijden, hij stopte en elke soldaat werd ook onthaald op heerlijke cakes en goeie koffie. Met mij schoten verschillende Hollanders er ook op af en ja wel hoor, we deelden mee. Het smaakte prima en aangezien Hollanders altijd honger hebben, haalden we nog een paar keer. Hierna kregen we een tip voor een ander perron, waar witbrood met jam uitgereikt werd, ook door het Rode Kruis. Wij, Ton, Nelly en ik, welke ondertussen ook uit de wagon gekomen waren, er op af. Ja hoor, er stond al een hele rij bij de uitdeelwagon. Ik at nog twee stuks en zo had ik deze morgen mijn portie wel gehad. Het was ruim voldoende en goed geweest. We keerden terug naar onze wagon, die men bezig was schoon te maken. Duitse krijgsgevangenen ruimden hier de perrons op onder leiding van een Engelse soldaat. Elk stukje papier moest van de rails en perron verwijderd worden. Natuurlijk ging dat onder hilariteit van onze jongens, die zoiets graag zagen. Een transport Fransen vertrok onder het zingen van het Franse volkslied: de Marseillaise. Om ongeveer 11 uur vertrokken ook wij, er werd gezegd naar Brussel. We reden evenwel naar Leuven. Dus weer anders dan wij dachten. Van Leuven ging het naar de grens.

Het was dinsdag 22 mei en dit zal geen prettige bladzijde worden in mijn dagboek. Het weer werd al echt Hollands, hoe meer we de grens naderden. Het was rillig, winderig en lage wolkenmassa's hingen over het landschap, welk bestond uit vlak weiland en bomen met hier en daar een sloot. Een kant van de wagon hadden we afgesloten voor de tocht, aan de andere open deur zaten er vier met hun benen buiten de wagon. Ik zat achter in met enige anderen. We maakten wat gekheid uit verveling. De twee meisjes Nelly en Hanny meenden namelijk dat ze al bijna Holland binnen zouden rijden en maakten zich al op in kleding en manicure om een beetje goeie indruk te maken op onze landgenoten. Opeens gebeurde er iets, een nervositeit onder allen die bij de open deur stonden. Een van ons was uit de wagon gevallen. “Wie is het?”, vroeg ik. Want ik had er niets van gezien. Gé Knook was de pechvogel. Met zijn voet was hij ergens aan blijven haken en zo uit de wagon gesleurd. Ja, de trein moest stoppen. We waarschuwden de wagon die voor ons reed. Geluk was dat wij in de derde wagon reisden, zodoende had de machinist het gauw door. Er werd met zakdoeken gewenkt en even later stond de trein stil. Enkelen sprongen er uit en liepen langs de trein om Gé te zoeken. Natuurlijk liep ik ook mee. Enige minuten gaans vonden we hem op een noodbrugje, wat aangelegd was over een watertje. Hij lag daar en zo te zien was hij niet zijn bewustzijn kwijt. Een dokter en een assistent onderzochten hem. Aan zijn been had hij een wond en zijn linkerdijbeen was inwendig gekneusd. Een geluk dat hij niet in het water terecht gekomen was, want dan hij waarschijnlijk niet meer levend op de wal gekomen. Nu zag het er aanvankelijk nog niet uit als of het niet zo ernstig was. Met een draagbaar werd hij weggebracht en per auto naar het Elizabeth Gasthuis vervoerd.

De trein bleef hier de nacht staan. We waren niet ver van de grens, in Herentals, een Belgisch grensplaatsje. Hier zou controle worden gehouden. Onze bagage moest uitgeladen worden. Niemand mocht er op eigen gelegenheid van door. Onder geleide van de grenspolitie moesten we naar een groot gebouw, een 10 minuten lopen. De vele bagage zou per auto gebracht worden, want lopen met zoveel vracht, was geen beginnen aan. Rugzak en handtas mochten meegenomen worden. Het was een groot weeshuis onder leiding van broeders. Een mooie inrichting, hier werd de nodige registratie gehouden en ingedeeld in diverse vertrekken. Nadien kregen we nog een best avondmaal in de eetzaal, prachtig wit brood met soep en macaroni in melk gekookt. Deze behandeling was uitstekend. Allen waren er vol lof over. Na het eten zochten enigen al hun bed op, gezien de meesten de laatste nachten in de wagon doorgebracht, weinig geslapen hadden. En nu zij een echt bed ter beschikking hadden, hun schade wilden inhalen. Voor de anderen was in de toneelzaal een bijeenkomst en werd muziek gemaakt op een piano, gezongen en wat voorgedragen. De stemming zat er natuurlijk aardig in. Dat is ook te begrijpen als je zo vlak bij de Hollandse grens zit. Er werden vaderlandse liederen aangeheven en echt Amsterdams gezongen. Ook de goochelaar die in ons transport zat, liet enige nummers zien. Ook als boeienkoning deed hij zijn best. Al met al duurde het tot ruim twaalf uur. Ik zocht mijn slaapvertrek op. Appie sliep al enige uren. Trouwens ik was alleen nog met Ton en Hanny op, onze overige van de acht sliepen ook reeds. We zouden de volgende dag om drie uur vertrekken naar Tilburg. Dus in Holland. Hier zouden we nog een dag moeten vertoeven voor we de laatste etappe zouden beginnen. Wat mij betreft, ik zou nog enige dagen hier blijven om Gé Knook gezelschap te houden en tevens te zien wat er met hem gebeuren zou.

