LE FRANÇAIS FAMILIER
EN CLASSE DE FLE



Top-100 van meest gebruikte termen

 


 

Enige parate kennis van de meest gebruikte termen*) is reuze handig als je bijvoorbeeld meer wilt verstaan van een Franse film. De contextzinnen zijn authentiek. Let op: bevat ook platte termen.

anniv (le) - verkorting van anniversaire - verjaardag; On écrit ‘Bon anniV’ et pas ‘Bon anniF’, connards d'illettrés! - Je schrijft  ‘Bon anniV’ en niet ‘Bon anniF’, stomme analfabeten!

appart (le) - verkorting van appartement - Je me suis trouvé un appart de ouf dans le 16e. - Ik heb een waanzinnig appartement gevonden in het 16e arrondissement.

aprèm(e) (le, la) - verkorting van après-midi - middag; On s'voit c’t’aprèm? - Zien we elkaar vanmiddag?

bagnole, la - wagen, auto; Cette bagnole bouffe de l’essence. - Die kar zuipt benzine.

bahut, le - 1 school, college, lyceum; T'es dans quel bahut? - Qu’est-ce que j’en sais, ça change tous les mois! - Op welke school zit je? - Weet ik veel, dat verandert iedere maand!; 2 kar, taxi

baiser - neuken, naaien; Je me sens comme un animal sauvage, je veux bouffer, boire et baiser. - Ik voel me als een wild dier: ik wil vreten, drinken en neuken.

barbe, la ~!
- verdorie!

barbe, quelle ~! - hè, wat vervelend!

barber - 1 vervelen; Le prof d’histoire, il nous a trop barbés avec sa guerre froide. - De geschiedenisleraar heeft ons ontzettend zitten vervelen met zijn koude oorlog; 2 liegen; C’est encore Mouloud qui nous a barbés. - Marmoud heeft alweer tegen ons gelogen; 3 stelen; J’me suis fait barber mon vélo. - Ze hebben mijn fiets gejat.

barge  - gestoord, gek, niet goed snik

bargeot, bargeotte - verlan (ziedaar) van jobard - gestoord, niet goed snik; Tu viens de rouler sur la vieille dame, putain!, t’es bargeot ou quoi? - Je hebt verdomme net die oude dame aangereden!, ben je niet goed wijs of zo?

bécane, la - 1 fiets, karretje; On m'a piqué ma bécane, merde! - Ze hebben verdomme mijn fiets gejat!; 2 motorfiets, brommer; Elle a de la gueule ta bécane avec le pot chromé. - Je motorfiets ziet er gaaf uit met die verchroomde uitlaat; 3 machine, toestel; Ta bécane, elle tourne à combien? - Hoe snel is jouw computer?

becqueter / becter / bectancer - vreten, bikken; Y a quelque chose à becqueter dans ton frigo? Parce que j’ai grave faim! - Valt er wat te bikken uit jouw koelkast? Want ik verrek van de trek!

beu, beuhère, la - verlan (ziedaar) van herbe - wiet, cannabis; Sache que la beuhère vient du ventre de la terre notre mère. - Weet dat wiet komt uit de buik van moeder aarde.

bol, en avoir ras le ~ - er meer dan genoeg van hebben; J'en ai ras le bol! - Het zit me tot hier!

bon ap'! - verkorting van bon appétit! - smakelijk eten!

bordel! - shit! verdomme! Bordel! J'ai encore raté mon train! - Verdomme! Ik heb alweer mijn trein gemist!  

bosser - werken; Ce soir, j'ai bossé comme un dingue. - Ik heb vanavond gewerkt als een gek.

bouffer - 1 eten, bikken, schransen; Qu’est qu’on bouffe? J'ai trop la dalle! - Wat eten we? Ik heb ontzettend trek!; 2 haten; Ces gens-là veulent juste bouffer du patron. - Die lui hebben alleen maar een hekel aan hun bazen.

bouger
- 1 bewegen, zich verroeren; Il n'a pas bougé le petit doigt. - Hij heeft geen vinger uitgestoken; 2 opschieten; Allez, on bouge! - Vooruit, opschieten!

boulot, le - werk; Alors, j'ai fait tout ce boulot pour des prunes? - Dus ik heb al dat werk voor nop (lett. voor pruimen) gedaan?

