De Speurtocht
naar Christelijke Vrijheid
Christus heeft ons vrij gemaakt om in de vrijheid te blijven.
. . Het gaat alleen om het geloof, dat werkzaam is door de liefde. Gij waart zo
goed op weg. Wie heeft u verhinderd de stem van de waarheid te blijven volgen? – Galaten 5:1, 6, 7, [Willibrord Vertaling]
|
N |
et als geloof,
liefde en waarheid, is vrijheid een belangrijk aspect van het ware christendom.
Waar vrijheid heerst, gedijen geloof, liefde en waarheid. Wanneer vrijheid
beperkt is of ontbreekt, lijden ze onvermijdelijk schade. – 2 Korinthiërs 3:17
De vrijheid die Gods Zoon ons gaf heeft juist ten doel dat
we ons geloof en liefde volledig tot uitdrukking kunnen brengen, vrij van
beperkingen die mensen (niet God) ons willen opleggen. Het zonder tegenspraak opgeven van
die vrijheid betekent onvermijdelijk het opofferen van waarheid. Want zij die
zulke beperkingen willen opleggen doen dit niet uit waarheid, maar uit dwaling.
In de afgelopen paar decennia hebben honderdduizenden
personen zich losgemaakt van de religie waarin ik ben opgegroeid: Jehovah’s
Getuigen. Gedurende diezelfde decennia zijn echter honderdduizenden andere
personen toegetreden tot dezelfde religie, en wel in die mate dat de religie is
blijven groeien. Ik denk niet dat het vertrek of de toetreding van deze
personen op zichzelf iets bewijst.
De werkelijke vraag met betrekking tot diegenen die
weggingen is, waarom ze dat gedaan hebben, wat hen bewoog zich af te scheiden.
Was het uit liefde voor de waarheid? Was het omdat zij hun geloof en hun liefde
wilden uiten in christelijke vrijheid? Hadden ze dit niet kunnen bereiken door
te blijven waar ze waren? Was hun vertrek gerechtvaardigd?
Evenzo kunnen vragen gesteld worden ten aanzien van diegenen
die toetreden. Het lijdt geen twijfel dat een aanzienlijk aantal hiervan
voorheen ongodsdienstig, ongeestelijk en in wezen materialistisch in hun
opvattingen was. Vanaf hun toetreding hebben ze aanzienlijke verandering
aangebracht op deze gebieden. Ten minste een deel van hen werd geholpen
zichzelf te bevrijden van ernstige problemen als seksuele bandeloosheid,
alcoholisme, drugsverslaving, gewelddadigheid of oneerlijk, zelfs crimineel
gedrag. Dit heeft zeker een verbetering in hun levens betekend.
Het is echter ook waar dat deze staat van dienst van hulp
niet uniek is. De meeste religies en kerkorganisaties kunnen een veelvoud van
geschiedenissen en getuigenissen aanvoeren van personen die door hun bekering
een absolute ommekeer in hun leven hebben meegemaakt. Evenzo kunnen de verhalen
en de aantallen van diegenen die zijn geholpen door de Wachttoren-organisatie
in het overwinnen van verderfelijke gewoonten of verslavingen ongetwijfeld
zelfs worden geëvenaard door enkele sociale instellingen, waaronder Anonieme
Alcoholisten, afkickcentra, en soortgelijke instellingen. En zeker de
meerderheid van diegenen die Getuigen worden waren voordien niet personen die
met zulke problemen te kampen hadden.
Wat ook de schijnbare voordelen geweest mogen zijn, de vraag
blijft: tegen welke prijs zijn ze verworven? Heeft
hun toetreding tot de organisatie van de Getuigen uiteindelijk geresulteerd in
een verlies van vrijheid om waarheid, geloof en liefde uit te drukken op een
wijze die niet wordt afgedwongen of beperkt door menselijke overheersing?
Als dit het geval zou zijn, hoe geloofwaardig of betrouwbaar
is dan de verbetering die is verworven? Hoe christelijk zijn de ogenschijnlijke
voordelen nu werkelijk?
