Album Rob Bouwman

Aflevering 11
Bersiap!'

 

Nu komen we aan bij de slotfase van mijn fotoverhaal en deze – op ťťn na laatste - aflevering kan ik helaas niet verluchtigen met foto’s van die tijd want foto’s maken was niet mogelijk tijdens de bersiap in Soerabaja. WŤl zal ik hier en daar een foto zetten van mijn zes hoofdpersonen.

Op 30 september 1945 zitten wij (tante Ans, oma Reinking en ik) op het tweede treintransport van Semarang (kamp Lampersari) naar Soerabaja. Er zouden nog twee volgen en daarna was de situatie zo gevaarlijk dat de transporten werden gestaakt. 
We verheugen ons op het weerzien met tante Riek, oom Frans en Jules en misschien zal opa Reinking er ook al zijn. Het weerzien was heel ontroerend, opa Reinking was er inderdaad, en ik herinner me vrijwel alle details van de hereniging. In mijn boek “Twee moeders” heb ik dat uitgebreid beschreven. Van mijn vader, krijgsgevangene in Japan, was nog niets bekend.
Soerabaja was bij onze aankomst op 1 oktober rommelig en onveilig. Een dag na onze aankomst plunderen  pemoeda’s de Japanse wapenarsenalen van de Goebeng kazerne en van het marine complex te Oedjoeng en hierbij vindt een grootscheepse afslachting plaats: het water van de Kali Mas bij de Goebengbrug kleurt rood van het bloed. Onthoofde lijken en afgeslagen hoofden drijven zeewaarts door de stad. De IndonesiŽrs zijn van nu af aan zwaar bewapend.

Op de radio, inmiddels in handen van de pemoeda’s, wordt de plaatselijke bevolking  voortdurend  tegen ons opgehitst door Boeng Tomo, leider in Soerabaja. “Boenoeh orang belanda”, vermoord de Nederlanders, schalt het dagelijks uit de luidsprekers op straat.
Nog geen twee weken later, het is 11 oktober, kondigt Boeng Tomo een algehele voedselboycott af tegen alle Nederlanders. Drie dagen later verklaart hij de Nederlanders de oorlog. Hij zweert zijn haar niet te zullen knippen en geen vrouw aan te raken voordat alle Nederlanders zijn vernietigd. Die tot de verbeelding sprekende belofte werkt natuurlijk heel motiverend op de jongeren.
Op maandag 15 oktober, precies twee weken na onze aankomst in Soerabaja, wordt een razzia gehouden waarbij ongeveer 2500 mannen en oudere jongens uit hun huizen worden gesleurd, gemarteld en gevangen gezet in de Werfstraat gevangenis. Bij deze razzia worden wij niet vergeten. Opgehitste pemoeda’s  komen langs en slaan opa en oom Frans de vrachtwagen op.

Opa Reinking in 1937
Op de foto met de twee stelletjes nog genomen in de gelukkige jaren voor de oorlog, staat Frans geheel rechts met naast hem Riek. Links van deze staat Ans en een vriend met wie het niets geworden is. Ik neem hierbij ook maar de gelegenheid waar om een foto van mezelf te plaatsen, een foto die ruim een jaar na dit moment werd gemaakt, toen we weer in Soerabaja terug waren uit de republikeinse kampen.

Veel later vernamen we dat de mannen voor verhoor vervoerd werden naar de Simpang SociŽteit, waar ze eerst spitsroeden moesten lopen tussen bewapende pemoeda’s door. Hierbij werden 50 mannen afgeslacht. Toen de Werfstraatgevangenis vol was (1500 man) werden de overgebleven mannen afgevoerd naar de Boeboetan gevangenis. De daarin opgesloten Japanners werden vermoord om ruimte te maken voor de Nederlanders.

Ans

Oma Reinking

Tante Ans en oma die vanuit Malang al een evacuatie mee hadden gemaakt, voorzagen vergelijkbare toestanden en op hun aandringen bereidden we ons voor op een mogelijke vlucht, dus er worden koffertjes gepakt met zoveel mogelijk houdbaar voedsel, en lichte textiel als ruilwaar. De drie vrouwen hadden het heel zwaar want over het lot van opa en Frans was niets maar dan ook niets bekend.

De boycott werd nauwgezet uitgevoerd en dat resulteerde op een bepaald moment zelfs in het afsluiten van het drinkwater. Geen water in de tropen! Met gevaar voor leven weet Jules, destijds 13 jaar oud - hier op een foto uit 1955 - in het duister van de nacht de hoofdaansluiting buiten het erf weer stiekem open te zetten. Voor voedsel zijn we afhankelijk van de ons goedgezinde IndonesiŽrs en Chinezen. Maar ook aan hun hulp komt een eind want de persoonlijke risico’s die ze lopen zijn veel te groot. Overal in de stad worden op grote schaal mensen afgeslacht voor minder dan wat hulp aan de belanda.

