Politieke economie

De economische leer van marx

Inleiding

In 1867 schreef Marx zijn boek 'Het Kapitaal'. Daardoor maakte het tot dan toe bestaande socialisme een geweldige sprong voorwaarts. Het kreeg een wetenschappelijke ondergrond. De arbeidersbeweging kon bewuster en doelmatiger dan in de periode ervoor strijd leveren tegen haar uitbuiting.

Aldus beschreef Engels in "Het socialisme van utopie tot wetenschap" de grote verdienste van Marx waar het zijn economische leer betrof.
Voor ons is het van zeer groot belang, dat we ons de economische leer van Marx eigen maken en gaan begrijpen. Willen we die economische leer van Marx kunnen begrijpen, dan moeten we ons realiseren, dat het voorafgaande materiaal van onze basisscholing goed begrepen moet zijn. Want het is tegen die achtergrond van de wereldbeschouwing zoals in dit genoemde materiaal uiteengezet, dat Marx zijn leer heeft ontworpen.

Lenin noemde het filosofisch materialisme, de dialectiek, het historisch materialisme en de klassenstrijd

Laten we het ons dus steeds realiseren: de economische leer van Marx is pas goed te begrijpen, als men tegelijk de wereldbeschouwing zoals Marx die had, begrijpt. En beter nog: die zich eigen heeft gemaakt.

Economische wetten zijn bewegingswetten

Dit is een belangrijk uitgangspunt en standpunt van Marx. In zijn economische leer neemt de geschiedenis een belangrijke plaats in. En dan moeten we geschiedenis opvatten, zoals we die hebben uiteengezet in het scholingmateriaal : Historisch Materialisme.
Het was niet zijn bedoeling om zomaar een ekonomische leer te ontwerpen als een soort alternatief voor het bestaande. Neen hij stelde zich tot doel "om de ekonomische bewegingswet van de moderne maatschappij (het kapitalisme) bloot te leggen ."
We kunnen steeds konstateren, dat Marx zocht naar bewegingswetten. Hij ziet de maatschappij "als een natuur-historisch proces, met eigen wetten en met ijzeren noodzakelijkheid werkende tendenties." Zo omschreef een criticus uit Marx' tijd zijn leer en kreeg prompt een pluim van Marx, omdat hij het zo goed omschreven had !! (Zie voorwoord bij de 2e druk van het Kapitaal )

Marx heeft ontdekt en verder uitgewerkt, dat de kapitalistische produktiewijze zelf het gevolg is van een historische ontwikkeling en zal veranderen. Hij maakte een diepgaande studie van vroegere produktiewijzen en produktieverhoudingen, zoals ze bestonden v‹‹r het kapitalisme. Met nadruk wees hij op het historische en vergankelijke karakter van elke produktiewijze. Hij noemde als wezenlijk kenmerk van de geschiedenis: de ontwikkeling.
Het is belangrijk om hierbij stil te staan. Bij het Historisch Materialisme hebben we geschreven: "de strijd die op politiek en ideologisch terrein het hevigst werd uitgevochten, was niets anders dan het gevolg van de ontwikkeling van de produktiekrachten. Deze ontwikkeling van de produktiekrachten eiste andere produktieverhoudingen."
Veranderingen van de ene produktiewijze naar de andere werden veroorzaakt door een innerlijke strijd tussen krachten van het oude en krachten van het nieuwe, hetgeen steeds uitmonde (en uitmondt ) in de vernietiging van het oude,bestaande stelsel. De kenmerken en algemene wetten van de dialektiek zijn hier duidelijk aanwijsbaar!!
Op deze manier hebben we de aanhef van dit hoofdstuk willen verklaren: ekonomische wetten zijn bewegingswetten. Het gaat er nu verder om, die bewegingswetten op te sporen en te begrijpen.

Het belang van de productiesfeer

In het voorgaande is aangegeven, dat het kapitalisme een fase is in de geschiedenis. Wat is nu de reden, dat in de politieke ekonomie van Marx de relaties die tussen mensen in de produktiesfeer bestaat, zo centraal worden gesteld ?
De reden is te vinden in de centrale rol die volgens het Marxisme de arbeid speelt bij het ontstaan en de maatschappelijke ontwikkeling van de mens. Door de arbeid verschilt de mens wezelijk van de andere dieren. Net als die dieren staat de mens in voortdurende wisselwerking met zijn natuurlijke omgeving. Maar dankzij het gebruik van arbeidsmiddelen kan de mens dingen uit zijn omgeving bewust aanpassen aan zijn behoeftes. Arbeidsmiddelen, dat zijn hulpmiddelen en werktuigen, die lopen van stenen bijlen tot computergestuurde machines. Zonder die arbeidsmiddelen en die voorwerpen die bewerkt worden, d.w.z. zonder dingen die direct of omgevormd uit de natuur afkomstig zijn, kan de mens niet werken en dus niet overleven. Arbeidskracht (het vermogen tot arbeiden waartoe zijn lichaam de mens in staat stelt) moet dus altijd verbonden worden met die produktiemiddelen. De wijze waarop die verbinding maatschappelijk tot stand gebracht wordt vormt uiteindelijk de bestaansvoorwaarde van een bepaalde maatschappij. Vandaar dat voor het marxisme de Ňeigendoms-verhoudingen', de wijze waarop arbeidskracht en arbeidsmiddelen met elkaar verbonden worden, allereerst 'produktieverhoudingen' zijn.
Zoals we gezien hebben in de behandeling van het deel "Historisch Materialisme", was de oorspronkelijke eigendomsvorm onder het 'oer-communisme': het 'gemeenschapseigendom'. Uit die eerste maatschappijvormen ontstaan klassenmaatschappijen. Dan heeft niet de gemeenschap als geheel maar slechts een (klein) deel daarvan de (belangrijkste) produktiemiddelen voor zich gemonopoliseerd.
De grote meerderheid van de mensen is daardoor gedwongen voor de bezittende klasse te werken. "Deze ontwikkeling van oer-communisme naar klassenmaatschappij was historisch noodzakelijk omdat het een verder ontwikkeling van de produktiekrachten mogelijk maakte". Zodra echter een bepaalde uitbuitingsvorm, zoals slavernij of lijfeigenschap, een rem op de verdere ontwikkeling van de produktiekrachten werd, moest ze plaats maken voor een hogere maatschappijvorm. De voor-kapitalistische uitbuitingsmaatschappijen berustten nog op een economie die hoofdzakelijk agrarisch was. Dat betekende, dat het doel van de produktie de voortbrenging van gebruiksgoederen vormde. De horige boer bijvoorbeeld produceerde samen met zijn (groot)familie bijna alles wat men voor zichzelf (inclusief het bedrijf) nodig had. Daarnaast moesten ze een deel van hun arbeid (hun meerarbeid) spenderen aan de produktie voor hun heer, de landeigenaar. Voor de ruil op de markt was slechts een overschot boven deze noodzakelijke produktie beschikbaar.

Pas als de techniek en de arbeidsdeling verder zijn wordt produktie voor de markt, produktie van waren, mogelijk. Daarmee ontwikkelt zich ook het prive-eigendom van de produktiemiddelen verder.
Voorwaarde voor het ontstaan van het "meest ontwikkelde prive-eigendom", n.l. het kapitalistische eigendom, is echter, dat alle vormen van gemeenschappelijk eigendom van de directe producenten van hun produktiemiddelen opgeheven zijn. Met geweld vaak werden dorpsgemeenschappen onteigend. De feodale rechten van de heren over het land, werden omgezet in echt prive-eigendom, waardoor de boeren hun gebruiksrechten over land en boerderijen verloren en tot eigendomsloze proletariers werden. Een klein gedeelte kan kleine prive-producent worden op gekocht of gepacht land. Het grootste deel wordt echter "vrije" arbeider. D.w.z. vrij van de mogelijkheid om zelfstandig in zijn levensonderhoud en behoeften te voorzien; vogelvrij en alleen in staat zijn arbeidskracht te verkopen.

Zowel de met vreemde (loon)arbeid producerende kapitalisten, als de kleine, eigen arbeid inzettende prive-producent, kan alleen maar voor de markt produceren. Warenproduktie vindt dus alleen maar plaats als goederen voor anderen en niet voor zichzelf worden voortgebracht, door van elkaar onafhankelijke (prive-)producenten.
Marx vat dit in zijn voorwoord van "Kritiek op de politieke economie" als volgt samen:

"In de maatschappelijke produktie van hun leven gaan de mensen bepaalde noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen aan, produktieverhoudingen; deze produktieverhoudingen beantwoorden aan een bepaald niveau van hun materiele produktiekrachten. Het geheel van deze produktieverhoudingen vormt de economische structuur van de maatschappij".