ça craint - da's balen, da’s klote; Ça craint si tu peux pas me ramener en ville. - Da’s balen als je me niet kan terugbrengen naar de stad.

cafard, le - sombere bui (lett. kakkerlak); Il a le cafard depuis que sa copine l'a largué. - Hij is depri sinds zijn vriendin hem heeft gedumpt.

caisse, la - kar, wagen, bak (let. kist); Tu roules encore avec cette vieille caisse pourrie? - Rij je nog altijd met die ouwe rotte bak?

casser, se - ervandoor gaan, 'm smeren; Merde, les flics! Faut pas traîner, on se casse! - Verdomme, de politie! Kom, wegwezen!

Céfran, la - verlan (ziedaar) voor France

céfran - verlan (ziedaar) voor français; Malika, elle est pas du genre à fréquenter des rebeux; elle préfère les céfrans, à ce qu'elle me disait. - Malika is niet het type dat met Noord-Afrikanen omgaat; ze heeft liever Fransen, zei ze tegen me.

chier, faire ~ - ergeren, hinderen, de neus uit komen  (lett.  doen  schijten);  Fais  pas chier, Louis, t’attends ton tour! - Doe niet zo lullig Louis, je wacht je beurt af!

choper - 1 arresteren, pakken; Julien s'est fait choper à Carrouf en train de tirer des lames de rasoir. - Julien heeft zich in de Carrefour laten pakken toen hij scheermesjes aan het pikken was; 2 pikken, jatten; On m’a chopé mon larfeuille avec tous mes papiers, j’suis vraiment dans la merde! - Ze hebben mijn portefeuille gepikt met al mijn papieren, ik zit nu echt in de stront; 3 te pakken krijgen, oplopen; Ce pauvre Farid a chopé le dasse. - Die arme Farid heeft aids gekregen; 4 verleiden, versieren, willen wippen; Elle veut choper. - Ze wil wippen; 5 scoren, drugs kopen; J’vais au centre-ville pour essayer de choper de la beu. - Ik ga naar het centrum om te kijken of ik wat wiet kan scoren.

cimère, le - verlan (ziedaar) van merci; Tu veux bien me passer le sel? Cimère! - Wil je even het zout aangeven? Dankjewel!

clope, la - sigaret, peuk, saffie; T'as pas une clope pour moi? - Heb je misschien een peuk voor me?

con, conne - lullig, klote; C’est con c’qui t’est arrivé ce matin. - Da's klote wat je vanochtend is overkomen; Il a l’air con. - Hij ziet er achterlijk uit; Ces filles sont vraiment connes.  -  Die  meisjes  zijn echt stom.

connerie, la - 1 stupiditeit, rotstreek; Ma frangine ne fait que des conneries. - Mijn zus haalt alleen maar rotstreken uit; 2 rotzooi; C’est de la vraie connerie, ce bouquin. - Dit is echt een kutboek; 3 onzin, roddel, leugen; Nito a raconté à ma copine que je fais une doublette avec Estelle mais ce sont des sales conneries. - Nito heeft mijn vriendin verteld dat ik een relatie met Estelle heb, maar dat zijn gore leugens.

croquer - opeten, oppeuzelen; Martine est belle à croquer. - Martine is om op te eten, zo mooi.

dalle, la - 1 noppes, niks; Que dalle! - Niks en niemendal! 2 trek, honger; Là-bas dansent des chacals, poussés par la dalle. - Daar dansen de jakhalzen, gedreven door de honger; J'ai la dalle. - Ik verrek van de trek, ik rammel van de honger; 3 strot, keel

déconner - 1 maffe dingen doen, gek doen; Putain ! Ma télé  déconne juste quand y a le match! - Verdomme, mijn tv doet raar net nu de wedstrijd wordt uitge-zonden! Hé, les gosses, vous avez fini de déconner? - Hé jongens, zijn jullie klaar met die ongein? 2 onzin uitkramen; Comment tu veux suivre un cours d’amphi avec tous ces connards qui déconnent! - Hoe kan je nou een college volgen met al die stommelingen die onzin zitten uit te kramen?; 3 een grapje maken; Quand je t’ai dit que j’avais couché avec ta sœur, je déconnais! - Ik maakte maar een grapje toen ik je zei dat ik met je zus geslapen had!

