Rob Reijerkerk

 

 

 

home

 

 

Uit de rubriek GODSDIENST

.

 

 

Augustinus en de erfzonde.

 

 

 

Als er iemand is die verantwoordelijk gesteld kan worden voor de invoering van het wonderlijke begrip “erfzonde” in het christendom, dan is het wel bisschop Augustinus van Hippo. Deze Augustinus leefde zo rond 400 A.D. in Noord-Afrika, dat toen nog gewoon deel uitmaakte van het Romeinse rijk. In 381 had keizer Theodosius het christendom tot staatsgodsdienst gemaakt, maar de strijd tussen het christendom en de aanhangers van de oude goden (de heidenen) was nog lang niet gestreden. Degenen die de oude godsdienst in stand wilden houden, verweten de christenen dat zij allerlei rampspoed over Rome hadden afgeroepen door de oude riten te verwaarlozen. Bovendien waren er binnen het nog vrij jonge christendom allerlei groeperingen die onderling van mening verschilden over de juiste theologische inzichten. Er viel, kortom, genoeg te beleven.

 

Het plaatsje Hippo (Hippo Regius) lag waarschijnlijk een beetje een uithoek van het imperium (in wat nu Algerije is) en Augustinus had, naast zijn verplichtingen als bisschop, kennelijk genoeg tijd over om dikke boeken te schrijven, waarin hij de meningen van ketters en ongelovigen bestreed, en allerlei theologische kwesties uitvoerig besprak. Veruit het dikste boek heet: De civitate Dei, wat vertaald kan worden als “De stad van God” (maar “De staat van God” zou ook kunnen). Augustinus heeft de erfzonde niet bedacht, ook bij vroegere auteurs komt het idee al voor (o.a. bij Tertulianus), maar de geleerden zijn het er over eens dat hij wel de man is die het begrip algemeen ingang heeft doen vinden. Ik heb de desbetreffende teksten in De civitate Dei er op na gelezen, maar het is nog veel idioter dan ik al dacht. Volgens Augustinus zit het ongeveer zo.

 

God had Adam en Eva verboden de vruchten van de Boom der Kennis te eten, en daarbij het dreigement uitgesproken:

“Op de dag dat je daarvan eet, zul je sterven.” (Gen. 2:17)

Zoals bekend lieten Adam en Eva zich door de slang overhalen om het verbod van God te negeren. Nadat ze van de vruchten gegeten hadden, ontdekten ze dat ze naakt waren en bedekten zij zich met schorten van bladeren. Volgens Augustinus ging het niet zomaar om de naaktheid als zodanig, maar om de seksuele opwinding, die daarvoor kennelijk niet bestaan had. Met andere woorden: Adam kreeg opeens een erectie toen hij Eva daar naakt zag staan, en daarvan schrok hij kennelijk zo, dat hij gauw een tak met bladeren voor zijn hoog opgerichte geslacht hield. Augustinus weidt over de details verder niet uit, maar we mogen aannemen dat Eva bij zichzelf eveneens tekenen van lichamelijke opwinding bespeurde bij het zien van dit nieuwe natuurverschijnsel.

 

Zij ervoeren namelijk een tevoren ongekende beweging van hun ongehoorzaam vlees, de bestraffende terugslag als het ware van hun ongehoorzaamheid.

(De civitate Dei, XIII, 13   blz. 597)

 

De schorten van vijgenbladeren konden niet verhinderen dat  Adam en Eva op nader onderzoek uitgingen. Aangegrepen door seksuele begeerte hadden zij geslachtsgemeenschap en niet lang daarna was Eva zwanger, zodat zij een begin kon maken met het uitvoeren van de opdracht: “Wees vruchtbaar en wordt talrijk.” (Gen 1:28)

 

Maar intussen waren Adam en Eva wel al het paradijs uit geschopt. Want wat begon als een idylle eindigde als een drama. Volgens Augustinus  was dit zelfs het grootste drama in de geschiedenis van de mensheid. Want de kinderen die uit dit eerste mensenpaar voortkwamen droegen, omdat ze in wellust waren verwekt, de oorspronkelijke zonde van Adam en Eva met zich mee, en de kinderen die zij op hun beurt weer in verwerpelijke hartstocht  zouden verwekken, eveneens. En zo voort en zo voort, van geslacht op geslacht. Zo heeft ieder mens die nu leeft deel aan de zonde en deelt hij ook in de straf.