Onder produktiekrachten verstaan we, zoals we eerder bij het Historisch Materialisme aangegeven hebben:
Produktiekrachten zijn al die krachten, die nodig zijn om gebruikswaren ter bevrediging van de menselijke behoeftes te produceren. Hiertoe behoren de lichamelijk en geestelijke vaardigheden van de mensen, natuurkrachten en natuurlijke stoffen, al of niet bewerkt, en de krachten die voortkomen uit het samenwerken van mensen en de inwerking van de mens op de natuur. Bijvoorbeeld: de mensen met hun vaardigheden, ervaring en kennis, de produktiemiddelen, de technologie, de organisatie van de produktie en de wetenschap. De menselijke arbeidskracht is de belangrijkste produktiekracht.
Onder produktieverhoudingen verstaan we de sociaal-economische verhoudingen waarin de mensen tot elkaar staan in de produktie en reproduktie van hun materiele leven; dat wil zeggen de verhoudingen in het produktieproces, bij de ruil of bij de verdeling van de goederen.
Deze verhoudingen zijn onafhankelijk van de wil en het bewustzijn van de mensen. Bijvoorbeeld de verhouding waarin de mensen tot elkaar staan met betrekking tot de produktiemiddelen: een verhouding van bezitters en niet-bezitters van produktiemiddelen. De eigendomsverhoudingen zijn het bepalende element in de produktieverhoudingen.

Het kapitalisme en zijn innerlijke tegenspraak

Zoals elke produktiewijze, heeft ook het kapitalisme een innerlijke tegenstrijdigheid. Alvorens we ingaan op de specifieke bewegingswetten van het kapitalisme, willen we bij die innerlijke tegenstrijdigheid stil staan:

"De kapitalist treedt op in zijn hoedanigheid als eigenaar van de produktiemiddelen en eigent zich ook de produkten toe en maakt ze tot waren. De produktie is tot maatschappelijk handelen geworden. De ruil en daarmee de toeeigening blijven individuele handelingen, handelingen van een enkeling. Het maatschappelijk produkt wordt toegeeigend door individuele kapitalisten. Dit is de fundamentele tegenstrijdigheid, waaruit alle andere tegenstrijdigheden voortvloeien." (Engels in "Het socialisme van utopie tot wetenschap")

In tegenstelling tot vroegere maatschappelijke stelsels vertoont het kapitalisme de tendens tot zo groot mogelijke ontwikkeling van de produktiekrachten. Maar tegelijkertijd stoot deze ontwikkeling voortdurend op de grenzen die de kapitalistische uitbuiting eraan oplegt. De ontwikkeling van de produktiekrachten vormt dus niet het 'doel', maar slechts een 'middel', om de arbeiders zoveel mogelijk uit te buiten.
Gelet op de buitengewone groei van het produktievermogen onder dit systeem, zou alle ontbering en ellende verdwenen moeten zijn. Maar dit is niet gebeurd, zelfs niet in een land als de Verenigde Staten, het meest ontwikkelde kapitalistische land ter wereld. Er is honger temidden van overvloed, armoede temidden van rijkdom. Er moet wel iets volkomen scheef zitten in een economisch systeem, waarbinnen zulke tegenstrijdigheden voorkomen.

Het zal duidelijk zijn, we komen er later op terug, dat de kapitalist niet voor zichzelf, voor eigen gebruik, produkten produceert, of liever: laat produceren. Hij produceert voor de markt, waar afnemers moeten zijn voor zijn produkten.

"De centrale tegenstelling in het kapitalisme is de vermaatschappelijkte produktie en de private toeeigening van de produkten".

We zullen dit illustreren met een voorbeeld, ontleend aan een film van Joris Ivens die in de jaren 30 een film maakte over de crisis in Nederland. Die crisis werd door veel mensen gezien als een straf uit de hemel of als een soort natuurramp (de zeven magere jaren). Iets wat buiten de mensen omging en waartegenover ze machteloos waren. In Ivens' film zien we, hoe in het begin van de jaren 30 de Zuiderzeepolders waren drooggemalen, hoe uiteindelijk het eerste graan van de velden komt, dit alles als resultaat van het werk van talloze handen. Inmiddels is dan de zogenaamde economische crisis op haar hoogtepunt. Een gevolg is onder andere een scherpe daling van de graanprijzen: er valt niets meer aan te verdienen, er is overproduktie. In een poging de graanprijzen weer omhoog te krijgen zien we dan in de film (daadwerkelijk gebeurd!) hoe het graan met scheepsladingen tegelijk in de Zuiderzee wordt gestort. Tussendoor zien we echter hoe vrouwen van werklozen bij centrale gaarkeukens met pannen in de rij staan, om het nodige voedsel voor het in het leven houden van hun gezinnen te bemachtigen.
De innerlijke tegenstelling van het kapitalisme is aldus goed te zien. Het kapitalisme heeft het veroorzaken van chaos en conflicten dan ook in zich. Omdat de kapitalist de produktiemiddelen in prive-bezit houdt, en produceert voor de markt, zal hij in een voortdurend conflict gewikkeld zijn met de arbeiders wiens arbeidskracht hij inschakelt voor de produktie. Want dankzij de arbeidskracht van de arbeider kan de kapitalist blijven bestaan. Hij buit de arbeider uit en zal hem blijven uitbuiten, ook al zou hij dat niet eens willen, ook al zou hij persoonlijk tegen deze uitbuiting strijden. De wetten van het kapitalistische systeem zijn in deze onwrikbaar. Een kapitalist die geen uitbuiting wil, kan geen kapitalist zijn. Hij zou minstens door andere kapitalisten worden voorbijgestreefd en worden uitgeschakeld als kapitalist.
Marx heeft aangegeven in zijn economische leer, dat het onvermijdelijk is dat de kapitalistische produktieverhoudingen verdwijnen. Dat er een einde zal komen aan het kapitalistische prive-eigendom van de produktiemiddelen.
We gaan verder met de behandeling van de wijze waarop de kapitalistische uitbuiting in zijn werk gaat. Geen gemakkelijke zaak, maar toch mogelijk dankzij de Marxistische maatschappijtheorie.

De bewegingswetten van het kapitalisme

Citaat: "In de kapitalistische maatschappij is de warenproduktie overheersend, daarom begint Marx zijn analyse bij de waar". (Lenin in "Karl Marx en zijn leer")

De meerwaardewet

Om deze wet nader te verklaren, zullen we de analyse volgen, zoals Marx deed in zijn boek "Het Kapitaal".

Wat is een waar?
Een waar is een produkt van menselijke arbeid, dat nuttig moet zijn en geruild moet kunnen worden. Bij deze omschrijving kunnen we denken aan een ding, bijv. een stoel, maar het kan ook een activiteit zijn, bijv. gezondheidszorg. Een waar moet dus de dubbele eigenschap hebben van en gebruikswaarde en ruilwaarde. Gebruikswaarde betekent simpelweg, dat het moet dienen ter bevrediging van de of andere menselijke behoefte. De ruilwaarde is niet zo simpel. Het is niet zomaar een eigenschap van het produkt op zich. Het produkt verkrijgt ruilwaarde als het door de maker niet gemaakt is voor eigen consumptie, maar om te ruilen. Met name de arbeidsdeling, zoals die eerder door ons is beschreven, heeft de noodzaak van het moeten produceren voor de ruil ontwikkeld. Pas als een produkt voor de ruil gemaakt wordt, is het een waar. Als het voor eigen gebruik gemaakt wordt, is het geen waar.
Maar ook als het voor anderen geproduceerd wordt, zo hebben we al opgemerkt, behoeft het nog geen waar te zijn. Het moet het produkt zijn van onafhankelijk van elkaar opererende producenten, van prive-arbeid.