In Soerabaja kunnen Nederlanders zich enige tijd melden in een paar kampen die de “Roode Kruis” status hebben, zoals het Darmokamp, om van daaruit naar Singapore of AustraliŽ te kunnen vluchten. Daar wordt gretig gebruik van gemaakt maar oma en de tantes weigeren Soerabaja te verlaten omdat ze hun mannen niet in de steek willen laten. Zo waren er meer, en velen van hen zijn daardoor over de kling gejaagd.

Het is naar aanleiding van deze episode en die welke hierop volgt, dat ik op 4 mei 2002 in het Indisch huis een presentatie heb gehouden om deze groep mensen die na de oorlog vrijwel vergeten zijn, te herdenken.

Op 20 oktober wordt het kantoor van het “Roode Kruis Soerabaja” op Toendjoengan gesloten en daarmee breekt een nieuwe fase van onzekerheid aan. De dag daarop, ik zal het nooit vergeten, werden we met z’n vijven door een pemoeda met getrokken revolver het huis uit gejaagd om ondergebracht te worden in een kampong verderop. De weg daarheen lag bezaaid met stervenden en mensen die halfdood geslagen waren. Onze begeleiders dwongen ons die beelden vooral goed in ons op te nemen. Waarom eigenlijk? Om ons een lesje te leren?
Deze dag was de opmaat van een periode van ruim een maand, waarin elke dag ons nieuwe bedreigingen, onzekerheden en de daarbij horende angsten bracht.

Op 25 oktober komt in de haven van Soerabaja een Britse troepenmacht van 4000 man aan, voornamelijk Ghurka’s (Nepalese militairen in Britse dienst) onder leiding van Generaal Mallaby. Daarmee wordt feitelijk de “Slag om Soerabaja” ingeleid. In een gerichte actie bevrijden de Britten 36 (Britse) mannen uit de Werfstraat gevangenis. Dat valt heel slecht bij de  pemoeda’s en hierna escaleert de situatie in Soerabaja snel. De avond van de volgende dag  breken gevechten uit rond ons huis en we bevinden ons dan midden in de vuurbaan tussen de Ghurka’s en de pemoeda’s. De dag daarop worden we door de IndonesiŽrs uit ons huis gehaald en verderop in de straat op nummer 74 ondergebracht. In dat huis waren we niet de enigen. Ik denk dat er wel tachtig mensen zaten.

Op 9 november krijgen de IndonesiŽrs van de Britten een ultimatum waarin staat dat ze hun wapens moeten inleveren, de mannen uit de gevangenissen vrij moeten laten en dat de leiders zich moeten overgeven. De IndonesiŽrs negeren het ultimatum.
Vlak voor het verstrijken van het ultimatum doet Jack Boer, een ex-KNIL militair, een gewaagde verassingsaanval met 10 Ghurka’s, drie trucks en een pantservoertuig met kanon  op de Werfstraat gevangenis en bevrijdt alle gevangenen. De Indonesische bewakers worden allen gedood, hŪj verliest ťťn van zijn Ghurka’s. Opa en oom Frans komen vrij en gaan na  lange omzwervingen uiteindelijk naar het huis in de Daendelsstraat. Wij zullen ze pas in juni 1946 weer zien.  

Kort na de actie van Jack Boer begint de slag om Soerabaja. Twee Britse oorlogsschepen bombarderen de stad met hun zware geschut, jachtvliegtuigen bestoken de stellingen van de pemoeda’s met raketten en mitrailleurs en binnen de kortste tijd staan grote delen van de stad in brand. Op de daken van de huizen, ook op het dak van het huis waarin wij zijn ondergebracht, liggen de IndonesiŽrs en beschieten daar vandaan de Britten.
Op 24 november worden we door een paar Indonesische militairen gesommeerd de stad te verlaten. We mogen alleen meenemen wat we zelf kunnen dragen. We gaan naar Waroe. Onder een nachtelijke hemel, bloedrood gekleurd door de brandende stad, gaan we te voet temidden van een grote stroom mensen die net als wij de stad worden uitgejaagd. 

In de laatste aflevering zal ik u verder vertellen over onze tocht naar de suikerfabriek Somobito bij Soemobito, niet ver van Modjokerto.

© Rob Bouwman
Alle rechten voorbehouden.

[ Terug naar inleiding en inhoudsopgave ]