Dezelfde vragen kunnen – en zouden moeten – worden toegepast op elke religie die belijdt christelijk te zijn, en ik hoop dat wat hier naar voren wordt gebracht waardevol mag zijn voor mensen met allerlei religieuze achtergronden. Want de kwestie waar het om gaat is in feite veel omvangrijker dan de afzonderlijke problemen van de mensen die er bij betrokken zijn. Het reikt tot in het absolute hart van het goede nieuws over Gods Zoon, Jezus Christus.
Waar het verschil ligt
Enkele eeuwen geleden, ten tijde van de Reformatie, een tijd waarin veel mensen zich door hun geweten verplicht voelden kerkelijke overheersing over hun levens en hun geloof te verwerpen, bracht één van hen de positie van een christen op deze wijze onder woorden:
Daarna ging hij hier verder op in door te zeggen:
Een christenmens is een gehoorzame dienstbare dienstknecht
in alles en is iedereen onderdanig. (1)
Dit klinkt tegenstrijdig, maar dat is het niet. In feite is
het een vrije weergave van de woorden van de apostel Paulus in 1Korinthiërs
9:19(2)
Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen
dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen.
Het
verschil is dat het hier niet gaat om een onderwerping die wordt afgedwongen
door mensen die aanspraak maken op een superieure positie en die erop staan dat
men zich aan hun gezag onderwerpt, maar om een onderwerping en dienst die vrij
en spontaan ontspringt in iemands eigen hart. Het is een onderwerping en dienst
die niet het resultaat is van toegeven aan aanspraken en eisen van een ander, maar
van het zien van andermans behoeften en van het goede waartoe dat kan leiden.
Paulus erkende slechts één door God aangewezen Hoofd en Meester, Christus, en
erkende geen ander individu of een groep van personen in die positie. Van
sommigen die zulk gezag voor zich probeerden op te eisen zei hij:
"[Zij waren] heimelijk … binnengeslopen om de
vrijheid die we in Christus Jezus hebben, te bespieden. Zij wilden ons weer
slaven maken. [zij proberen ons te binden aan regels en voorschriften, Phillips Modern English]. Wij hebben echter geen moment voor
hen een stap terug gedaan; het ging erom, de waarheid van het evangelie voor u
veilig te stellen.(3)
De Apostel vatte het verlies van
christelijke vrijheid door religieuze overheersing niet licht op. Toen hij de
woorden die aan het begin van dit hoofdstuk aangehaald werden neerschreef, was
dat gericht aan mensen die zich lieten misleiden door een vals evangelie of
goed nieuws. In zijn tijd was dat de poging om opnieuw het Wetsverbond aan
christenen als verplichting op te leggen, wat hun vrijheid in Christus
aanzienlijk bedreigde. Waarin school dan het grote gevaar? De wet die aan
christenen werd opgelegd was toch immers dezelfde wet die Jehovah door middel
van Mozes had gegeven. Waarom zou Paulus dan zeggen dat het opnieuw opleggen
ervan zou leiden tot “het opnieuw gebukt gaan onder een juk van slavernij”?
Een deel van het het gevaar lag in het
feit dat een dergelijke onderwerping een aanleiding is voor mensen om zich op
te werpen als uitleggers van de wet, waarbij hun uitleggingen kracht van wet
krijgen en er gerechtelijke lichamen en religieuze rechtbanken ontstaan die
deze regels toepassen en als handhavers van de wet strafmaatregelen opleggen.
Dat zou de herinvoering betekenen van een menselijk priesterschap over
christelijke gelovigen die slechts één Hogepriester en Middelaar hebben, Gods
zoon.(4) Waarom
dan, ijverden sommige mannen in de eerste-eeuwse christelijke gemeente voor de
herinvoering van het houden van de wet? Klaarblijkelijk was de reden dat zij,
bewust of onbewust, zeggenschap en autoriteit over anderen wilden uitoefenen.
Ze streefden naar macht over medechristenen, en één wijze om dit te verkrijgen
was door zich tussen christenen en hun rechtmatig hoofd, Christus, te stellen.