Hoe ontstaat de ruilwaarde?
Waren worden tegen elkaar geruild, omdat ze verschillende gebruikswaarde hebben. Men zal geen hamer tegen een hamer gaan ruilen. Toch moeten we nader op het ruilen van goederen ingaan. Zoeken we naar hetgeen alle ruilvoorwerpen gemeen hebben, dan is het dat ze allen 'arbeidsprodukten' zijn. Er zit menselijke arbeid in. Maar niet arbeid in zijn concrete vorm, d.w.z. arbeid die een bepaalde gebruikswaarde tot resultaat heeft. Bijvoorbeeld meubelmakersarbeid of metselaarsarbeid. De (gebruiks)waarde van die stukken concrete arbeid wordt bepaald in het gebruik, in de produktie of in de consumptie. Goederen zijn slechts van waarde voor de ruil als ze juist niet gebruikt worden, want dan kunnen ze immers niet meer geruild worden!

We moeten dus afzien (abstraheren) van het concrete doel waarvoor de produkten geproduceerd worden, om ze te kunnen ruilen. Wat overblijft is abstracte arbeid, arbeid in het algemeen, verbruik van menselijke arbeidskracht. Dit is wat al die kwalitatief verschillende gebruikswaren gemeen hebben, dat ze algemeen menselijke arbeid belichamen.
Hoe kunnen we nu de grootte van die ruilwaarde bepalen? Hoe stellen we vast hoeveel van de ene waar geruild kan worden tegen hoeveel van de andere waar? 'Abstracte' arbeid kan alleen gemeten worden aan de arbeidstijd. Het gaat hierbij niet om de tijd die een bepaalde individuele arbeider of produktie-eenheid nodig heeft om een bepaalde waar voort te brengen. Bij de 'abstracte' arbeid hebben we immers te maken met verbruik van arbeidskracht in het algemeen, met de totale maatschappelijke arbeidskracht. Het gaat dus om de 'maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd', tijd die voor het gebruik of verbruik van doorsnee maatschappelijk arbeidskracht nodig is om een bepaalde waar te produceren. Die arbeidstijd verandert dus, naarmate de normale voorwaarden waaronder gewerkt wordt veranderen.
Als de gemiddelde arbeidstijd om een bepaalde gebruikswaarde, bijvoorbeeld een stoel, te produceren door de invoering van produktievere machines daalt, daalt ook de ruilwaarde van dat bepaalde type stoel. Ook van de stoel die nog onder minder produktieve omstandigheden wordt voortgebracht, zoals door een ambachtsman, en welke dus veel meer inder individuele arbeidstijd kost.
Dat dat het geval is blijkt pas als de warenbezitters deze waren voor de verkoop op de markt brengen. In hoeverre de individuele producenten inderdaad met hun produkten aan de maatschappelijke vraag voldoen, kan dus pas achteraf vastgesteld worden.
Dat hierdoor niet alleen de mogelijkheid, maar ook de noodzakelijkheid van onderlinge concurrentie tussen kapitalisten is gelegen, dat zal duidelijk zijn. De 'zwakke' kapitalist is gedoemd te verdwijnen voor de kapitalist die met moderne produktiemiddelen produceert en de waardegrootte van een produkt verlaagt door minder tijd te gebruiken voor de produktie van het produkt. Hij kan zijn produkten goedkoper op de markt brengen!
Op dit moment is het belangrijk om vast te stellen, dat de noodzaak tot concurrentie een levenszaak is voor de individuele kapitalist. Met alle gevolgen van dien: overproduktie, chaos, inefficientie, onrechtvaardigheid.

Ter verduidelijking:

* Een ding kan gebruikswaarde hebben zonder een waarde te hebben. Dit is het geval als het nuttig is, echter niet door menselijke arbeid gemaakt. Bijvoorbeeld lucht: dit is geen waar.
* Een ding kan ook nuttig zijn en een produkt van menselijke arbeid, zonder een waar te zijn. Bijvoorbeeld een brood dat men bakt voor eigen gebruik.
* Een ding kan geen waar zijn als het geen gebruikswaarde heeft. Dan is het nutteloos, en ook de daarin gestopte arbeid is nutteloos.

De waardewet
In iedere waar zit dus menselijke arbeid. Het is deze eigenschap die alle waren gemeenschappelijk hebben, die ze vergelijkbaar maakt en geschikt om te ruilen, te verhandelen. De hoeveelheid arbeid wordt dan de Waarde genoemd. En het feit, dat het de hoeveelheid arbeid, die in een waar is gestoken, hetgeen dus het waardeniveau of prijsniveau bepaalt, dat is de 'waardewet'.

De ruilwaarde en het geld
De waarde-grootte van een waar is gelijk aan de hoeveelheid maatschappelijke arbeid die nodig is om die waar te produceren. In vroegere produktiewijzen was er produktie voor eigen gebruik en werd er af en toe wel eens geruild als er sprake was van een goede oogst e.d. Via een lange weg heeft deze toevallige ruil zich ontwikkeld tot de algemene ruil door middel van het geld. Dat geld is dus een middel. Door zijn specifieke eigenschappen werd het goud gebruikt om te dienen als algemene waardemeter.
De prijs van een waar noemen wij de waarde ervan, uitgedrukt is geld. Maar de prijs van een waar gaat altijd op en neer in verband met de omstandigheden op de markt. Tussen de verkoper en de koper wordt op de markt gestreden over de hoogte van de prijs. De verhouding tussen vraag en aanbod bepaalt de krachtsverhoudingen op de markt. Is de vraag groter dan het aanbod, dan zal de concurrentie onder de verkopers het grootst zijn en zal de prijs boven de waarde stijgen. Dat zal weer tot een vergroting van een produktie van die waar leiden, d.w.z. vergroting van het aanbod en daling van de prijs. Het omgekeerde proces vindt plaats als de vraag kleiner is dan het aanbod. We zien dus dat de prijzen schommelen rond een gemiddelde, dat door de waarde wordt aangegeven.

De meerwaardewet in het kapitalisme
Alvorens we de door Marx ontdekte meerwaardewet gaan behandelen, eerst nog een schematisch overzicht, om de verschillen tussen zogenaamde eenvoudige warenproduktie en de kapitalistische warenproduktie aan te geven.

Terwijl het er in de eenvoudige warenhandel om gaat waren (W) te verkopen tegen geld (G), waarvoor men dan andere waren van dezelfde waarde kan kopen, gaat het bij het kapitalisme anders: het op de een of andere manier vergaarde geld (bijv. eerst via woeker of handel, later uit de winst) wordt gebruikt om waren te kopen (grondstoffen, machines) die het mogelijk maken om nog meer geld te vergaren.

In formules uitgedrukt:

De vraag is nu: Waar haalt de kapitalist die grotere som geld vandaan? Niet door slim te zijn en zijn waren te verkopen tegen een prijs die veel hoger is dan de waarde. Immers, de kapitalist moet zelf ook weer gaan kopen bij een andere kapitalist die in hetzelfde schuitje zit en ook zijn prijzen zal willen verhogen. Zo zou de winst die bij de verkoop isgemaakt bij de inkoop weer verloren gaan. Door het handelsproces op zich kan de kapitalist over het algemeen geen geld verdienen, al is het wel zo, dat er individuele kapitalisten zeer rijk kunnen worden door uitgekiend handel te drijven.
De geldbezitter kan met zijn geld meer geld maken door een speciale waar te kopen en te gebruiken: de arbeidskracht van de arbeider!! De arbeidskracht is dan ook de enige waar die in staat is om waarde te scheppen en meerwaarde voort te brengen.

Arbeidskracht als waar en de waarde ervan
In de produktiewijzen voor de kapitalistische, was de arbeidskracht geen waar. Arbeiders verkochten hun arbeidskracht niet (uitzonderingen daargelaten). In de slavernij bijvoorbeeld behoorde de slaaf zelf aan de eigenaar toe. Hij had geen bewegingsvrijheid om naar de markt te gaan en zijn arbeidskracht te verkopen. In het kapitalistische produktiesysteem is de arbeider een vrij persoon en, even noodzakelijk, hij bezit geen produktiemiddelen. Zeker niet in die mate dat hij kan mee-concurreren tegen de 'moderne' fabrieken. Onder deze twee noodzakelijke voorwaarden kan de arbeidskracht tot een waar worden gemaakt.
Zoals iedere waar, wordt ook de arbeidskracht tegen een bepaalde prijs verkocht. Dat is het loon dat de kapitalist aan de arbeider betaalt.