Die nacht sliep ik prima en was om kwart over zes weer op. Wij, Ton, Hanny en ik zouden namelijk eerst nog even naar het Elizabeth Gasthuis gaan om Gé te bezoeken. Ik wekte Ton om half zeven, die natuurlijk nog vreselijk vast sliep. Giel was ook reeds op en was bezig lange Willem met allerlei stompen wakker te krijgen, dat is namelijk niet zo eenvoudig bij sommigen. We wasten ons en vroegen permissie om voor het vertrek even naar het ziekenhuis te mogen gaan. Het was van hier een kwartier lopen. We hadden dus ruim de tijd en liepen eerst nog het stadje door een rustig Belgisch plaatsje met vele aardige winkeltjes. Kopen konden we evenwel niets. Het Gasthuis was makkelijk te vinden. Een mooie nieuwe inrichting. Gastvrij werden we ontvangen en bezoeken konden we wanneer we zin hadden. Het was even over zevenen, dus nog vroeg voor bezoek. Gé lag wakker in bed. Hij keek verwonderd op, dat wij kwamen, stellig meende hij dat wij reeds in Tilburg doorgereden waren. Zijn linkerbeen was verbonden, daar was een wond in gekomen. Zijn rechterbeen was tamelijk opgezet en was van binnen waarschijnlijk gekneusd, of ook misschien gebroken. De dokter had gezegd, hij zou morgen daar aan geopereerd worden. En zo spraken we nog wat over het gebeurde van gisteren. En dat ik dan nog wat zou blijven tot er verbetering ingekomen was, dan kon ik tenminste zijn vrouw vertellen hoe de toestand was. Gé woonde namelijk ook in Haarlem en hoe lang het ongeveer nog zou duren. We bleven tot acht uur en namen afscheid. Bij onze vrienden terug gekomen, waren deze nog niet veel verder gevorderd. Er stond nog een aantal jongens voor de eetzaal en ze moesten nog ontbijten. Dat duurde tot half tien. Daarna gingen we naar de trein, onze bagage moest nog opgehaald worden. Alles lag door elkaar. We hadden een hele tijd nodig om onze eigen spullen tussen alle andere bagage uit te zoeken. Controle was er in het geheel niet geweest. Daar het af en toe flink regende deze morgen en de grenscontroleurs waarschijnlijk geen zin hadden in de regen hun werk te doen. Weer had Gé Knook hier pech. Een koffer van hem werd niet gevonden en was spoorloos, alles werd nog eens afgezocht, maar zonder resultaat. Weer geen prettige tijding voor hem. We sjouwden onze bagage over de rails naar het andere perron. Het duurde nog lang voor onze trein voorreed. Toen hij eindelijk aan kwam tuffen, moesten we eerst onze eigen wagon opzoeken, daar alle wagons genummerd waren en groepsgewijs was ingedeeld, kon je niet zo maar ergens instappen. We stonden zo ongeveer een halve treinlengte van onze wagon, dus weer sjouwen met koffers, kisten en tassen. Toen dat gebeurd was, weer wachten. Mijn bagage had ik zolang bij de stationchef ondergebracht, omdat ik nog zou blijven en niet zeker wist waar ik slapen zou. Verschillende jongens begonnen nu, daar men toch nog niet vertrok, hun wagon op te sieren met veldbloemen en takken groen die men hier in de omgeving kon bemachtigen. Ook diverse opschriften met krijt werden op de wagon getekend. Zo zag men schimpschriften vooral op Hitler en Mussert, of bengelend aan de galg. Zo lazen we ook een opschrift: “op weg naar Japan”. Of diegene nu zoveel zin hadden om meteen naar Japan door te reizen, weet ik niet. Maar de meesten zullen toch wel liever eerst even naar huis gegaan zijn. Hier en daar zag men ook wel: “Oranje Boven”, maar aan het Koninklijk Huis werd niet veel aandacht besteed. Om twaalf uur werd er gesommeerd allen in de wagon te gaan, daar deze zou vertrekken. Met de nodige humor nam ik dan afscheid van mijn wagongenoten en zette de trein zich langzaam in beweging. Het zag er dan ook aardig uit zo'n geheel versierde trein. Allen waren natuurlijk ook in beste stemming. Nu ging het dan heus op huis aan. In Tilburg zouden we ons nog even aan de leiding moeten onderwerpen en dan zou het niet lang meer duren of de jongens en meisjes zouden bij hun familie thuis zijn, waarvan zij al zo lang niets meer van vernomen hadden.

