De periode na de bevrijding: 1945–1954

Men kan moeilijk beschrijven wat de eerste maanden na de oorlog voor ons, Nederlanders, voor een tijd is geweest. In het hele land, in elke plaats, werden bevrijdingsfeesten georganiseerd. Op alle openbare pleinen werd feest gevierd, muziek gemaakt en gedanst. Iedereen voelde zich gelukkig, bevrijd na vijf jaar onderdrukking van de gehate vijand. Nimmer voelde de mensen zich als één gemeenschappelijk volk, zonder onderscheid des persoons als in deze bevrijdingsperiode. Zowel de goedgesitueerde als de gewone man waren bij deze openbare feesten zonder onderscheid van persooon betrokken. Iedereen praatte met iedereen, iedereen hielp elkaar spontaan als het te pas kwam. Natuurlijk was in deze tijd de samenleving nog geheel ontwricht. Er moest heel wat gebeuren eer alles weer normaal functioneerde. Het verkeer op de weg moest ook weer helemaal op gang komen. Vele auto's, vooral vrachtauto's, waren door de vijand gevorderd. En wie nog een auto bezat, heeft die al jaren niet mogen gebruiken. Benzine was, als vele andere dingen, op de bon. De meeste noodzakelijke levensmiddelen waren ook alleen op bonnen verkrijgbaar, die men van de overheid toegewezen kreeg, ook schoenen en kleding waren niet zo maar te koop. Vergeet niet: de Duitsers hadden al onze voorraden leeggeplunderd. We hadden een zogenaamde hongerwinter meegemaakt. Dus voorlopig was alles nog mondjesmaat. Gelukkig konden wij het thuis nog aardig bolwerken, dank zij Tony, die toen bij bakker Franken werkte. Daar kreeg zij ruim voldoende broodbonnen, zodat zij de overbodige kon omruilen tegen andere levensmiddelenbonnen.

Bij de festiviteiten waren ook allerlei verenigingen betrokken, zo ook Thalia, de toneelvereniging, waar ik vanaf 1941 lid van was en nu mij daar weer bij aansloot om mee te werken aan de bevrijdingsrevue, waar men in deze tijd mee bezig was. Met veel spontaniteit was ieder lid ermee bezig, er werkten veel figuranten mee voor zang en ballet. Na maanden repetitie werd deze revue met enorm succes in de Stadsschouwburg in Haarlem in september 1945 opgevoerd. Deze revue heette: “Oranjeklanten” en sloeg erg in, zodat de revue steeds voor een volle schouwburg herhaald werd. Het was in deze tijd van de vele repetities en opvoeringen dat ik meer contact en toenadering met To Kruup kreeg. Zij was ook lid van Thalia sinds 1942. We kenden elkaar dus al vanaf die tijd. Maar nu werd het ook meer een persoonlijke vriendschap, die uitliep in een verliefdheid.

Ik ging januari 1946 weer aan het werk bij wasserij Haak, maar nu niet voor expeditiewerk. Ik werd aangesteld als afdelingschef van de boordenafdeling. Dat was heel wat anders. Op de duur beviel het me eigenlijk niet zo. Het was echt lopende bandwerk, dus weinig variatie en altijd in een warme omgeving. Vooral zomers kon het er erg benauwd wezen. Nou, dat was ik helemaal niet gewend. Jarenlang buitenwerk gedaan en nu binnen, dat eentonige bandwerk zinde mij niet en de baas ontging dat ook niet. Het jaar 1946 bleef ik dan nog in het bedrijf werkzaam, maar in het nieuwe jaar raadde de baas mij aan, maar wat anders te zoeken. Hij gaf me er alle tijd voor, maar hij begreep wel dat ik voor dit werk niet geschikt was. Dus veranderen.