Hoe wordt de waarde van de arbeidskracht als waar bepaald? Bij eerdere uitleg over de waardewet hebben we gezien, dat de waarde afhangt van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, nodig om de waar te produceren. Welnu, dit gegeven is bij de vaststelling van de waarde van de arbeidskracht ook van toepassing. Om zijn arbeidskracht te behouden moet de arbeider iedere dag de verbruikte energie aanvullen. Denk aan voedsel, ontspanning, rust, onderwijs, e.d. Ook het grootbrengen van toekomstige arbeidskracht (kinderen) moeten we hierbij in aanmerking nemen.
Conclusie: we moeten rekening houden met de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die gestoken is in de produktie van alle goederen die de arbeider nodig heeft om zijn arbeidskracht op peil te houden. De waarde van de arbeidskracht is gelijk aan de waarde van alle produkten die nodig zijn om de arbeidskracht te behouden en te reproduceren in een bepaalde maatschappij.
De goederen en de diensten moeten voldoen aan een bepaald minimumniveau, dat voldoende is voor de strikt fysische reproduktie van de arbeidskracht. Naarmate de normale behoeftes van de arbeiders toenemen (als gevolg van de strijd voor een beter bestaan en betere lonen door de arbeiders zelf) neemt ook de betekenis toe van wat Marx het "historische en morele element bij de bepaling van de waarde van de arbeidskracht" noemt. D.w.z. dat de omvang van de zgn. noodzakelijke behoeftes en de wijze van bevrediging daarvan, afhangt van het culturele ontwikkelingspeil van een bepaald land. En daarmee de gemiddelde hoogte van het loon.
Net als bij alle waren-prijzen wordt ook de hoogte van het loon, of liever gezegd de afwijking van de waarde, bepaald door de marktverhoudingen waaronder de arbeidskracht verkocht wordt. Bij een te groot aanbod zal ook het loon dalen tot onder de waarde van de arbeidskracht.

De vorming van de meerwaarde
We hebben al gezien, dat de kapitalist met zijn geld bepaalde waren koopt tegen hun waarde, nl. de produktiemiddelen en de arbeidskracht. Daarmee produceert hij een reeks waren, die hij op de markt tegen hun waarde verkoopt. Toch is de som geld, die hij bij deze verkoop ontvangt, groter dan die hij uitgaf voor de produktiemiddelen en de arbeidskracht. We hebben al gezien, dat deze grotere waarde niet kon voortkomen uit de verkoop van waren, de handel dus, maar alleen uit de enige waar die waarde produceert: de arbeidskracht. Dat wil zeggen, dat die grotere waarde voort moet komen uit het produktieproces.
In elk produktieproces verandert de arbeidskracht de grondstof in produkten door bepaalde produktiemiddelen te gebruiken. We zeiden al, dat de waarde van elke waar afhangt van de hoeveelheid arbeid die er in gestoken is. Welnu, in een bepaald produktieproces, bijv. de produktie van lappen stof, voegt de arbeider zijn arbeid (het spinnen, weven o.i.d.) bij de arbeid die al geinvesteerd is in de produktiemiddelen (in de katoen en in de machines). Op deze wijze wordt de waarde van het produkt 'lap' gevormd door de waarde van de produktiemiddelen die de arbeider overbrengt op dat produkt plus de nieuwe waarde die hij er tegelijkertijd aan toevoegt: de arbeid van het spinnen. De waarde van de machines die worden gebruik, zullen nooit ineens worden overgebracht. Als zo'n machine 10 jaar meegaat, dan wordt elk jaar een tiende deel overgebracht. We zien dan ook, dat produktiemiddelen op zich geen waarde scheppen in het produktieproces. Het is de arbeidskracht, die de waarde van het produktiemiddel overbrengt op het produkt en die er tegelijkertijd nieuwe, extra waarde aan toevoegt. Uit deze arbeid komt de enige waarde die geschapen wordt tijdens elk produktieproces voort.

In het kapitalistische systeem komt uit deze waarde die geschapen wordt in het produktieproces, zowel de waarde van de arbeidskracht (het loon) alsook de winst van de kapitalist voort. In het kapitalistische proces is iets bijzonders aan de hand: dat zit hem in de wijze waarop de kapitalist de arbeidskracht van de arbeider gebruikt.
Wat gebeurt er als de arbeidskracht een waar is en als de eigenaar van de produktiemiddelen de voorwaarden oplegt waaronder de arbeiders werken? Zowel de kapitalist als de arbeiders bevinden zich op de arbeidsmarkt. De arbeider biedt zijn arbeidskracht aan als koopwaar. De kapitalist koopt die arbeidskracht tegen een bepaalde som geld om hem gedurende een vastgestelde tijdspanne per dag te laten werken. Laten we aannemen, dat die kapitalist die arbeidskracht naar zij waarde heeft betaald: bijvoorbeeld 100 gulden voor een werkdag van 8 uur. Daarmee heeft hij de arbeider de waarde betaald van de produkten die deze nodig heeft voor het onderhoud, d.w.z. voor de reproduktie van de arbeid. Het is voor de kapitalist echter pas interessant als die arbeider meer aan waarde toevoegt aan de produkten die hij maakt, dan dat hij voor zijn reproduktie nodig heeft. Dat meerdere eigent de kapitalist zich toe als winst.

Stel dat de arbeider uit ons voorbeeld in elk uur werken een waarde produceert van 20 gulden. Dan schept hij in 5 uur werken een hoeveelheid waarde, die even groot is als die van zijn eigen produktiekracht, namelijk 100 gulden. Tegelijkertijd brengt hij in die tijd op de geproduceerde waren een deel van de waarde over van de produktiemiddelen. En zo krijgt de kapitalist bij elke 5 uur dat de arbeider werkt, al het geld terug, dat hij in de arbeidskracht heeft geinvesteerd (het loon) plus nog dat wat aan waarde van de produktiemiddelen op het produkt werd overgedragen.
Toch houdt de arbeider op dat moment niet op met werken. Hij moet nog drie uur blijven doorwerken om de acht uur vol te maken waarvoor hij zich aan de kapitalist heeft verkocht. Alles wat hij in die laatste drie uur produceert is winst voor de kapitalist.

En zo zijn we tot de ontdekking gekomen, dat de kapitalist zijn winst maakt door zich meester te maken van alle arbeid die de arbeider blijft verrichten na de tijd dat hij de waarde heeft geproduceerd, die gelijk is aan zijn loon. Dit noemt Marx de MEERWAARDE.

Meerwaarde is de waarde, die de arbeider produceert gedurende de extra tijd die hij blijft werken na de arbeidstijd waarin hij de waarde van de arbeidskracht reeds heeft geproduceerd.
Ook de werkdag valt uiteen in twee gedeelten: de noodzakelijke of betaalde arbeidstijd en de extra of niet-betaalde arbeidstijd. Hieruit moeten we de conclusie trekken, dat de arbeidskracht een speciale eigenschap heeft: bij het gebruik ervan kan zij meer waarde scheppen dan die welke nodig is om haar te laten voortbestaan. Zij schept dus zowel waarde als meerwaarde.
De kapitalist profiteert hiervan en verkrijgt zo zijn winst. Deze verhouding tussen kapitalisten en arbeiders is er een van uitbuiting. Omdat de kapitalisten als bezitters van de produktiemiddelen beschikken over de produkten van het werk van de arbeiders. Dit is de kern van de maatschappelijke produktieverhoudingen die we de kapitalistische noemen.

Kapitaal als produktieverhouding
Het begrip kapitaal is een vaak verwarrend begrip. Veel mensen denken dat kapitaal hetzelfde is als geld en men noemt iedereen die veel geld heeft een kapitalist. Dit is echter een misvatting. Het is belangrijk dit uit te leggen. Het geld dat een vrek ongebruikt in een oude sok bewaart, is geen kapitaal. Evenmin moeten we het geld dat de arbeider ontvangt als loon of salaris, en dat hij gebruikt voor zijn onderhoud, kapitaal noemen. Wil geld kapitaal zijn, dan moet het gebruikt worden voor het kopen van waren die de eigenaar in staat stellen niet alleen zijn geld terug te krijgen, maar er bovendien nog meer geld uit te halen door die waren te gebruiken in het produktieproces. Wil dat zeggen, dat dan alleen geld, gebruikt om arbeidskracht te kopen, kapitaal is? Neen, want in het kapitalistische produktieproces is arbeidskracht niet de enige factor; er zijn ook nog produktiemiddelen nodig, grondstoffen, machines, gebouwen, enzovoort. Kapitaal noemen we dus dat geld, wat gebruikt wordt om produktiemiddelen en arbeidskracht te kopen, voorzover deze bestemd zijn om er meerwaarde mee te gaan produceren.
Geld, dat gebruikt wordt om huishoudelijke bezigheden te laten verrichten kan niet als kapitaal worden gezien. In dat geval produceert de arbeidskracht geen meerwaarde, maar wordt ze gebruikt om diensten te verlenen.