Dit was een vervulling van de profetie van de apostel opgetekend in Handelingen
20:29,30:
Ik weet dat er na mijn heengaan
onderdrukkende wolven bij U zullen binnendringen, die de kudde niet teder
zullen behandelen, en uit UW eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide
dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken(5)
Hun argumenten waren aannemelijk, klonken logisch, en Paulus
toont dat velen van hun toehoorders overtuigd werden en dit als de waarheid van
het evangelie accepteerden. De voorstanders van het houden van de wet konden
bepleiten dat God rechtvaardigheid en heiligheid eist - hetgeen waar is – en
dat zonder het opleggen van de wet de mensen eenvoudigweg niet aan
rechtvaardigheid vasthouden – wat voor de meeste mensen waar mag zijn, maar wat
niet waar zou moeten zijn voor christenen. Het begon met het benadrukken van
het belang van de besnijdenis, iets dat door God zelf ruim tweeduizend jaar
eerder was ingesteld, in de tijd van Abraham. Toen deze basis eenmaal aanvaard
was, bouwden zij erop verder door er andere aspecten van de wet aan toe te
voegen, die zij als noodzakelijk voorstelden om in een goede verhouding met God
te staan en om een zuivere gemeente te houden.(6)
Het grootste gevaar lag destijds in de wijze waarop deze
nadruk op het houden van de wet een verandering teweeg zou brengen in de
verhouding van de christen met God door Christus. Het fundament van de hoop van
de christen zou erdoor in een verkeerd daglicht gesteld worden en het juiste
zicht op de christelijke bediening zou er door vertroebeld raken. Paulus
herkende het als een ernstige verloochening van het goede nieuws dat hem door
God en Christus was opgedragen te prediken.(7) Om de ernst van de zaak te benadrukken schreef hij:
Jullie die
trachten rechtvaardig te worden verklaard door de wet, zijn vervreemd van
Christus; jullie zijn van de genade afgevallen. Maar door geloof verwachten wij
vurig de rechtvaardigheid waarop wij hopen. Want in Christus Jezus heeft
besnijdenis noch onbesnedenheid enige waarde. Het enige dat telt is geloof dat
zichzelf door liefde uitdrukt.(8)
In die paar woorden, “geloof dat zichzelf door liefde
uitdrukt”, vat de geïnspireerde schrijver de essentie van het hele christelijke
leven samen. De christelijke man of vrouw wordt niet gemotiveerd door
bezorgdheid om zich aan regels te houden, of door een daarmee vergezeld gaande
bezorgdheid om bij de naleving ervan de goedkeuring van anderen te verkrijgen,
en zeker niet door de angst om voor een gerechtelijk lichaam gedaagd te worden
wegens overtreding van bepaalde gedragslijnen en bepalingen – hetgeen een
volkomen negatieve drijfveer is – maar door geloof en liefde. Geloof en liefde
zijn de positieve krachten die niet alleen de beste afschrikking bieden tegen
overtredingen maar zij zetten bovenal tot goede daden aan, de vruchten van hen
die werkelijk discipelen zijn van Gods Zoon. .
Wellicht dat een voorbeeld uit het dagelijks leven beter
kan verduidelijken wat het betekent om onder de wet, of onder de genade of
onverdiende goedheid te staan ¾ wat, alles
welbeschouwd, het uiteindelijke resultaat is.
Neem bijvoorbeeld eens een gezin waarin de echtgenoot zowel
vader als kostwinner is. Als hij zou besluiten leiding te geven aan zijn vrouw
door haar een lijst van geboden, specifieke regels en wetten voor te houden,
over hoe ze het huishouden moet doen, welke methode ze daarbij moet gebruiken
en op welke dagen en tijdstippen ze voor alle huishoudelijke en
familie-aangelegenheden zou moeten zorgen (schoonmaken, boodschappen doen,
maaltijden bereiden, zorgen voor kleding, de kinderen leren gehoorzamen), zo’n
echtgenoot zou een zeer ordentelijk gezin kunnen hebben, waarin de dingen
volgens schema verlopen. Maar hij zou waarschijnlijk ook een ongelukkige vrouw
hebben.