 

De mens echter heeft, na vrijwillig ontaard en met recht veroordeeld te zijn, ook ontaarde en veroordeelde mensen verwekt.

(De civitate Dei, XIII, 14   blz. 597)

 

Als straf voor deze zonde is er nu de dood; vóór de zondeval waren Adam en Eva onsterfelijk. Pas door hun ongehoorzaamheid zijn ze sterfelijk geworden, en al hun nakomelingen zijn het ook. Voor straf.

 

 

 

SEKS IN HET PARADIJS.

Dit is natuurlijk allemaal al tamelijk idioot, maar het kan nog gekker. Augustinus vraagt zich af hoe dat dan gegaan moest zijn, als de zondeval NIET had plaats gevonden. Zouden Adam en Eva dan nooit kinderen hebben voortgebracht, en zouden zij dan de enige mensen zijn gebleven op aarde? Dat kan toch Gods bedoeling niet zijn geweest. En het kan toch ook niet zo zijn, dat de zonde noodzakelijk was om de wereld te bevolken. Want dat zou weer betekenen dat de zonde een onontkoombaar onderdeel zou zijn van Gods plan met de mensheid. Voor dit dilemma heeft Augustinus een oplossing: ook zonder de zondeval zou Adam Eva wel bevrucht hebben, maar dan zonder hartstocht.

 

De man zou dus met zijn geslachtsdelen het nageslacht hebben gezaaid en de vrouw zou in de hare het zaad hebben opgenomen op de tijd en in de hoeveelheid die daartoe vereist was; de geslachtsdelen zouden daarbij door de wil bewogen, niet door de lust geprikkeld zijn.

(De civitate Dei, XIV, 24   blz. 664)

 

Augustinus stelt zich voor dat Adam vóór de zondeval een penis had de hij naar believen in werking kon stellen, zoals een hand of een voet of een tong (vooral dit laatste voorbeeld prikkelt de fantasie). Enigerlei vorm van opwinding zou daarvoor niet noodzakelijk zijn geweest.

 

Integendeel, de daarvoor dienende ledematen zouden zich evenzeer naar de wenk van de wil bewogen hebben als de andere lichaamsdelen; zonder de verlokkende prikkel van de hete drift zou de man zich in de schoot van de vrouw hebben uitgestort, in volledige rust van lichaam en ziel [ ].

(De civitate Dei, XIV, 26   blz. 668)

 

En misschien zou het zelfs mogelijk zijn dat de maagdelijkheid van de vrouw daarbij in zekere zin behouden zou blijven. Dat zou natuurlijk helemaal ideaal zijn.

 

Want al kan dat niet door ervaring bewezen worden, er is toch geen reden om niet te geloven dat [ ] het toen mogelijk zou zijn geweest dat het mannelijke zaad in de schoot van zijn vrouw werd binnengebracht zonder de schending van de gaafheid van het vrouwelijk geslachtsdeel, evenals nu met behoud van diezelfde gaafheid de vloed van het menstruatiebloed uit de schoot van een maagd naar buiten kan komen.  Dat zaad had immers langs dezelfde weg naar binnen kunnen komen waarlangs nu dat bloed naar buiten kan.

(De civitate Dei, XIV, 26   blz. 668)

 

Als de tijd voor het verwekken van kinderen daar is, gaan man en vrouw in alle rust even tegen elkaar aanliggen, de man stelt zijn penis in werking, en zonder bij haar binnen te dringen besproeit hij haar met zijn zaad. Nog even blijven ze liggen na de daad (nou ja, daad), om de sappen de gelegenheid te geven hun werk te doen, terwijl ze ondertussen ontspannen de weldaden van de HEER bespreken. Dan staan ze vrolijk weer op om een wandelingetje in de tuin te gaan maken (veel anders was er in het Paradijs ook niet te doen). Heel gezellig allemaal.

 

Augustinus wijdt vele bladzijden aan deze kwestie die, hoe hypothetisch ze ook is, hem kennelijk hoog zit (maar hij is nooit zuinig met bladzijden). Het is wel duidelijk: voor wat seks betreft was Augustinus een verknipte geest. Dat blijkt uit het voorafgaande en het blijkt ook uit de volgende verzuchting over de wellust (voluptas).