We hebben al gezien, dat de menselijke arbeid niet alleen de capaciteit heeft om waarde te scheppen, maar ook om de waarde van de produktiemiddelen over te brengen op het produkt of de waar. Zo komt het, dat van al het geld dat de kapitalist investeert in de produktie, slechts een gedeelte, en wel dit deel dat hij in de arbeidskracht investeert, in waarde vermeerdert tijdens het proces. We moeten het totale kapitaal, dat de kapitalist in de produktie investeert dan ook in twee gedeeltes onderscheiden. Een deel dat hij investeert in de produktiemiddelen en dat niet toeneemt, omdat de waarde ervan alleen maar overgebracht wordt op produkten, en een ander deel, dat hij investeert in arbeidskracht en dat wel toeneemt, omdat de arbeidskracht niet alleen waarde maar ook meerwaarde produceert.
Deze twee te onderscheiden delen van het kapitaal noemen we 'constant-' en 'variabel-kapitaal'.
Constant kapitaal noemen we dat kapitaal, dat geinvesteerd wordt in produktiemiddelen en waarvan om die reden de waarde niet verandert tijdens het produktieproces.
Variabel kapitaal noemen we het kapitaal, dat in arbeidskracht wordt geinvesteerd en dat daarom meerwaarde produceert en aldus de waarde variabel (veranderlijk) maakt.
De produktie van meerwaarde blijkt dus onmogelijk te zijn zonder constant kapitaal, omdat arbeidskrachten slechts vruchten kunnen afwerpen door de produktiemiddelen in werking te stellen. Maar ook al is het constante kapitaal de noodzakelijke materiele voorwaarde voor de produktie van meerwaarde, toch wordt deze laatste alleen door arbeid geproduceerd. En daarom heeft de hoeveelheid constant kapitaal geen invloed op de meerwaarde. Want met zeer verschillende hoeveelheden constant kapitaal kan men dezelfde hoeveelheid meerwaarde produceren. Een voorbeeld:

Laten we eens een bedrijf vergelijken dat modern materiaal en de nieuwste technieken gebruikt en 20 arbeiders in dienst heeft. En laten we dat eens vergelijken met een bedrijf, eveneens met 20 arbeiders in dienst, maar met veel minder constant kapitaal.
Als de kapitalisten in beide bedrijven hetzelfde variabele kapitaal investeren en dat weer terugkrijgen als ze de arbeiders 4 van de 8 uur uitbetalen, dan zullen zij in beide bedrijven evenveel meerwaarde ontvangen. Om te weten te komen in welke mate de kapitalisten de arbeiders uitbuiten, hoeven we dus alleen maar het variabele kapitaal te vergelijken met de meerwaarde.
De verhouding, die de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht aangeeft, wordt het uitbuitingspercentage genoemd, ofwel: de meerwaardevoet.

Absolute en relatieve vergroting meerwaarde
Het gaat er de kapitalist steeds om, om voortdurend meer winst te maken. Marx noemde dit de "geeuwhonger naar meerarbeid". De kapitalist slaagt er alleen maar in zijn winst te vergroten door de meerwaarde te vergroten. Hoe kan hij een grotere meerwaarde bewerkstelligen?

In het begin van de kapitalistische produktiewijze probeerde de kapitalist zijn winst te vergroten, door de arbeidsdag van de arbeider zo lang mogelijk te maken. Zo blijft de arbeider nadat hij de waarde van zijn eigen arbeidskracht heeft gereproduceerd, nog vele uren werken, uren waarin hij alleen nog maar meerwaarde voor de kapitalist produceert.
Als hij in 4 uur de waarde produceert die even groot is als die van zijn arbeidskracht en als hij dan nog eens 4 uur werkt, dan is het uitbuitingspercentage, ofwel de meerwaardevoet 100 %. Maar als de kapitalist er in slaagt de werkdag te verlengen tot 12 uur, dan is het duidelijk dat de arbeider tweemaal zoveel meerwaarde produceert en dus ook tweemaal zoveel wordt uitgebuit. Het uitbuitingspercentage ligt dan op 200 %.

Zo was de gang van zaken in de begintijd van het kapitalisme, toen de arbeiders 16 tot 18 uur per dag werkten. Maar men kon de werkdag niet eindeloos verlengen. Enerzijds waren er de fysieke grenzen; het lichaam van de arbeider kent zijn grenzen. Anderzijds waren er de, laten we ze noemen, historische grenzen. Want naarmate het kapitaal zich ontwikkelde, ging de arbeidersklasse zich organiseren om weerstand te bieden aan de uitbuiting.
Door strijd slaagde de arbeidersklasse er in, om de werkdag te verkorten. Het gevolg was dat de kapitalisten naar andere wegen moesten zoeken om hun winst te verhogen en de onderlinge concurrentie uit te vechten.
Ze ontdekten dat ze hun winsten ook konden vergroten door maximaal rendement uit de arbeider te halen tijdens de kortere werkdag. Zo werden studies gemaakt om te zien welke absoluut noodzakelijke bewegingen vereist zijn tijdens het werk, om zo te proberen de overbodige bewegingen uit te schakelen. Enkel met het doel de winst te verhogen. Maar ook dit kent uiteindelijk zijn grenzen.

Het moderniseren van de machines was een andere mogelijkheid. Als een kapitalist in zijn fabriek bijv. moderne weefmachines gaat gebruiken, kan hij wellicht tijdelijk extra winsten maken zolang de andere kapitalisten met hun oudere weefmachines blijven werken. Maar op een gegeven moment zullen alle kapitalisten in deze bedrijfstak gaan moderniseren, of ze verdwijnen als kapitalist. Perfectie van de machines is dus een voortdurende zaak van levensbelang voor de kapitalist.

Op deze manier zoekt de kapitalist steeds naar mogelijkheden om zijn winst te verhogen. Meerwaarde, die verkregen wordt door de werkdag te verlengen of door een intensiever gebruik te maken van de arbeidskracht, wordt genoemd: de ABSOLUTE meerwaarde.

De meerwaarde die verkregen wordt doordat de noodzakelijke arbeidstijd verkort wordt, wordt de RELATIEVE meerwaarde genoemd. De noodzakelijke arbeidstijd kan alleen blijvend verkort worden, doordat t.g.v. de verhoging van de arbeids-produktiviteit de waarde (van het goederen- en dienstenpakket, dat de waarde van de arbeidskracht bepaalt), afneemt.

De wet van de toenemende concentratie en centralisatie van kapitaal

De accumulatie
In het voorafgaande zijn de belangrijkste specifieke kenmerken van het kapitalisme aan de orde geweest. Er is aangegeven dat wezenlijk voor het kapitalisme de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal is. Het kapitalisme is ook in zijn historisch verband geplaatst. Het is beschreven als een onderdeel van een grotere beweging. We zagen de verandering van de eenvoudige warenproduktie naar de kapitalistische warenproductie door de interne tegenstellingen in de warenproduktie zelf.

Dat het kapitalisme geen eeuwige bestendige produktiewijze is, zoals vele burgerlijke economen ons willen doen geloven, moge duidelijk zijn.
Wat nog niet aan de orde is geweest en wat we nu gaan behandelen, is de beweging, de ontwikkeling in het kapitalisme zelf.

We herhalen: In het kapitalistische produktieproces wordt het geld van de kapitalist omgezet in meer geld. Dit dankzij de arbeidskracht in het produktieproces. De loop van het kapitaal is:

Ofwel uitgebreider:

Waarbij:

Deze laatste stap, het omzetten van de waren+meerwaarde in geld+meer geld noemde Marx de 'salto mortale', ofwel de dodensprong van het kapitaal. Als dit niet lukt valt de kapitalist op zijn gat!

Een belangrijk gedeelte van de meerwaarde moet in het kapitalisme bestemd worden om de produktie-omvang te vergroten. Zodoende reproduceert het kapitalistische proces zich telkens op een grotere schaal, met meer en betere machines en andere produktiemiddelen.
Dit heeft een voortdurende opeenhoping, accumulatie van kapitaal, tot gevolg. Een voortdurende groei van de hoeveelheid geld die nodig is voor de aankoop van produktiemiddelen en arbeidskrachten.
De kapitalist zal zoveel mogelijk geld uit de meerwaarde in het produktieproces steken. Om weer zoveel mogelijk winst te vergaren. Deze drang naar meerwaarde is mateloos, gezien het proces waarlangs het verloopt. Het vergaat de kapitalist als de landveroveraar, die met elk nieuw veroverd stuk land, slechts een nieuwe grens veroverd heeft.
Dit proces noemen we het ACCUMULATIEPROCES.