Wellicht schenkt het hem voldoening (of wat daar voor
doorgaat) te zien dat alles onder zijn gezag en volgens zijn voorschriften
wordt uitgevoerd. Maar hij zou nooit weten of ze voortkwamen uit liefde.
Een echtgenoot die daarentegen in de kracht van liefde en vriendelijkheid
gelooft en zijn denken niet laat leiden door een vals gevoel van superioriteit, maar een man is die zijn vrouw vertrouwt en respecteert, haar
intelligentie en haar vermogen om zelf voor de dingen te kunnen zorgen erkent
en gelooft dat haar zorg voor het huis en het gezin even sterk is als de zijne
(en haar ook dienovereenkomstig behandelt), zo'n echtgenoot kan evenzeer het
plezier beleven van een ordelijk, goed verzorgd huis. Maar de sfeer zal er veel
meer ontspannen en gelukkiger zijn dan in het eerste voorbeeld. Hij kan dit
door middel van een goede communicatie en discussie bereiken, waarbij hij
streeft naar gemeenschappelijke conclusies en beslissingen, in plaats van enkel
blijk te geven van willekeurige autoriteit. Wanneer hij ziet dat het huis
keurig en schoon is, dat de maaltijden goed bereid worden, dat er voor kleding
wordt gezorgd, of wanneer hij constateert dat zijn kinderen een groot respect
voor hem ontwikkeld hebben, dan weet hij dat dit alles het resultaat is van
iets anders dan het naleven van regels. Hij kan oprecht blij en tevreden zijn
in de wetenschap dat alles voortkomt uit de liefde van zijn vrouw voor hem,
voor hun huwelijk en voor het gezin.
Naar buiten toe ziet het er in beide gevallen op bepaalde
gebieden misschien hetzelfde uit. Maar intern bestaat er een enorm verschil. De
sleutel ligt in het verschil in motivatie en bedoeling. En dat is nu juist het
verschil wat zo bepalend is voor de wijze waarop iemand als christen leeft:
staat hij of zij onder de wet of onder Gods liefdevolle goedheid door Jezus
Christus?
Gods wijsheid is hierin beslist zichtbaar. Liefde en
geloof, de ware “regels” van de christen, kunnen de intiemste gedachten en
diepten van het hart bereiken. Ze kunnen elk aspect van het leven beroeren en
beïnvloeden op een wijze die door wetten en regels nooit bewerkstelligd kunnen
worden. Doordat de christen niet onder de wet staat, wordt hij in een positie
geplaatst waarin hij kan laten zien wie hij in de grond van zijn hart werkelijk
is. En alleen dat telt bij God.
Hoe langer ik lid was van het Besturend Lichaam van
Jehovah’s Getuigen, hoe meer dit punt mijn denken bepaalde. Ik had het gevoel dat
een buitensporig groot deel van de in het Besturende Lichaam doorgebrachte tijd
in beslag werd genomen door de besluitvorming ten aanzien van regels voor het
privé-leven van mensen. Ik zag dat elke regel vragen te voorschijn riep die
weer tot nieuwe regels leidden, op grond waarvan de rechtschapenheid van
anderen werd beoordeeld. Slechts als mensen deze regels in acht namen, konden
zij als rechtvaardig voor God en Christus beschouwd worden. Waarom zou dit zo
moeten zijn? Hadden wij – een paar mannen – werkelijk de volmacht van God zo te
handelen? Was het werkelijk voor het welzijn van degenen die we geacht werden
te dienen?
Pas toen ik begon te beseffen dat de vrijheid die in de
Schrift wordt geleerd niet gewoonweg het vrij zijn van de Mozaïsche wet betekende
maar van het hele idee van het gehoorzamen van wetten – ongeacht welk soort van
wet – was ik in staat te zien waar het werkelijke probleem lag. In plaats van
het houden van wetten en voorschriften als middel om binnen de christelijke
gemeente een positie van rechtschapenheid te verkrijgen en te behouden, was er
een betere weg. Juist dat maakt christelijke vrijheid mogelijk, bereikbaar en
zo begerenswaardig.