 

Deze lust eist het hele lichaam voor zich op, niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk, en brengt de hele mens in beweging doordat ook de hartstocht van de ziel zich verbindt en zich vermengt met de begeerte van het vlees om dat genot teweeg te brengen dat door geen ander lichamelijk genot wordt overtroffen; dat genot is van dien aard dat op het ogenblik zelf waarop zijn hoogtepunt wordt bereik de helderheid en om zo te zeggen het waken van het denken bijna geheel worden bedolven. Welke minnaar van de wijsheid en van de heilige vreugden, die in een huwelijk leeft, maar volgens de vermaning van de apostel ‘zijn vat in heiliging en eerbaarheid weet te bezitten, niet in de ziekte der begeerte, zoals ook de heidenen die god niet kennen’, zou toch niet liever, wanneer dat mogelijk was, zonder deze wellust kinderen verwekken, zodat ook bij deze taak, de verwekking van een nageslacht, de tot dat werk geschapen lichaamsdelen zijn geest op dezelfde wijze dienstbaar waren als de andere, ieder tot zijn eigen werkzaamheid bestemde ledematen, die door de wenk van zijn wil bewogen worden en niet worden opgejaagd door de hitte van de wellust?

(De civitate Dei, XIV, 16   blz. 653-654)

 

 

Het is een uitgebreid citaat en je moet het goed lezen voordat je begrijpt wat hij bedoelt, maar het geeft de essentie weer van de houding van Augustinus tegenover seks. Want het lijdt geen twijfel dat Augustinus, die zichzelf zeker als een “minnaar van de wijsheid en van de heilige vreugden”  beschouwde, hier zijn eigen gevoelens weergeeft. Het beoefenen van seks is alleen goed als het dient om kinderen te verwekken en zelfs binnen het huwelijk is het een onaangename plicht, omdat de hartstocht die er voor nodig is, het verstand benevelt. Was seks maar mogelijk zonder hartstocht! Het is wel duidelijk: de beschrijving die Augustinus geeft van de paradijselijke seks tussen Adam en Eva, is ook een beschrijving van zijn persoonlijke ideaal. Augustinus hield niet van seks en seks verschafte hem geen genoegen. Augustinus heeft een beroemd boek geschreven waarin hij de uitspattingen uit zijn jeugd opbiecht (de Confessiones). Ik heb dat boek niet gelezen, maar als ik lees wat hij hier over de lichamelijke liefde schrijft, dan kan ik mij niet voorstellen dat die uitspattingen veel te betekenen hadden.

 

 

Die apostel uit het citaat is natuurlijk Paulus – ook al zo iemand met een weinig positieve kijk op seksualiteit. In zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen (de christenen in Thessaloniki) vermaant hij hen om zich strikt aan de regels te houden: zeker geen ontucht (fornicatio) en zelfs met de eigen echtgenote geen hartstocht (morbus desiderii).

 

Ieder van u moet met zijn vrouw weten te leven in heiligheid en eerbaarheid, zonder zich door hartstocht te laten meeslepen zoals de heidenen, die God niet kennen.

 (1 Thess. 4: 4-5)

 

…sciens suum uas possidere in sanctificatione et honore, non in morbo desiderii, sicut et gentes, quae ignorant Deum.  (Augustinus)

 

In het Latijn staat er vas (hier gespeld: uas), wat letterlijk “vat” of “vaas” betekent. Paulus schreef in het Grieks, dat toen de taal van de intellectuele elite was, en hij gebruikte het woord skeuoV, wat ook “vaas” of “ huisraad” betekent. Vrij algemeen wordt aangenomen dat het in dit geval voor “vrouw” staat. De door Paulus gebruikte uitdrukking eautou skeuoV ktasqai kan dan vertaald worden als “je eigen vrouw bezitten”, maar misschien ook als “je een eigen vrouw verwerven”. De Latijnse vertaling die Augustinus gebruikte koos voor de eerste mogelijkheid, net als de door mij geciteerde Willibrordvertaling.

 

Het treurige is ondertussen wel, dat Augustinus een zeer belangrijke kerkvader was, en dat zijn opvattingen binnen de westerse christelijke kerken grote invloed hebben gehad. In de via het internet te raadplegen Catholic Encyclopedia wordt hij de “grootste van alle Kerkvaders” genoemd en “een filosofisch en theologisch genie van de eerste orde” en wordt er gezegd dat zijn invloed “zelfs niet door die van Thomas van Aquino wordt geëvenaard” – en dat laatste zegt echt wel wat. Geen wonder dat seks en zonde in de Rooms-katholieke kerk altijd zo nauw met elkaar verbonden zijn geweest.

 

 

 

 

DE ERFZONDE WEER OPGEHEVEN?