draguer - sjansen met, versieren; J’me suis fait gicler de la boîte parce que j’avais dragué la petite amie du vigile. - Ik ben de tent uitgezet omdat ik sjanste met het vriendinnetje van de bewaker.

emballer - 1 verleiden, versieren; J’ai discuté toute la soirée avec Isabelle, mais j’ai pas réussi à l’emballer. - Ik heb de hele avond met Isabelle gepraat maar het is me niet gelukt haar te versieren; 2  (tong)zoenen

emballer, s' - zich druk maken, zich opwinden; T'emballe pas, c'est pas encore sûr! - Maak je niet druk, het is nog niet zeker!

emmerder - 1 ergeren, irriteren ; Elle m’emmerde cette bonne femme, elle n’arrête pas de râler. - Ik krijg wat van dat mens, ze zit altijd te kankeren; 2 schijt hebben aan; Je t'emmerde! - Je kunt me de pot op! Si Jean-Marie courait aussi vite que j’l’emmerde, il s’rait tellement loin. - Als Jean-Marie even hard liep als ik schijt aan hem heb, zou hij ontzettend ver weg zijn.

emmerder, s’ - 1 zich te pletter vervelen; Qu’est-ce qu’on s’emmerde ici! - Wat is het hier oersaai! 2 zich uitsloven; La nouvelle secrétaire ne s'emmerde pas. - De nieuwe secretaresse voert geen bal uit.

faucher - pikken, jatten, achterover drukken; Il est passé où ton auto-radio? - On me l’a fauché! - Wat is er met je autoradio gebeurd? - Die hebben ze gepikt!

filer - 1 wegwezen, er vandoor gaan; Déjà deux heures? Faut que je file! ­ Is het al twee uur? Ik moet er vandoor! 2 geven; Les clients ne filent plus de pourboires de nos jours. - Klanten geven tegenwoordig geen fooi meer; 3 slaan

foutre (sterkere variant van ficher) - 1 neuken, naaien; Va te faire foutre! - Krijg de tering! Rot op! (lett. laat je naaien); 2 zetten, leggen, geven; Arrête ou je te fous une baffe. - Hou op of ik geef je een dreun; Où as-tu foutu les clefs de la maison? - Waar heb je de sleutels van het huis gelaten? On lui a foutu une balle dans la peau. - Ze hebben hem omgelegd (lett. een kogel in de huid geschoten); 3 doen, uitspoken, uitvoeren; Qu’est-ce que tu fous? - Wat ben je aan het uitspoken? Mon frangin ne fout rien en classe. - Mijn broer voert geen bal uit in de klas.  

foutre le camp - er vandoor gaan, de benen nemen; Allez, foutez-moi le camp, bande de voyous! - Donder op, stelletje schurken!; Hé, les gars, foutons le camp avant que les flics n’arrivent. - Kom op jongens, wegwezen voordat de smerissen komen.

frangin, le - 1 broer(tje); Cette année, mon p’tit frangin entre en classe de transition. - Dit jaar gaat mijn broertje naar de bugklas; 2 maat, makker; T’es en retard frangin? - Ben je te laat vriend?

frangine, la - 1 zus(je); Elle est chouette, ta frangine! - Jouw zus is te gek! 2 vriendin 

fric, le - poen, duiten; Dis, t’as du fric à me passer? - Zeg, kun je me wat poen geven?

fringues, les (v) - kleren, kloffie; Mon petit frangin rêve de bagnoles, de fringues et de tunes. - Mijn
broertje droomt van wagens, kleren en poen.

frit, être ~ - erbij zijn, de klos zijn;  Je  suis frit! - Ik ben de klos! Het is gedaan met mij!

gaffe, faire ~ -  uitkijken, voorzichtig zijn; Aie! Fais gaffe, tu m’fais mal! Au! Kijk uit, je doet me pijn!