Het is niet, dat de wet slecht is (het is immers het enige
dat veel mensen in deze wereld in het gareel houdt)(9)
Het is veeleer dat liefde en geloof zo superieur zijn, zoveel meer tot stand
kunnen brengen dan een wet ooit zou kunnen; ze kunnen een rechtvaardige geest
voortbrengen die uit het hart ontspringt. Wie zouden we zelf meer vertrouwen en
voor wie hebben we meer respect en achting? Iemand die zegt zich te onthouden
van het verkeerde "omdat het onwettig
is"? Of iemand die zegt zich ervan te onthouden "omdat het liefdeloos is en blijk geeft van een gebrek aan geloof in God?” De eerste uitlating
verraadt slechts wat iemands houding of interesse is ten aanzien van de wet,
terwijl de tweede ons een blik verschaft in het hart en de innerlijke gevoelens
van de persoon. Toen God het volk van Israël uitkoos als zijn verbondsvolk,
riep hij ze niet als afzonderlijke personen in die verhouding, maar Hij nam de
hele menigte, “met alles erop en eraan”, goed, slecht en middelmatig. De natie
was zeker niet bijzonder geestelijk, toen niet en later ook niet. De Wet die
aan hen gegeven was vervulde een noodzakelijke rol. Hij diende als tuchtmeester
en leidde hen naar de Messias, net zo als “pedagogen” uit de oudheid kinderen
naar hun leraar leidden.(10) Het
liet duidelijk zien dat ze zondig waren, niet in staat zichzelf van zonde te
bevrijden, en dat zij een verlosser nodig hadden.(11)
Het bood hun een uitzicht op "schaduwen", die een symbolische schets
waren van de toekomstige dingen die door de Messias vervuld zouden worden.(12) Zonder deze Wet is er geen reden om aan
te nemen dat aan het einde van ongeveer 1500 jaar van het bestaan van de natie
er ook nog maar iets zou zijn overgebleven van wat lijkt op ordeningen die God
onder hen had ingesteld; ordeningen die de achtergrond zouden gaan vormen
waartegen de Messias uitdrukkelijk herkend kon worden. In tegenstelling hiermee
worden christenen in een verhouding met God als zijn zonen door Christus
geroepen, niet als een menigte, maar als individuen, niet op grond van
vleselijke afstamming, maar op basis van hun hart en hun beweegredenen. Hun
leraar is gekomen en ze hebben geen tuchtmeester nodig die hen tot hem moet
leiden. Ze zijn “niet onder de wet, maar onder de genade “, onder de genadige
goedheid van God. Ze hebben hun hart aan hem gegeven en ze worden nu
gemotiveerd door zijn Geest.(13) Die Geest kan zo oneindig veel meer bewerkstelligen om een ieder van
ons voor overtredingen te behoeden en om ons ertoe te bewegen goed te doen dan
enig wetsvoorschrift of verzameling regels ooit zou kunnen. Wanneer men dit
niet onderkent, betekent dit, dat men de essentie van het goede nieuws ontkent.
Wanneer men de grootse vrijheid die dit met zich meebrengt niet waardeert,
toont men minachting voor wat Christus heeft gedaan toen hij het ons mogelijk
maakte, niet meer “onder de wet, maar onder onverdiende goedheid” van God te
staan.
Zoals op alle terreinen van het leven geldt ook in religieuze
aangelegenheden dat “de prijs van vrijheid voortdurende waakzaamheid is”.