Intussen groeide de vriendschap tussen mij en To steeds verder. Zodat we wederzijds bij elkaar over huis kwamen. We verloofden ons Pinksteren 1946. Vader Kruup had een hoveniersbedrijf en het was door bemiddeling van To dat ik in het voorjaar van 1947 in dienst kwam bij het hoveniersbedrijf van vader Kruup in Overveen. Dat betekende voor mij een hele omschakeling. In het werk van tuinen en planten had ik me nooit erg verdiept, niet dat ik er met tegenzin begon, maar het was voor mij gewoon een onbekende wereld. Toch na het eerste moeilijke begin kwam de liefhebberij voor het vak gaandeweg naar boven. Het was allemaal buitenwerk en dat is al een pluspunt. Heel wat anders dan het werk in die benauwde warmte van een wasserijbedrijf. Om het vak hovenier onder de knie te krijgen, moest ik ook de vele Latijnse plantennamen leren kennen. En in de praktijk het spitten, schoffelen, harken enz. oefenen om een goed resultaat te krijgen. Maar de liefhebberij voor dit mij onbekende vak was toch van blijvende aard. Wel waren het vaak lange vermoeiende dagen. Vooral zomers was het tot donker toe werken op de eigen tuin, waar we dan planten en ook groenten kweekten. Ondertussen moest ook nog het middenstandsdiploma gehaald worden, wat nodig was voor elke zelfstandige werkkring. To werkte van jongs af aan al in het bloemenvak, had haar diploma voor bloembindster al jaren geleden gehaald. Was onder andere al vijf jaar als zodanig in Amsterdam-Noord werkzaam geweest. Was nu in deze jaren in het Kleverpark in Haarlem werkzaam bij de bloemenzaak van Palthe. We waren dus samen aan toneel en nu ook samen in de plantenbranche. Maar ja, tijd voor ontspanning moest er ook zijn. Zo speelden we in 1947 ook nog in de parochie in Haarlem-Noord de operette: “Het witte paard”, waar we beiden een rol vervulden. To had een mooie zangstem, dus kreeg de rol met veel zang. Het was een leuke tijd voor ons beiden, de vele repetities brachten ons veel gezelligheid. De vriendschap tussen ons beiden groeide van lieverlede uit naar trouwplannen. Maar voor het zover was, moest er ten eerste flink gespaard worden, ten tweede de moeilijkheid van een woning. Er was in die jaren na en door de oorlog een enorme woningachterstand ontstaan. Normaal gesproken moest je wel een zogenaamde ‛kruiwagen’ hebben, anders was er weinig kans op een woning. Natuurlijk gingen we zelf overal op af, waar maar even de kans van slagen was. Dat we als jong stel een heel huis zouden krijgen, was in die jaren ondenkbaar. Bij iemand een paar kamers huren voor veel geld, was de gebruikelijke gang van zaken. Natuurlijk hadden we veel vrienden en kennissen die ook hun ogen de kost gaven en ons een tip gaven als er een kans was. Uiteindelijk lukte het ons via Greetje Hoes en Frits Smit een keuken en twee slaapkamers te huren. Het was in de Emmalaan [2015 BT Haarlem] bij een familie die de bovenkamers verhuurde. Frits Smit, die daar woonde met Greetje Hoes, de dochter van de directeur van de wasserij waar ik jaren gewerkt heb, kreeg nu een andere woning toegewezen. Wij konden dit dus overnemen. Wel vroeg hij ƒ 500,- [€ 225] overnemingsgeld, hij had namelijk op de badkamer een keukenaanrecht getimmerd, de badkamer werd dus als keuken ingericht. Verder was het een huiskamer en slaapkamer. We waren natuurlijk dolblij dat het uiteindelijk toch gelukt was en op 20 augustus 1948 de sleutel in ontvangst namen van onze eerste woning. De zorg voor een huis was nu wel gelukkig opgelost. De volgende stap was het samen bespreken en onderhandelen hoe wij onze kamers zouden inrichten en waarmee.