galère, la ~! - verdomme! wat een misère! - J'ai niqué ma bagnole, la galère! ­ Ik heb mijn wagen naar
de kloten geholpen, wat een ellende!

gonzesse, la - 1 grietje, vrouw, meid; Farid s’est inscrit au fitness, il croit qu’il va pouvoir tirer des gonzesses. - Farid heeft zich ingeschreven voor fitness, hij denkt dat-ie dan meiden kan versieren; 2 (vaste) vriendin; Si j’appelle pas d’ici un quart d’heure, ma gonzesse me tue! - Als ik niet bel binnen een kwartier maakt mijn vriendin me af! 3 lafbek, schijtluis; Martin, en bande tu le vois frimer, mais tout seul c’est une vrai gonzesse. - Als Martin in een groep zit zie je hem opscheppen, maar als hij alleen is, is-ie een echte lafbek.

gourer, se - zich vergissen, er naast zitten; Tu te goures, chérie. - Je zit er naast, schat.

kiffer (grave) - 1 (ontzettend) dol zijn op, erg houden van; J’kiffe grave le reggae. - Ik hou ontzettend van reggae; La gonzesse de l’autre soir, elle a kiffé sur moi. - Die griet van laatst vond me erg leuk; 2 het hoofd verliezen, door het lint gaan; J’vous ai dit qu’j’ai pas mes papiers, pas la peine de kiffer! - Ik zei u toch al dat ik mijn papieren niet heb, u hoeft niet zo tekeer te gaan!

magner, se - opschieten, zich haasten; Allez, magnez-vous ou j’appelle les flics! - Vooruit, opschieten of ik roep de smerissen!

malade - maf, getikt, niet goed snik; Il est complètement malade, ce type. - Die vent is compleet getikt; T'es malade, toi! - Je bent niet goed snik!

marmot, le - kind, jochie, kleuter; Ce soir, pour les marmots, y'a de la pizza et la télé.  Voor de kids is er vanavond pizza en de televisie.

marre, en avoir ~ de - er genoeg van hebben, er de buik vol van hebben;  J’en ai marre de ce taf de merde, j’vais donner ma dèm. - Ik heb de balen van dat klote-werk, ik neem ontslag; Y'en a marre, tu fais que des conneries! - Nu is het genoeg geweest, je haalt alleen maar stomme streken uit!

mater / matter - 1 kijken; Mate la fille en mini-jupe! - Kijk 's naar dat meisje in mini-rok! 2 opletten, in de gaten houden; Tu mates pendant que j’m’occupe du casier du prof! - Jij staat op de uitkijk terwijl ik me bezig houd met het postvakje van de leraar!

mec, le  - 1 vent, man, kerel;  Il a du toupet, c’mec. - Die gozer heeft wél lef zeg; Dommage qu'en boîte il y ait quatre fois plus de mecs que de gonzesses. - Jammer dat er in de disco vier keer meer kerels dan vrouwen zijn; 2 vaste vriend, man (echtgenoot); Sabine nous a présenté son mec. - Sabine heeft ons haar vriend voorgesteld.

merde, la - 1 problemen, shit; Ch'suis dans la merde jusqu'au cou. - Ik zit tot aan mijn nek in de shit; 2 troep, rotzooi; Nettoie ta merde avant que le dirlo n'arrive. - Ruim je troep op voordat de directeur komt;
4 hasj, shit

merde! - 1 verdomme! verrek! shit!; Merde! J'ai encore oublié de faire le plein. - Ik ben verdomme alwéér vergeten te gaan tanken!; 2 zet 'm op! toi toi toi!; Bon, allez, merde, ça ira! - Nou zet 'm op hè, het zal wel lukken!   

meuf, la - verlan (ziedaar) voor femme - 1 vrouw, mokkel, griet; Sa vie n’était faite que de bluff et de meufs. - Zijn leven bestond alleen maar uit bluf en meiden; 2 (vaste) vriendin; La meuf à Martin, elle est vraiment super. - De vriendin van Martin is echt super.

môme, le, la - 1 kind; Les  parents sont partis en laissant leurs mômes. - De ouders zijn vertrokken en hebben hun kinderen achtergelaten; 2 griet, meid; Annie, c'est une belle môme. - Annie is een mooie griet.