Het was 23 mei, ik bleef alleen achter op het perron. Mijn gedachten gingen terug naar de jongens, die waarschijnlijk een week eerder thuis zouden zijn dan ik. Ik liep het station uit, de straten door. Het was intussen vrij goed weer geworden. Eerst ging ik naar het Broedergesticht en informeerde of ik ook daar kon slapen. De transportleider had mij dit gisteravond en vanmorgen nog toegezegd. Maar ik wilde zekerheid hebben waar ik kon slapen en eten, ook al omdat ik niet over geld beschikte. Op het bureau was de leidende persoon niet aanwezig. Deze was eten, ik werd ook naar de keuken gestuurd en kon daar een beste maaltijd gebruiken. Daar werd natuurlijk gebruik van gemaakt, veel vlees en heerlijk donker bier werd mij geserveerd. Ik zat tussen personeel van het broederhuis, een 40 mensen: mannen en vrouwen. Na het eten sprak ik met de directie, die was er evenwel niet zo opgesteld, dat ik hier alleen achterbleef. Hij ging aardig tegen me tekeer. Buitenlanders mogen hier niet langer blijven dan een nacht op doorreis. Ik vertelde hem dat ik met onze transportleider dit langer oponthoud besproken had en deze er mee accoord was gegaan. De directie wist hier echter niets van af. Voor mij maakte hij nu, in dit geval, een uitzondering. Maar hoogstens een of twee dagen. Ik kon hier dus eten en slapen. Natuurlijk vertrok ik een beetje teleurgesteld over dit gesprek. Hierbij kwam nog dat uit mijn rugzak, welke hier in bewaring gegeven was, van levensmiddelen geplunderd vond, ook mijn mooie bierpul en emaillen drinkbeker weg. Ik melde dit wel, maar zoiets bleek hier gewoon, daar kon men niets aan doen. Het hoorde zo bij de Vlaamse gemoedelijkheid en moest men zich maar bij neer leggen. De behandeling was hier overigens zeer goed, wat eten en drinken betrof, dus moest ik dat maar op de koop toe nemen. Ik nam Gé Knook zijn tas en zijn klokje, welke ook reeds op de bureautafel prijkte, mee en ging naar het Elisabeth Gasthuis. Het was ongeveer drie uur dat ik er binnen stapte. Gé keek me verwonderd aan, dacht dat het nog heel vroeg in de morgen was. Door zijn rechter scheenbeen was een pen gestoken, waaraan via een staaldraad een 10 kilo gewicht vast zat. Zijn bed stond aan het voeteneind op blokken. Verder hing zijn been in een soort mat. Zijn dijbeen was namelijk gebroken en moest zo in de goeie stand groeien. Bij de geringste poging tot bewegen deed het pijn. Zijn linkerbeen was gekramd en in verband. Hij moest het ook vooral stilhouden. Na een kwartier kwam de dokter en bekeek het eens. Ik vroeg hem of het nog lang duren zou. Of het nu gemeend was, weet ik niet, maar hij zei: “Tot in juni is hij er nog wel zoet mee.” Geen mooi vooruitzicht. “Ja, eigen schuld”, zei de dokter. Hij is er nog best afgekomen, door met zo'n snelheid uit de trein te vallen, kan doorgaans je leven kosten, was zijn opinie. Ik verliet het ziekenhuis en zou mijn bagage ook hier binnen in bewaring brengen, omdat ik het hier veiliger vond. Ik kreeg evenwel geen kans, want de directie van het Broederhuis kon me niet langer meer permissie geven om te blijven. Ik moest met een transport dat de volgende morgen zeven uur vertrok, meegaan naar Tilburg. Daar was verder geen praten meer aan. Dus moest ik die avond weer naar het Gasthuis om Gé dit nieuws te verdelen en tevens onverwachts afscheid nemen. Dit was natuurlijk voor ons beiden niet zo leuk. Maar ja, ik zou in ieder geval zijn vrouw van de situatie op de hoogte brengen. Want brieven mochten nog niet verzonden worden. Zij wist dus nog niets van het ongeval af. Om zeven uur vertrok ik dan uit Herentals per militaire trein via Turnhout naar Tilburg en van hier naar Roosendaal, om half tien per autobus naar Oudenbosch. Vandaar per militaire wagen naar Breda en van hier naar Rijsbergen, waar ik mij moest melden en distributiebescheiden kreeg. Mijn oude vrienden waren ook in deze plaats of omgeving ondergebracht, meest bij boeren. Ik kreeg ook een adres en kwam tenslotte na enig zoeken bij een kleine boer, Noorden heette deze. Zeer hartelijk werd ik er ontvangen en moest dan hier mijn intrek nemen. Het gezin bestond uit de boer en zijn vrouw, een dochter en twee jongens, allen in het boerenbedrijf werkzaam.