De zondeval van Adam en Eva is natuurlijk maar één kant van het verhaal: de christenen geloven dat de kruisdood van Jezus het vergrijp van het eerste mensenpaar weer heeft goed gemaakt, en dat door die gebeurtenis de goede verstandverhouding tussen God en de mensheid weer is hersteld. Waarom dat op die manier moest gebeuren, is natuurlijk raadselachtig, maar daar gaat het nu niet om. Het idee dat de zondeval en het lijden van Jezus (Christus) met elkaar te maken hebben, is al oud –  de apostel Paulus schrijft er al uitvoerig over. Zo staat er in de eerste brief aan de Korinthiërs:

 

Zoals allen sterven in Adam, zullen ook allen in Christus herleven.

(1 Kor. 15:22)

 

Maar van een totale opheffing van de erfzonde was natuurlijk nog geen sprake, want de mensen gingen nog steeds dood en seks ging nog steeds met hartstocht gepaard. Kennelijk moest de mensheid toch nog even wachten voordat dat allemaal definitief was geregeld. Wat was er dan wel gewonnen door de dood van Christus? Dit: dat de zielen van de gelovigen na de dood in de hemel met God konden worden verenigd. Voor die tijd was dat niet mogelijk geweest, en iedereen die was gestorven vóórdat Jezus stierf, kwam automatisch in de hel, ongeacht zijn of haar geloof of levenswijze. Dat was nu veranderd.

 

Maar vanzelf kwam je niet in de hemel. Je moest natuurlijk wel het juiste geloof hebben en een onberispelijke levenswandel. En je moest zorgen dat je van die erfzonde afkwam, want die kreeg de mens bij zijn geboorte nog steeds mee. Gelukkig was daarvoor nu wel een betrekkelijk eenvoudige remedie: je moest je laten dopen. Door de doop werd de individuele mens van de erfzonde bevrijd. Zonder die doop kon je niet in de hemel komen. Dat betekende dat het van belang was dat kinderen vrij snel na de geboorte al het doopsel zouden ontvangen, omdat ze anders het risico liepen te sterven zonder gedoopt te zijn. En dan zouden ze voor altijd naar de hel gaan.

 

Augustinus was er vast van overtuigd dat de zaken zo lagen, en hij verzette zich fel tegen degenen die meenden dat er voor de zielen van de ongedoopte kindertjes een speciale plaats was, waar ze konden verblijven zonder gestraft te worden. Regel is regel, vond Augustinus, en voor kindertjes tijdens of vlak na de geboorte sterven, kan geen uitzondering worden gemaakt. Het is natuurlijk wel zo dat ze in de hel aan de minst zware bestraffing onderworpen zullen worden, omdat ze, naast de overgeërfde zonde van Adam, geen eigen zonden hebben begaan waar ze voor moeten boeten.

 

 

Men kan daarom met recht zeggen dat de kindertjes die zonder de doop te ontvangen zijn dood gegaan, de lichtste vorm van verdoemenis zullen ondergaan. Maar wie beweert dat zij niet verdoemd zijn, bedriegt zichzelf en anderen in ernstige mate [ ].

 

Potest proinde recte dici parvulos sine baptismo de corpore exeuntes in damnatione omnium mitissima futuros. Multum autem fallit et fallitur, qui eos in damnatione praedicat non futuros [ ].

(Augustinus De peccatorum meritis I ,21)

 

Augustinus slaagde er zelfs in om op een Noord-afrikaans concilie (in Carthago) de door hem bestreden opvatting officieel te laten veroordelen. Gedurende een groot deel van de Middeleeuwen waren de ideeën van Augustinus maatgevend.

 

Maar die speciale plaats voor de ongedoopte kindertjes kwam er toch, al duurde dat nog wel een tijd voor het zo ver was. Pas in de dertiende eeuw verzetten theologen als Pierre Abélard en Thomas van Aquino zich tegen de strenge opvattingen van Augustinus. Volgens Thomas hoefden de ongedoopte kindertjes na hun dood niet gestraft te worden, en konden zij wel degelijk een staat van alledaagse gelukzaligheid bereiken; het enige wat hun ontzegd was, was de directe nabijheid van God, maar omdat ze daar verder geen idee van hadden, waren zij daar ook niet verdrietig over.

 

Voor wat het eerste punt betreft moet men dus concluderen dat de zielen van kinderen die in staat van erfzonde zijn gestorven, wel weet hebben van gelukzaligheid in het algemeen, volgens het gewone spraakgebruik, maar niet echter van die in het bijzonder (die van de nabijheid van God) en dat zij derhalve onder dat gemis niet lijden.