nana, la - 1 vrouw, meid, griet; A l’usine, j’suis le seul mec au milieu de cinquante nanas. - Ik ben op de fabriek de enige kerel tussen vijftig meiden; 2 vaste vriendin; Le samedi, j’le passe avec des potes, le dimanche avec ma nana. - Zaterdags ben ik bij mijn vrienden, zondags bij mijn mokkel.

nickel / nickel-chrome - 1 prima, perfect; J'ai trouvé un local pour la résoi, c’est nickel! - Ik heb een ruimte gevonden voor het feest, echt perfect!; 2 schoon, picobello; J’ai lavé ma mob, elle est nickel! - Ik heb mijn brommer gewassen, die is nu spik en span! 3 eerlijk, betrouwbaar; Un mec trop nickel, c'est suspect. - Een te eerlijke kerel, da's verdacht.

niquer - 1 naaien, neuken; 2 oplichten, naaien; On m'a niqué. - Ze hebben me  genaaid; 3 beschadigen; 4 iemand (knock-out) slaan; Pendant cette manif, Bernard il a niqué deux flics. - Bij die demonstratie heeft Bernard twee smerissen buiten westen geslagen.

nul, nulle - onbenullig, idioot, waardeloos; Cet ordi est vraiment nul comme truc. - Die computer is echt een waardeloos ding.

ouf - verlan (ziedaar) van fou - maf, crazy,  dwaas; A ce moment-là j’avais deux maîtresses en même temps, j’étais dans une intrigue de ouf! - Op dat moment had ik twee vriendinnen en zat ik in een maffe liefdessituatie. 

Paname
/ Pantin - Parijs; Il y a deux jours, Tina a débarqué à Paname. - Twee dagen geleden is Tina in Parijs aangekomen.

Parigot, Parigote, le, la - Parijzenaar, Parisienne

parigot, parigote - van Parijs; La chanson parigote chante la vraie vie. - Het Parijse lied bezingt het echte leven.

paumé, le - sukkel, loser

pêche, la - mep, klap, tik; Ce flic a filé une pêche à Jacky. - Die smeris heeft Jacky een mep gegeven

pêche, avoir la~ - zin, energie hebben; J’ai la pêche depuis que j’ai repris le sport. - Ik ben ik topvorm sinds ik weer aan sport doe.

péter les plombs (m) - door het lint gaan (lett. de zekeringen laten springen); Nicolas a pété les plombs et a agressé un joueur de l'OM. - Nicolas ging door het lint en viel een speler van Olympique Marseille aan.

pied, prendre son ~ - 1 ontzettend veel lol hebben, een ontzettende kick krijgen; On prend son pied cet après-midi! - Vanmiddag hebben we veel lol!; 2 klaarkomen; Annie a pris son pied avec Sandy. - Annie heeft lekker gevreeën met Sandy.

piger - snappen, begrijpen; T'as pigé? - Gesnapt?

pinard, le - (tafel)wijn; Ces mômes ont chouravé du pinard au supermarché. -  Die jongetjes hebben wijn gepikt in de supermarkt.

planer - 1 kicken, uit zijn dak gaan; Ça plane les filles? - Gaat alles lekker dames? 2 high zijn

pognon, le - poen, duiten; Cette salope a claqué un pognon fou sur de la camelote. - Die trut heeft een smak geld uitgegeven aan rommel.

pote, le, la - vriend(in), maatje; Préviens mes potes quand je risque de flipper. - Waarschuw mijn maten als ik door het lint dreig te gaan.

putain! - verdomme! verrek! (lett. hoer, snol)

ras le bol, en avoir ~ - Er meer dan genoeg van hebben; Le taf jusqu'à minuit, j'en ai ras le bol! - Werken tot  twaalf  uur 's nachts, dat zit me tot hier!

récré, la - verkorting van récréation - pauze

rempes, rempas / renpas, les (m) - verlan van parents - ouders, ouwelui, vader en moeder;  Mes rempes vont m’tuer si j’suis pas rentré avant minuit! - Mijn ouders vermoorden me als ik niet voor middernacht thuis ben!