Zo genoemd, omdat door de voortdurende omzetting van meerwaarde in kapitaal, steeds meer kapitaal opeengehoopt wordt.
Hierbij dienen we goed in de gaten te houden, dat die accumulatie niet een speciale inspanning of verdienste van de kapitalist is. De kapitalist is hier gebonden aan de wetmatigheden van de kapitalistische warenproduktie.

De gevolgen van de accumulatie voor de arbeider
We hebben reeds behandeld de twee gedeelten waaruit het kapitaal bestaat: het constante kapitaal voor de aankoop van produktiemiddelen en het variabele kapitaal voor de aankoop van arbeidskracht.
Zowel het constante als het variabele kapitaal spelen een rol in het proces van de accumulatie van het kapitaal. Omdat de kapitalist steeds moet moderniseren, zoal we reeds zagen, moet hij steeds meer constant kapitaal inzetten. Dit constante kapitaal wordt steeds groter. En direct vloeit hieruit voort, dat die modernere machines steeds meer het werk van de arbeiders overnemen. Dus het variabele kapitaal neemt af. Door die snellere groei van het constante kapitaal ten opzichte van het variabele kapitaal, wijzigt zich de technische samenstelling van het kapitaal, en wel in die richting dat het kapitaal bestemd voor de arbeidskracht afneemt.
Dat dit gevolgen heeft voor de arbeiders heeft, moge duidelijk zijn! Ze worden in grote aantallen overbodig, al gaat dit niet in alle bedrijfstakken tegelijk. De nieuwe, moderne machines moeten tenslotte ook gemaakt worden. In die bedrijfstak zullen dus, tijdelijk, meer arbeiders nodig zijn. We mogen niet vergeten dat het hier om tendensen gaat, die in hun uitwerking geremd worden door tegen-tendensen.
Het kapitalisme is gebaat bij een bepaald ruim aanbod op de arbeidsmarkt. Door Marx is de term 'arbeids-reserveleger' gebruikt om de arbeiders aan te duiden, die zonder werk zijnde, van de ene industrie naar de andere industrie trokken. De werkloosheid is zowel een gevolg van het kapitalisme (vergroting van het constante kapitaal) als een behoefte van het kapitalisme (arbeids-reserveleger). Daarom zullen de kapitalisten ook nooit een serieuze poging doen om de werkloosheid weg te nemen. Bovendien zijn ze er overigens niet eens toe in staat! De accumulatie van kapitaal heeft kortweg de volgende gevolgen:

1. Een steeds kleiner wordend aantal kapitalisten krijgt een steeds verder groeiend kapitaal in handen. Er is sprake van grote concentratie en centralisatie
2. Overproduktie van goederen. Dit geeft problemen bij de afzet. Het op peil houden van de koopkracht is dus zeker van belang, ook voor de kapitalist
3. De tendens van de dalende winstvoet. We komen er later op terug. Hier zullen we de werking ervan uitleggen.
4. De verdere uitstoting van arbeidskrachten.
5. Het voortdurend aanwezig blijven van een arbeids-reserveleger. Dat geeft een neerwaartse druk op de lonen.
6. Een doorgaande verslechtering van de situatie van de arbeidersklasse.

Er wordt steeds meer meerwaarde uit de arbeiders geperst, met verhoging van het werktempo, ploegensysteem, enz. Een gevolg is: veel zieke en afgekeurde arbeidskrachten. Deze verslechteringen kunnen misschien wel van plek tot plek verschillen; de kapitalist heeft immers ook koopkracht nodig. Dit moet echter gezien worden in wereldverband; grote delen van de wereld, met name de zgn. Derde Wereld zijn aan enorme verpaupering onderhevig.

Nivellering en de tendentiele daling van de winstvoet

Wanneer in bepaalde sectoren hoge winsten gerealiseerd kunnen worden (bijv. olie, kernenergie), trekken deze sectoren kapitaal aan. Na de instroom van nieuw kapitaal wordt de spoeling na enige tijd dunner en de mogelijkheid voor de realisatie van meerwaarde van het gezamelijke kapitaal (oude en toegestroomde) wordt geringer. Het gevolg is dat de winstvoeten dalen en de tendens vertonen gelijk te worden (nivelleren).

Door de instroom van nieuwe kapitalisten wordt de konkurrentiestrijd om een zo hoog mogelijke winst steeds heviger waardoor de kapitalisten gedwongen worden nieuwe technieken en nieuwe produktiewijzen toe te passen. Met behulp van nieuwe(re) machines en technieken wordt geprobeerd de konkurrent uit te schakelen en juist dit proces leidt tot een daling van de winstvoet.

Het constante deel (C) van het kapitaal (in stoffelijke vorm: produktiemiddelen) stijgt relatief t.o.v. het variabele deel (V) van het kapitaal (in stoffelijke vorm: arbeidskracht). Doordat M (meerwaarde) minder snel stijgt dan het constante deel (C), vertoont de winstvoet een dalende tendens. Wanneer kapitalisten dus geen andere maatregelen nemen zal de winstvoet dalen. De kapitalisten gaan in het offensief en Marx formuleerde de voornaamste 'tegen-tendenzen':

1. Verhogen van de uitbuiting van de arbeiders.
2. Het drukken van het arbeidsloon onder zijn waarde, waardoor de arbeiders eerder versleten zijn.
3. Verlagen van de kosten van het constante kapitaal.
4. Een relatieve overbevolking (hoge werkloosheid), die de lonen laag houdt.
5. Door buitenlandse handel en industriele vestigingen kunnen de kosten voor constant en variabel kapitaal gedrukt worden.

Vooral sinds het tijdperk van het staatsmonopolistisch kapitalisme zijn er meerdere tegentendenzen bijgekomen. Deze tegen-tendenzen kunnen samengevat worden als een nationale herverdeling van de meerwaarde ten gunste van de monopolies.

Voorbeeld
Om een idee te krijgen van de tendens van de dalende winstvoet is het onderstaande rekenvoorbeeld ingelast:
Omdat de totale meerwaarde-produktie grenzen kent, bijv. omdat de arbeidstijd uiteindelijk grenzen heeft, zal ook de meerwaardevorming uiteindelijk beperkingen kennen. Doordat, zoals we al eerder uiteengezet hebben, het constante deel van het kapitaal relatief sneller toeneemt dan het variabele deel, komt de winstvoet onder druk te staan. De winstvoet is de totale meerwaarde M, gedeeld door het totale kapitaal: C (Constant) + V (Variabel).

Schematisch:

Wanneer in de vergelijking M (meerwaarde) nauwelijks stijgt, de opeenhoping in het kapitalisme doorgaat en C (constante kapitaal) veel, en V (variabel kapitaal) enigszins stijgen, dan zal de winstvoet een dalende tendens vertonen. Een cijfervoorbeeld uit de Bondsrepubliek:

De getallen zijn in miljoenen (DM), en voor alle duidelijkheid afgerond.
 

Monopolies

Tot nu toe zijn we er steeds van uit gegaan, dat er tussen de kapitalisten onderlinge en volledige concurrentie plaats vindt. Als een noodzakelijk kwaad voor elke kapitalist afzonderlijk. Het ligt verankerd in de wetmatigheden van het kapitalistische systeem. Maar we zien in de loop van de 20e eeuw de vrije concurrentie verdwijnen.
De toenemende concentratie en centralisatie van kapitaal leidt er toe dat steeds meer economische macht komt te liggen in handen van steeds minder kapitalisten. Die worden dan qua kapitaal-omvang wel steeds groter en machtiger. Dit proces leidt tot monopolie-vorming.
Monopolies zijn grote ondernemingen, die het grootste deel van de produktie in de bedrijfssector waartoe zij behoren, bezitten of controleren.