 

Ad primum ergo dicendum, quod animae puerorum in peccato originali decedentium cognoscunt quidem beatitudinem in generali secundum communem rationem, non autem in speciali; et ideo de eius amissione non dolent.

(Thomas van Aquino De malo V, art.4)

 

In die tijd ontstond ook het idee dat er voor de zieltjes van deze kinderen aan de rand van de hel een special gebied was gereserveerd, waar zij onder relatief plezierige omstandigheden konden verblijven. Deze plek kreeg de naam limbus infantium of limbus puerorum, wat letterlijk “randgebied voor de kindertjes” betekent. Deze kinderen verbleven dan in limbo. In het Nederlands heet deze verblijfplaats ook wel “het voorgeborchte van de hel” en in het Engels heet het simpelweg “limbo”. De Rooms-katholieke kerk heeft het bestaan van deze speciale plaats nooit als een geloofswaarheid erkend, maar ze heeft het bestaan van de limbus ook niet bestreden (behalve dan die ene keer in Carthago). Vanaf de late middeleeuwen was onder Rooms-katholieken het geloof in de limbus vrijwel algemeen.

 

Dat betekent niet dat alles nu prettig geregeld was. Er gold nog altijd de regel dat ongedoopte kindertjes niet in gewijde grond begraven mochten worden. Voor die grafjes was dan een apart niet-gewijd stukje van het kerkhof gereserveerd. Soms moesten ze zelfs buiten het kerkhof begraven worden en mochten er bij het grafje geen graftekens worden geplaatst. Voor de ouders die dat trof, was dat natuurlijk toch vaak een pijnlijke zaak.

 

 

AUGUSTINUS WEERSPROKEN.

Voor wat de ongedoopte dode kindertjes betreft, heeft dit verhaal heeft een verrassende ontknoping. In 2007 publiceerde de Internationale Theologische Commissie van het Vaticaan met instemming van de paus een rapport over deze kwestie. In de pers verschenen koppen als: “Paus schaft limbus af” en dat wekte de suggestie dat Augustinus na al die eeuwen toch nog zijn zin had gekregen. Bij nader onderzoek bleek dat juist het tegendeel het geval was. Heel voorzichtig opende de commissie de mogelijkheid dat God de ongedoopte kindertjes toch tot de hemel zou toelaten. Ze wisten het natuurlijk niet zeker, maar uit hun naspeuringen zou blijken dat er “goede theologische en liturgische redenen waren voor de hoop dat ongedoopte kindertjes die overlijden, gered zouden worden, en deel zouden hebben aan de gelukzalige aanschouwing (van God)”. Het is natuurlijk uiterst voorzichtig geformuleerd, en het is ook geen officieel leerstuk, maar het is prettig om ook eens een verstandig geluid te horen uit het Vaticaan. Augustinus draait zich om in zijn graf.

 

De berichten dat de limbus puerorum hiermee ook definitief afgeschaft zou zijn, bleken voorbarig. De commissie heeft alleen gezegd dat hij misschien niet meer nodig zou zijn, maar heeft de mogelijkheid dat hij wel bestaat nadrukkelijk opengelaten – wat natuurlijk weer een geruststelling is voor de meer traditioneel ingestelde Rooms-katholieken. Je moet niet teveel in een keer veranderen.

 

 

Rob Reijerkerk

 

 

 

BRONNEN.

 

Aurelius Augustinus De stad van God

oorspronkelijk De civitate Dei

vertaling Gerard Wijdeveld

Ambo, Amsterdam vierde druk 2001

 

De werken van Augustinus zijn op het net te vinden op:

http://www.documentacatholicaomnia.eu/20_40_0354-0430-_Augustinus,_Sanctus.html

 

Catholic Encyclopedia over Augustinus:

http://www.newadvent.org/cathen/02091a.htm

 

Catholic Encyclopedia over limbo:

http://www.newadvent.org/cathen/09256a.htm

 

RKK over de limbus:

http://www.katholieknederland.nl/abc/detail_objectID583970.html

 

De Engelstalige wikipedia over limbo:

http://en.wikipedia.org/wiki/Limbo

 

De werken van Thomas van Aquino zijn op het net te vinden op:

http://www.corpusthomisticum.org/iopera.html

 

De Bijbelcitaten komen uit de Willibrordvertaling van 1995.

 

 

© Rob Reijerkerk

eerste versie af op 10-2-2008

 

 

home