rond - bezopen, lazerus; On était ronds comme une bille / barrique / queue de pelle. - We waren ladderzat (lett. rond als een knikker / ton / steel van een schop)

salaud, le - rotzak, smeerlap; Ce salaud de Dupont l'a foutu à la porte. - Die rotzak van een Dupont heeft hem eruit gezet.

salope, la - 1 del, slet; 2 trut, takkewijf; Cette salope de Marie me fait chier. - Dat takkewijf van een Marie komt mijn neus uit; 3 slapjanus

saoûl / soûl - bezopen, zat, lazarus; Hier soir, mon jules était saoûl comme un Polonais. - Gisteravond was die vent van mij zo dronken als een Maleier (lett. als een Pool).

taf, le - werk, job, baan; Va chercher du taf! - Ga een baan zoeken!

taper - 1 geld loskloppen; Il l'a tapée de mille balles. - Hij heeft duizend piek bij haar losgepeuterd; 2 pikken; Taper des sacs à main des mémés, ce sont des conneries! - Handtasjes van oma's pikken, dat zijn kutstreken!; 3 stikheet zijn; Ça tape cette aprèm! - Het is stikheet vanmiddag!; 4 goed staan; J'ai vu les housses sur tes sièges, ça tape! - Ik heb de hoezen op je stoelen gezien, die zien er goed uit!

taper, s'en ~ -  lak  hebben aan;  Roger n'a plus de fric mais je m'en tape. - Roger heeft geen poen meer, maar het zal mij een zorg zijn.

thune / tune, la - poen, pegels; Mon blouson qui vaut tant de thunes, à leurs yeux était une veste pour marcher sur  la lune! - In hun ogen was mijn jack, dat zoveel poen waard is, een jasje om mee op de maan te lopen!

tonton, le - oom(pje), ome; Tonton lui a fait panpan car il a fait pipi dans son dodo. - Zijn oom heeft hem een pak voor zijn broek gegeven, want hij heeft in zijn bed geplast.

trop - ontzettend, ontiegelijk; Le prof d’histoire, il nous a trop barbés avec sa guerre froide. - De geschiedenisleraar heeft ons ontzettend zitten vervelen met zijn koude oorlog; J'ai trop la dalle! - Ik heb ontzettend trek!

trouille, la - angst; Le toubib a la trouille lui-même, j'espère qu'il va assurer! - De dokter knijpt 'm zelf, ik hoop dat-ie het aan kan!; J’laisse pas ma caisse sur le parking, j’ai trop la trouille qu’on me raille la peinture. - Ik laat mijn wagen niet op de parking staan, ik ben veel te bang dat ze een kras op de lak maken.

truc, le - 1 ding, iets; C'est un drôle de truc. - Da's een raar ding; 2 foefje; Depuis ce week-end-là, Jean-Paul connaît les trucs du métier. - Sinds dat weekend kent Jean-Paul de kneepjes van het vak; 3 domein, specialisatie; La plongée, c'est pas mon truc. - Duiken, da's niet mijn pakkie-an; 4 (seks)standje; Nadine fait le truc pour quelques euros. - Nadine biedt zich aan voor een paar euro's.

vache, (ah) la ~! - verdomme, verduiveld! - La vache, qu’est-ce qu’il fait chaud dans cette boîte! - Verdomme, wat is het heet in deze tent!

verlan, le - omgedraaid Frans (le français à l'envers), bijvoorbeeld féca voor café, zicmu voor musique, zarbi voor bizarre.

wesh / ouèche / wèche - 1 Hoe gaat het? Hoe is-tie? 2 ja; On y va? - Wesh! - Gaan we? - Yep!

zic / zik, la - verkorting van musique

zicmu / zikmu, la - verlan (ziedaar) voor musique

zone, la - buitenwijk van een grote stad met meestal miserabele woonomstandigheden; C'est la zone, ton quartier. - Wat is die wijk van jou toch triest.

 

Kijk voor veelvoorkomende uitdrukkingen ook eens naar deze korte netprof-video.

 

*) Bron: Woordenboek Populair Frans - Nederlands (uitg. Arti-Choc

 

  | Initial design