  • foto
  • Maar eerst trouwden we op 20 september 1948 voor de wet in het Bloemendaalse gemeentehuis. Het werd natuurlijk een drukke periode voor ons. We bezochten diverse meubelzaken om iets naar onze smaak te vinden. Uiteindelijk slaagden we in de Bijenkorf in Amsterdam voor ons huiskamermeubilair: zes stoelen, tafel en dressoir, alles in mahoniehout, mooie solide meubels. Een goeie keus. Voor ons slaapkamermeubilair kwamen we terecht bij een van onze kennissen van ‛Thalia’ die maakten voor ons een bed, en tafel, twee stoelen en twee nachtkastjes. Jan Hoogland schilderde het in een creme tint. Zo viel er nog heel wat te organiseren alvorens op 25 november 1948 in Overveen ons kerkelijk huwelijk ingezegend werd. Daarna bruiloftsfeest in het ouderlijk huis van To aan de Jan Willem Frisolaan. Hoewel de tijdsomstandigheden nog niet zo waren dat men royaal alles maar kon aanschaffen, werd het toch een geslaagde dag. Een huiselijk diner met familie, vrienden en kennissen. Ondanks de wat erg lang uitgelopen tafelspeech van mijnheer Palthe was het diner toch een van de hoogtepunten op deze mooie dag. Verder werd er natuurlijk wat voordrachten gedaan. Zodat we zeer voldaan en gelukkig na afloop de Emmalaan opzochten. Na de kerkelijke inzegening werd er een bruiloftsfoto gemaakt bij fotoatelier van Nell. Herbert in Haarlem.

We verlieten dus nu het vertrouwde ouderlijk huis om onze levensweg samen op eigen manier te vervolgen. Van mijn thuis was ik de derde die de ouderlijke woning op deze manier verliet. Broer Jan was reeds elf jaar voor ons deze weg gegaan, samen met Jo Uitermark en had nu al een gezin met zes kinderen. Zuster Leny was vorig jaar 1947 getrouwd en samen met Piet Schuts naar Breezand vertrokken. Voorlopig ging nu de dagelijkse gang gewoon verder. To als bloemenbindster bij de bloemenzaak van Palthe in het Kleverpark en ik met het tuinwerk bij vader Kruup. De wintertijd was intussen aangebroken, dat betekende langere gezellige avonden. We ontvingen dan ook regelmatig bezoek van familie en kennissen. Ook de toneelrepetities en uitvoeringen van ‛Thalia’ brachten het nodige vertier. 1949 bracht evenwel grote veranderingen in onze huwelijkse staat. To raakte namelijk in verwachting. Natuurlijk is dat normaal, maar voor ons de eerste keer, was het een spannende tijd. 10 oktober 1949 was het dan zover. De bevalling vond gewoon thuis in de Emmalaan plaats. Nou, gewoon! In het nachtelijk uur kwam dokter Westenburg vergezeld met zijn citybag, waarin allerlei doktersattributen zaten. De dokter was nog een man van de oude stempel. Na onderzoek en lang nadenken constateerde de dokter dat de bevalling niet zo makkelijk zou verlopen. Na enige tijd vroeg hij mij of ik een vijl bij de hand had; waar hij die voor nodig had, weet ik niet [een verloskundige heeft toegelicht dat de vijl werd gebruikt om de vliezen te breken, red.]. Maar ik kon hem toch aan een grote nagelvijl helpen en dat bleek voldoende. Toen de tijd aanbrak dat het moest gebeuren, moest ik assisteren om To met chloroform onder narcose te brengen, terwijl de dokter de verlostang hanteerde, waarmee Paul ter wereld werd gebracht. Het ging dus niet van een leien dakje, maar het resultaat was toch een gezonde jongen en dat was toch het voornaamste. Wat waren we blij met onze eerste! Nadat alles weer normaal zijn gang ging, de dokter was vertrokken en ook zuster Van Wel naar huis ging, ben ik even op de fiets na middernacht het blijde nieuws bij vader en moeder Kruup in de Jan Willem Frisolaan gaan mededelen. Zij waren reeds te bed, maar waren zichtbaar blij met het vernemen van de geboorte van hun eerste kleinzoon Paul. Voor ons beiden bracht de geboorte van Paul ook een andere betekenis in ons leven. Het werd nu echt een gezinnetje. En al was het er nog maar één, het bracht toch een ongewone drukte met zich mee. To had in het begin tijd te kort met de verzorging van Paul en de huishouding. We hadden het beiden in het begin in de Emmalaan wel naar ons zin, maar toch op den duur werd onze benedenbuurvrouw wel een beetje lastig. Zij had er nl. een handje van om regelmatig wat te komen lenen; het begon met de stofzuiger, want die van haar was defect. In het begin deden we dat natuurlijk om haar ter wille te zijn, maar het bleef helaas niet alleen bij de stofzuiger. Zo kwam ze dan weer om een beetje suiker of melk of andere levensmiddelen, welke je doorgaans ook niet weer terug kreeg. Het werd op den duur dan ook vrij vervelend voor ons. De verhuurder leefde eigenlijk op een te royale manier voor zichzelf, zodat zijn vrouw in het huishouden vaak financiële moeilijkheden had. En ook het feit dat in onze keuken wel een ligbad aanwezig was, maar waar we geen gebruik van mochten maken vanwege het vele gas en water. Een en ander bracht met zich mee, dat we de mogelijkheid bekeken om een andere woning te krijgen. To was intussen in 1950 ook weer in verwachting van onze tweede. Maar voor een andere woning zou het nog wel even duren. Zo makkelijk ging het in die jaren niet. Het was maart 1951, de bevalling was nabij. Maar het zou een teleurstelling worden. Op 16 maart 1951 bracht To een levensloos meisje ter wereld. Dat dit een grote tegenvaller was, is te begrijpen na maanden van verwachting. Maar er zijn ups en downs in het leven.