Bezaten de kapitalisten in de eerste periode van hun bestaan nog een zekere concurrentievrijheid, met de toenemende concentratie van het kapitaal en dus het liquideren van kleinere kapitalisten, verdwijnt ook die concurrentie. Of de zwakkere kapitalisten worden vernietigd, of ze worden overvleugeld door de opkomende monopolies. Wat is nu de wetmatigheid waardoor monopolies hun belangen kunnen doorzetten? We hebben al enkele keren (zie elders) aangegeven dat kapitalisten met betere en snellere machines in staat zijn extra meerwaarde te produceren. Wanneer de andere kapitalisten ook overgaan tot die betere apparatuur verdwijnt de voorsprong en wordt de winst genivelleerd.
Het kenmerk van de monopolieperiode is dat deze nivellering tijdelijk niet plaatsvindt. Monopoliebedrijven produceren rendabeler, produceren extra meerwaarde. Door hun machtspositie zijn zij in staat het kapitalisme in een richting te sturen, die voor hen de meeste winst oplevert.
Gezien de omvang van hun onderzoek, de investeringen die nodig zijn voor nieuwe projecten (robotten, megachip, kernenergie, ruimtetechnologie, SDI, etc.) verzamelen (lees: inpikken) de monopolies meerdere fondsen om hun doel te bereiken. De hoofdtegenstelling van het kapitalisme spitst zich daardoor steeds meer toe: Meer en meer worden alle zaken vermaatschappelijkt, maar prive-ondernemingen als SHELL (Wagner), Unilever (De Korte), Philips (Dekker), AKZO (V. d. Broek), AMRO-Bank (Ruding) beslissen hoe de maatschappelijke rijkdom verdeeld wordt.
Door de efficientere produktie zijn ze in staat (tijdelijk) markten te controleren, kwaliteitseisen en aard van de produkten vast te stellen, waardoor hun belangen het beste gediend worden.

Deze monopolies kunnen naar eigen goeddunken de prijzen vaststellen van hun produkten. Ze controleren de markt, stellen de kwaliteit en de aard van hun produkten vast; alles zoals het in hun eigen belang uitkomt. Hun greep op de arbeiders is zeer groot, omdat zij als monopolies tevens een vergelijkbaar grotere greep dan anderen hebben op de staat en het staatsapparaat. Denk aan onderwijs, rechtspraak, belastingwetgeving, enzovoort.
Zoals uit de 5e tegentendens van Marx (zie elders) blijkt, zoeken de kapitalisten een internationale uitweg om hun dalende winstvoet om te zetten in een stijgende. Nationale monopolies gaan de konkurrentie aan op internationaal niveau en hier voltrekt zich na enige tijd hetzelfde proces van concentratie, centralisatie en dalende winstvoeten.

De monopolies komen met elkaar in botsing over het beheersen van de grondstoffen en over afzetmarkten. Via de nationale overheden proberen zij hun voordelen te halen. Als overleg en afspraken niet helpen, grijpen zij naar het middel van geweld, onderdrukking en oorlog om elkaar te bevechten en mogelijk uit te schakelen. De rechten van de arbeiders zijn daarbij totaal ondergeschikt aan hun streven naar eigen profijt en macht.

Daarmee is het stadium van het imperialisme aangebroken. Vooral Lenin heeft het imperialisme als ontwikkelingsstadium van het kapitalisme beschreven. Marx heeft zijn studie naar de wetmatigheden van het kapitalistische systeem tijdens zijn leven niet geheel kunnen afronden. Na Engels heeft vooral Lenin dit mede afgerond. Lenin noemde het imperialisme het hoogste stadium en laatste ontwikkelingsstadium van het kapitalisme. Ook gebruikte hij de term 'stervend kapitalisme'.

Tenslotte een uitgebreid citaat van Marx uit "Het Kapitaal". Een citaat dat door Lenin als een rake typering wordt gebruikt om de "historische tendens van de kapitalistische accumulatie" aan te duiden:

"De onteigening van de directe producenten gebeurt met het meest meedogenloze vandalisme en onder druk van de gemeenste, smerigste, kleinzieligste en verwoedste hartstochten. De private eigendom, die door de arbeid van de eigenaar verworven werd (van boer en handwerker) en zo te zeggen gebaseerd is op de vergroeiing van de afzonderlijke zelfstandige arbeider met zijn arbeidsmiddelen, wordt verdrongen door het kapitalistische eigendom, die berust op de uitbuiting van andermans formeel vrije arbeidskracht. Nu wordt niet meer de arbeider onteigend die alleen een zelfstandig bedrijf voert, maar de kapitalist die vele arbeiders uitbuit. Deze onteigening voltrekt zich door het spel van immanente wetten van de kapitalistische produktie zelf; via de c entralisatie van kapitalen. Een kapitalist is de dood van vele anderen. Hand in hand met deze centralisatie of onteigening van vele kapitalisten door weinigen van hen, ontwikkelt zich de cooperatieve vorm van het arbeidsproces op steeds grotere schaal; het verstrengelen van alle volkeren in het net van de wereldmarkt en daarmee het internationale karakter van het kapitalistische bewind. Met de voortdurende vermindering van het aantal kapitaal-magnaten, die op alle voordelen van dit veranderingsproces beslag leggen en ze monopoliseren, groeit de massa van de ellende, onderdrukking, slavernij, degeneratie en uitbuiting. Maar parallel daarmee ook de ontevredenheid van de arbeidersklasse, die in de leer gaat, zich verenigt en organiseert;gedragen door het mechanisme van het proces zelf: van de kapitalistische produktie.
Het monopolie van het kapitaal wordt tot kluister van de produktiewijze zoals die met, en onder, dit monopolie is gegroeid. De centralisatie van de produktiemiddelen en de vermaatschappelijking van de arbeid bereikt een punt, waarop zij niet langer met het kapitalistische omhulsel kan samengaan. Dit omhulsel barst. Het uur van de kapitalistische private eigendom is geslagen. De onteigenaars worden onteigend.
"

Kapitalisme en crisis

Sinds ongeveer 1820 heeft de kapitalistische economie zo'n 20 cycli gekend. Een cyclus is een periode van crisis, via depressie (laagconjunctuur), opleving, hoogconjunctuur tot de volgende crisis. Als de economische cycli niet onderbroken werden door diepgaande politieke omwentelingen, zoals oorlogen en revoluties duurden ze ongeveer 6 tot 10 jaar. Tijdens de jaren zestig van onze 20e eeuw toen een vrij lange periode van hoogconjunctuur slechts kort onderbroken werd door verminderde economische activiteit, dachten de burgelijke economen dat het kapitalisme eindelijk afgerekend had met z'n cyclische karakter. We willen hier benadrukken dat het kapitalistische stelsel niet zonder crises kan functioneren. Marx:

Elke produktiewijze die gebaseerd is op konkurrentie en op ruilwaarde betekent sprongen vooruit en achteruit.

Bij velen leeft de veronderstelling dat de jaren na WO II zonder crises zijn verlopen tot 1973. Niets is minder waar. Ook in de periode 1945 - 1973 kende het kapitalisme zijn cycli van 6 tot 10 jaar. De ontwikkelingen vanaf 1973, en vooral sinds 1978-1979 hebben de burgelijke economen ruw uit hun schone dromen gewekt. De kapitalistische economie heeft, afgezien van de "Grote Depressie" van de jaren 30 nog niet zulk een sterke stagnatie en neergang gekend als de laatste jaren. De werkloosheidspercentages klommen op van een paar procent tot 10-20 % in het geindustrialiseerde deel van de wereld en in sommige Derde Wereld landen wel tot boven 50 %. Dat alles in zo'n 7 jaar en zonder dat zicht komt op enige reele daling.

De opvatting van Marx (die logisch voortvloeit uit zijn analyse van het kapitalisme), namelijk dat economische crisis onder het kapitalistische stelsel onvermijdelijk zijn, is ten volle bevestigd door de geschiedenis van de afgelopen 165 jaar.

De marxistische economische wetenschap is dan ook als enige in staat om het cyclische karakter van de kapitalistische economie en haar crisis niet alleen te beschrijven, maar ook te verklaren.
Marx heeft aangetoond dat crises mogelijk zijn, omdat het kapitalisme een wareneconomie (zie hiervoor) is. Door de tussenkomst van geld bij alle ruiltransacties behoeft elke verkoop niet direct gevolgd te worden door de aankoop van een waar. Daarmee is het mogelijk dat waren onverkocht blijven, of dat hun waarde (ofwel produktieprijs) door veranderingen in de marktsituatie (verkoopprijzen) niet gerealiseerd wordt. Kortom: dat overproduktie plaats vindt.
Die (periodieke) overproduktie is onder de kapitalistische waren-economie niet alleen m‹gelijk maar zelfs onvermijdelijk. Dat komt doordat de kapitalistische produktie niet de bevrediging van de consumptie-behoefte, maar de maximale meerwaarde-vorming tot doel heeft.