Christelijke vrijheid verliest men niet zozeer ten gevolge van gewelddadige
veroveringen, maar door subtiele uitholling. Het van God verkregen recht zijn
eigen geweten te volgen, om zo tot eigen conclusies en persoonlijke
overtuigingen te komen, zodat het geloof uit het eigen hart voortkomt en op een
persoonlijke kennis van Gods woord gebaseerd is, staat men langzaam maar zeker
aan anderen af. Uiteindelijk komt men tot een tweedehands geloof, gebaseerd op
de overtuigingen en redenaties van anderen. Het opofferen van de rechten die
inherent zijn aan de christelijke vrijheid – in welke mate en om welke reden
dan ook – betekent een beperking en een verhindering van de mogelijkheid om
uitdrukking te kunnen geven aan onze liefde en ons geloof. Wil een dergelijke
uiting spontaan zijn en van binnenuit komen, dan is daarvoor een klimaat van
vrijheid nodig. Want “waar de Geest des Heren is, is vrijheid.”(14)
Heerst er een dergelijk klimaat van christelijke vrijheid
binnen de organisatie van Jehovah’s Getuigen? Is daar een voedingsbodem
aanwezig voor uitingen van liefde en geloof die vrij uit iemands innerlijk
voortkomen en niet het resultaat zijn van druk van buitenaf? Ik meen dat de
bewijzen aantonen dat dit niet zo is. Mijn jaren in het Besturend Lichaam van
die organisatie hebben mij tot deze overtuiging gebracht. Niet dat alle
afzonderlijke Getuigen in dezelfde mate beïnvloed zijn. Sommigen kunnen de druk
van de organisatie wel aan. Ze zijn in staat te voorkomen dat hun
persoonlijkheid wordt aangetast doordat zij zich inspannen om de bekrompenheid
en de keurslijfmentaliteit als gevolg van gestuurd denken te vermijden. Zulke
mensen tonen vaak een spontaniteit en motivatie die opmerkelijk is. Het
bewijsmateriaal toont echter aan dat dit niet het resultaat is van de organisatie, maar iets dat men heeft weten te
bewaren ondanks de organisatie. Ik
denk ook niet dat de situatie onder Jehovah’s Getuigen uniek is. Maar ik denk
wel dat allen de invloed ervan in zekere mate ondervinden en dat de gevolgen
onvermijdelijk pijnlijk zijn. De ingeprente houding is niet gebaseerd op
waarheid - de waarheid die vrij maakt - maar op een verdraaiing van de
waarheid. Het verdraait hun begrip van wat het werkelijk inhoudt een volgeling
van Gods Zoon te zijn. Zijn goede eigenschappen kunnen daardoor niet volledig
in hun leven tot uiting komen. Het beperkt hen in veel liefdes- en
geloofswerken die hun hart hun anders zou hebben ingegeven, en het verplicht
hen tot andere werken waarvoor ze geen overtuigende Schriftuurlijke reden zien.
Hoe dan ook, de vrijheid wordt in meerdere of mindere mate opgeofferd.
De waarheid van het “toen Christus ons vrijmaakte, wilde hij dat wij
vrij zouden blijven” is verduisterd of vergeten.
Er is niet slechts één
oorzaak van het probleem, er zijn er meer. Maar ik geloof dat wat hierna volgt
wel een zeer fundamentele oorzaak aangeeft.
Voetnoten:
1. Maarten
Luther in zijn verhandeling over "de vrijheid van een christenmens"
2. NBG
vertaling
3. Galaten
2:4,5 Groot Nieuws Bijbel]
4. 1
Timothëus 2:5 - Hebreeën 4:14
5. Het Griekse woord (bareis) dat hier met
"onderdrukkend" wordt vertaald, heeft de
oorspronkelijke betekenis van
"zwaar", en is hetzelfde woord dat gebruikt wordt in Matthéüs 23:4
met betrekking tot de Farizeeën die de mensen "zware lasten" oplegden
met hun wettisch traditionalisme. De invloed van autoritaire praktijken komt
ook in beeld, en Diótrophes, beschreven in 3 Johannes 9,10, illustreert die
overheersende geest.
6. Zoals Handelingen 15:5, 10 aantoont, was het
niet alleen een kwestie van de
besnijdenis op zich, maar van het houden
van de wet in z'n geheel. In vers 10 beschrijft Petrus die wet als een
belastend "juk" dat niemand met succes zou kunnen dragen.
7. Galaten
1:1, 8-12
8. Galaten 5:4,5,
NIV.
9. Vergelijk
1 Timothéüs 1:8-10
10. Galaten 3:23-26
11. Galaten 3:19,21,22
12. Kolossenzen 2:16,17
13. Romeinen 6 :14-19
14. 2 Korinthiërs 3:17