Nu woonden bij ons in de Emmalaan de directeur van de Volkshuisvesting van Haarlem. Met deze man kwamen we wel eens in contact en spraken over onze woonsituatie. Hij begreep de moeilijkheid met onze benedenburen en was op de hoogte van hun levenswijze. Door deze relatie met de man van de Volkshuisvesting werd ons dan ook in 1951 een woning toegewezen. Het werd een heel nieuw huis, een benedenwoning: Eksterstraat 20 in Haarlem-Noord [nu: Eksterlaan 20, 2026 XG Haarlem]. Dat zou dus een hele verbetering voor ons gaan worden. Het perceel had een huiskamer, twee slaapkamers, keuken en douche. Ook een genot was de achtertuin met een stenen bergruimte en een achterom, makkelijk voor de fietsen. Na ongeveer 2½ jaar op een bovenwoning, was deze verandering ideaal: helemaal zelfstandig wonen, niets met de benedenbuur te maken. Voor Paultje was het ook heerlijk in de tuin te kunnen spelen. Wel moest ik elke dag bijtijds met de fiets naar Overveen. 's Morgens om 7 uur op het werk zijn tot 6 uur, dan naar huis om te eten. Bij gunstig weer 's avonds nog even naar de tuin op de Elswoutslaan, een uurtje schoffelen en wieden in de bloemen- en groententuin. Een vrije zaterdag bestond toen ook nog niet, althans niet voor ons werk. Het was 's morgens tot 1 uur bij klanten en dan 's middags tot 5 uur op de Elswoutslaan. We teelden ook de aardappelen voor eigen gebruik, die werden dan in september als in de particuliere tuinen niet zo veel drukte gaf, gerooid, zo was er altijd wel wat werk, vooral zomers. In de winter had men vaak onwerkbaar weer door vorst en sneeuw. Daarbij de onzekerheid hoe lang dat zou duren. Want dan was het “geen werk, geen verdiensten”.

Maar de zondag was vrij en daar genoten we van. Met goed weer samen op de fiets, Paultje voorop en dan naar buiten genieten van de mooie omgeving van Haarlem. We hadden het hier in deze woning echt naar ons zin. Zo ging de tijd gestadig door tot To in 1952 weer in verwachting raakte. We leefden opnieuw in spanning, na de teleurstelling van 1951, hoe het deze keer zou verlopen. De winter van 1952–1953 kwamen we zelf goed door. Anders was het in Zeeland, waarbij de watersnoodramp van 1 februari 1953 aan 1800 mensen het leven kostte, door die enorme stormvloedgolf van die dagen.

Maar voor ons bracht de lente een nieuw geluid: er werd ons een flinke dochter geboren. Het was dokter Smit die bij ons thuis op 11 maart 1953 de bevalling van Loes tot een goed einde bracht. Wat waren we blij dat het deze keer zo goed verlopen was. Loes was in tegenstelling van Paul een hele rustige baby. Ze kon soms zo rustig in haar wieg liggen, zodat To wel eens ongerust werd en ging kijken of ze niets mankeerde. Zo verliep het jaar verder zonder opvallende gebeurtenissen.