De grootste markt voor consumptiegoederen wordt gevormd door de arbeiders. Zonder die consumptie kan de arbeidskracht ook niet gereproduceerd worden en dus niet (opnieuw) verkocht.
De arbeidskracht wordt echter alleen gekocht als ze voor de koper, de kapitalist, meerwaarde produceert. Het kapitaal streeft er voortdurend naar om de hoeveelheid meerwaarde die hij uit de arbeider pompt te vergroten. Echter zonder de continuiteit daarvan in groot gevaar te brengen.
We hebben hierboven gezien, bij de behandeling van de relatieve meerwaarde, dat dat in de eerste plaats gebeurt door middel van opvoering van de produktiviteit van de arbeid. Dat wil zeggen door de verhoudingsgewijze vermindering van het aandeel van de noodzakelijke arbeid; van het loon (het variabele kapitaal). Om zodoende de meerwaarde van het kapitaal te vergroten.

Enerzijds vertoont het kapitalisme dus de tendens tot voortdurende verhoging van de produktiviteit. Echter niet door de totale hoeveelheid arbeid van de arbeidende bevolking te verminderen bij gelijkblijvende produktie of zelfs bij een verhoging van de produktie. Maar door te besparen op het loon, de betaalde arbeid en de andere kosten (via belastingen e.d.) die voor de reproduktie van de arbeid worden uitgegeven (onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, enz.). Dit heeft tot gevolg, dat het consumptieniveau van de arbeidersklasse achterblijft bij het produktieniveau, of zelfs daalt. Uiteindelijk moet dus ook de vraag naar consumptiegoederen door gebrek aan koopkracht achterblijven bij het aanbod daarvan. Kortom,

Aan deze tegenstrijdigheid kan het kapitalisme slechts tijdelijk ontsnappen. Namelijk in de periode dat er vooral geinvesteerd wordt in nieuwe, verbeterde en produktievere machines en andere produktiemiddelen: in het vaste kapitaal. Het duurt een bepaalde tijd voordat het plaatsen van bestellingen van met name nieuwe machines en de levering en installering daarvan ook resulteert in hogere produktie van consumptiegoederen. Doordat (zolang de investeringsgolf duurt) ook de werkgelegenheid (vooral in de zware industrie en de machinebouw) toeneemt, en dus de vraag naar arbeidskracht stijgt, stijgen ook de lonen.

De daarmee groeiende vraag naar consumptiegoederen leidt weer tot hogere prijzen en winsten en nieuwe investeringsdrift. Dit resulteert dan in nieuwe orders voor de sector waar produktiemiddelen voortgebracht worden. Aangezien echter al deze investeringen echter nog niet betaald kunnen worden uit de inkomsten door de verkoop, neemt ook de omvang toe van de opgenomen kredieten.

Zodra echter de machines geplaatst zijn en er in de consumptiegoederen-industrie steeds meer waren worden geproduceerd, begint de daarbij achterblijvende vraag van de arbeiders zich te doen voelen. Tegelijkertijd neemt ook de vraag van de kant van de kapitalisten af. Door de afnemende 'arbeids-reserve' en de stijgende lonen kan nieuw kapitaal niet meer tegen dezelfde winstvoet geinvesteerd worden.
Dit verschijnsel noemt Marx "de overproduktie van kapitaal", hetgeen natuurlijk ook overproduktie van waren betekent.
Een en ander loopt uit op een verscherpte concurrentie, op prijs-oorlogen om een zo groot mogelijk aandeel op de krimpende markt te veroveren ten koste van de concurrenten.

Deze overproduktie van kapitaal en van waren is dus geen absolute overproduktie; behoeften van grote delen van de bevolking blijven nog onvervuld. Het is slechts een overproduktie van produktie- en consumptiemiddelen die niet onder de kapitalistische voorwaarden (realisering van meerwaarde) gebruikt kunnen worden. De arbeiders hebben te weinig geld (relatieve en absolute armoede) temidden van een overvloed aan consumptiegoederen.
Slechts de kapitaal-eigenschap van de produktiemiddelen, namelijk dat die voor hun bezitters meerwaarde op m‹eten leveren, verhindert dat ze worden ingezet met behulp van de werkloze arbeiders, om te voorzien in behoeften.

De verbinding van overproduktie van kapitaal (produktiemiddelen) en van waren (consumptiegoederen) zet een neerwaartse spiraal in van ontslagen, dalende lonen, verminderde vraag, lagere winsten faillissement van zwakkere kapitalisten, meer ontslagen enz.
Lagere inkomsten voor de kapitalisten leiden tot een grotere vraag naar krediet bij een lager aanbod, dus hogere rente. Betalingen kunnen niet worden gedaan en leningen niet worden afgelost. Bedrijven en banken gaan failliet. En daarmee vindt ook een versnelde centralisatie plaats van kapitaal, want de gevallen gaten worden door de sterksten onder de kapitalisten opgevuld.

Tevens is daarbij sprake van een vlucht van kapitaal naar sectoren die nog wel winstgevend zijn zoals o.a. de bewapening en ook van een massale vernietiging van kapitaal (produktiekrachten). Het overschot aan kapitaal dat tijdens de periode van hoogconjunctuur is geproduceerd, wordt via crisis en depressie weer vernietigd. Aangezien daarmee de oorzaak van de neergang (nl. de relatieve overproduktie) is weggenomen, is de grondslag gelegd voor een hernieuwde opleving; het begin van een nieuwe cyclus.

Dit betekent echter niet dat er een simpele herhaling van de vorige cyclus plaats vindt. De produktiekrachten hebben zich tot een hoger niveau ontwikkeld (meer mechanisatie, meer automatisering etc.) en het kapitaal heeft zich in minder handen geconcentreerd. De arbeiders hebben nieuwe ervaringen opgedaan in hun verzet tegen loonsverlagingen en ontslagen.

De centralisatie van het kapitaal heeft ook tot monopolievorming geleid (zie hiervoor). De overheersing door de monopolies zet ook zijn stempel op het karakter van de economische cyclus. Veel meer dan onder het klassieke kapitalisme kunnen de grote concerns de gevolgen van de crisis afwentelen op andere (kleinere, zwakkere) bedrijven, de middenstanders en de arbeidersklasse. De monopolies zijn ook veel beter in staat om hun kapitaal-overschotten naar gebieden te exporteren waar ze hogere rendementen kunnen opleveren. Het internationale karakter van de economische crisis wordt daarmee versterkt.

In de huidige, monopolistische fase van het kapitalisme speelt ook de staat een belangrijkere rol dan voorheen. Namelijk om de voor het grote kapitaal schadelijke uitwerkingen van hoog- en laagconjunctuur op te vangen ... en af te wentelen op de bevolking. Gezien de enorme schaal van de produktie, de afzet, de aankopen en financiele operaties is de stabiliteit van de winsten en investeringen van steeds groter belang geworden. Maar de afwentelingspolitiek van de staat kan de effecten van de crisis alleen maar een andere vorm doen aannemen, niet opheffen.

Zo zien we, dat de crisisverschijnselen, in de periode waarin Reagan president was van de V.S, en mede veroorzaakt door de economische politiek van de westerse regeringen ('Reaganomics') in veel hogere mate, een blijvend, structureel karakter hebben gekregen. Geen enkel staatsoptreden kan de oorzaken van de kapitalistische crisis wegnemen. Alleen het definitief opruimen van het kapitalisme zelf!

Voetnoot

Referenties en noten zijn bij dit hoofdstuk opgenomen bij de citaten en in de tekst.

Literatuur

W.I. Lenin, "Karl Marx en zijn leer", het gedeelte "De economische leer van Marx" (diverse uitgaves).

K. Marx, "Loon, prijs en winst"; hoofdstukken 6 t/m 14 (uitgave Pegasus, Amsterdam, 1971).

F.Engels, "Het Kapitaal van Marx", recensie voor het "Democratische Wochenblatt", o.a. in het boek van Engels "Het Kapitaal van Marx" (uitgave Pegasus, Amsterdam, 1971) (pag. 69-77).

K. Marx, Theorie uber der Mehrwert. (blz. 82)

Enschede, De tekst is van oorsprong VCN- en NCPN-basischolingsmateriaal, eindredacteur basisscholingsmateriaal: Rik Min. T.b.v. dit e-Book op internet gezet: 2005.