Hier bleven we nu nog 14 dagen, alvorens we naar huis konden. Nu had ik het daar 2 weken best. De boeren hadden hier nog volop goed eten, verder hoefden we niets te doen. Natuurlijk hielp ik wel eens mee. Maar ja, wat had ik verstand van het boerenwerk. Het was geen veeboer, maar voornamelijk werd er groente en fruit geteeld. Nu was het net aardbeienpluktijd, dus hielp ik wel met plukken. Maar die lui waren daar zo rap in, dat ik dat heel niet kon bijhouden. Ook heel ongewoon werk, de hele dag op je knietjes kruipen. Afijn, ik hoefde het helemaal niet te doen. Het was meer tijdverdrijf voor me, ik had het zelf aangeboden. Intussen had ik weer kennis gemaakt met mijn oude ploeg. Met Ton sprak ik nu af, we zouden toch eens proberen, om Gé Knoop eens op te zoeken in Herentals.

Op 31 mei gingen we dan per bus om 9 uur naar het grensplaatsje Zundert, vandaar te voet de grens over. Maar veel verder kwamen we al niet, want onderweg werden we door de politie aangehouden en naar het bureau opgebracht. Men dacht dat wij vluchtelingen waren, Nederlandse NSB'ers bijvoorbeeld, die over de grens gevlucht waren. Op het bureau werd alles uitgelegd. Na overleg van papieren werden we dan toch vertrouwd. We mochten evenwel niet verder en werden door de politie naar de grens teruggebracht. Over de grens gekomen, sliepen we die nacht bij een boer en zagen van een verdere poging, onze vriend Gé te bezoeken, nu maar af.

De volgende morgen gingen we te voet op pad naar Zundert. Van hier zijn we naar Breda gegaan, meegelift per militaire wagen. In Breda hebben we wat eten gebruikt en eens een bioscoopje gepikt. Daarna lopend naar ons logeeradres in Rijsbergen, waar we om 9 uur waren. Zo bleven we hier dan nog tot 10 juni ingekwartierd.

Die dag vertrokken we na een hartelijk afscheid van de familie Noorden en kwamen na een treinreis, welke zoals te begrijpen in een beste stemming verliep, 's avonds om ongeveer 7 uur het station Haarlem binnen. Beladen met koffer en kisten en tassen stapte ik dan het perron af. Tot mijn grote verbazing stond mijn hele familie mij hier op te wachten. Vader, Leny, Cor, Jaap en Tony, ze hielpen met de bagage dragen en zo kwam ik dan na 2 jaar in de Ben Viljoenstraat aan. Tot diep in de nacht werden nu de wederwaardigheden uitgewisseld, onder het schijnsel van een waxinelichtje. Want van beide kanten was veel te verhalen. Voor moeder kwamen de levensmiddelen die ik had meegenomen, goed van pas. Vooral de stukken ingezouten spek waren zeer welkom. Ook nog een hoeveelheid witte bonen en chocoladerepen. Voor vader had ik nog een paar sigaren overgehouden. Eenmaal in mijn eigen bed, was ik van plan eens flink uit te slapen. Dat deed ik dan ook. Maar om half 12 de volgende morgen stond Ton van der Vaart al voor de deur. Hij kwam zijn portie witte bonen ophalen. De witte bonen waren namelijk van ons samen en zaten in een minutiekist, welke ik had georganiseerd. Dus moest ik toch mijn bed uit, om de bonen te verdelen.