|

Hoe begin je
als het over jezelf gaat? Om je een eerste
indruk te geven hierboven eerst maar een paar foto's van mezelf.
1968 t/m2008. Andere foto's van vroeger staan in het verhaal
verwerkt. Meer originele kiekjes van Huize Nazareth en wat oude foto's uit
Tilburg kun je elders tegenkomen.
Om het verhaal te verduidelijken; ik ben op 21 augustus 1950 in Oisterwijk
geboren en kort daarna in Tilburg terecht gekomen. In mijn
herinnering is de volgorde de Tilburgse Transvaalstraat -Beekse
Dijk - Pieter Vreede pad - Nazarethstraat - Capucijnenstraat -
Vazalstraat - in 1968 terug naar Oisterwijk - zomer 1969
naar Breda enz. In totaal ben ik vaker dan 20 keer
verkast. In het interview uit 2005 is grotendeels
het vervolg vanaf 1969 verwerkt.
Je leerde bij de fraters van Tilburg
wat
opvoeding inhield. Ik heb er in elk geval genoeg van opgestoken en
samen met mijn vrouw dat erfgoed aan onze kinderen
doorgegeven. Als je kan werken dan ga je ook werken voor je geld, respect tonen
aan diegene die respect verdienen en voor jezelf op kunnen komen. Wat
sommige fraters wel voor een handje hadden was dat ze rake klappen uitdeelden. Dat
stukje van de opvoeding hebben wij hier in huize Lauwerijssen uiteraard niet
in navolging genomen. Onze kinderen
hebben nooit een opduvel gehad. Of ik
er nou echt in die negen jaar als kind gelukkig was is nog maar zeer de
vraag, maar ook dat schrijf ik niet aan Huize Nazareth toe. Toen het
misbruik via de landelijke pers bekend werd was ik helemaal van mijn
mijn à propos. Een aantal van die misbruikers staan op deze pagina op de
foto. Wie de zondebokken waren maakt niet uit, de goeie waren in de
meerderheid en staan er ook bij. In de media heeft men het over de
periode tussen 1958 en de jaren zestig. Helaas speelde dit ook in de
twintiger, de dertiger en de veertiger jaren. Enkele kinderen van deze
slachtoffers hebben me dit laten weten. Op een paar na zijn ze inmiddels
overleden net als de daders, maar het heeft ook in hun leven diepe
sporen achtergelaten. Hopelijk heb ik de pijn wat kunnen verlichten door
ook voor die misbruikte kinderen op deze website aandacht te vragen. Ieder kind
groeit het liefste op bij zijn ouders in z'n eigen omgeving. Het verhaal dat volgt was
in ieder geval voor lotgenoten en
hun partners behoorlijk confronterend. Het
is zó gedetailleerd en
treffend dat verschillende mensen me lieten weten dat ze nu pas begrepen waarom
hun ega gesloten is.
Lotgenootjes, kwamen na een halve eeuw met hun eigen ervaringen en
bevindingen naar me toe.
Soortgelijke reacties waren op televisie te zien en artikelen daarover
kon men in de kranten
lezen. Ik hou het
hier in grote lijnen bij
mijn eigen verhaal en heb om de sfeer van vroeger weer te geven een
aantal plaatjes uit de oude doos geplaatst. Ik ben gelukkig niet misbruikt.

Dit is mijn moeder, waarmee ik een
zeer hechte band had. Mam zag
er zelfs op latere leeftijd nog erg goed uit. Ik was best trots op mijn
moeder. Een simpele ziel,
ruimhartig en snel
tevreden. Als ik op haar leven terugkijk heeft ze niet gevonden waar ze
naar zocht. Terwijl ik dit type
kijk ik even naar de urn. Ja mam, je staat nu op het
internet. Ons mam, altijd is ze erbij als ik hier zit te werken.
Mam was een goed mens. Het is net of ik haar weer met dat
lachende gezichtje voor me zie en hoor zeggen: oh, onze Cor
toch, die kan het ook afgeven. Nou mam, dat weet je hé, daar
gaat ie dan. Het is ook jouw verhaal, want wat hebben we samen
veel meegemaakt!
Laat ik maar eens beginnen door een
flinke stap achterwaarts te maken en terug
in de tijd gaan. Mijn leven was zo hectisch dat
ik wat op en neer hutsel maar het geheel is
voor iedereen duidelijk te volgen.
A ls moederskind was heimwee een logisch gevolg toen ik
in de tweede helft van de jaren vijftig in de vorige eeuw, naar het internaat
werd gebracht. In de jaren daarvoor
had ik al regelmatig een ander dak boven mijn hoofd gehad maar deze
keer was
het definitief. Ik kwam
terecht in een roedel waar je continue op je hoede moest zijn,
Al bij
binnenkomst werd je voorzien van een
persoonlijk nummer. Mijn onvergetelijke nummer was 39. Dat
getal werd in je kleren
genaaid en stond op het prive kastje
in de zaal. Daarin kon je dan je
dierbare spulletjes bewaren. Zo jong en al genummerd
zijn
vergeet je nooit meer. Dat ik iets
met de factor drie heb is haast niet voor te stellen maar
het is echt waar. Alles in mijn heeft iets met die drie te maken.
In de jaren voorafgaand aan de plaatsing in dat internaat,
had ik last van ernstige bloedarmoede. Op mijn vijfde
vertrok ik daarom naar een gezondheidskolonie
op Schiermonnikoog. Mam moest zich met mij melden op het oude Tilburgse station
waar ik na controle van de checklist voor het eerst van mijn leven met heel veel
andere kindertjes op de trein werd gezet. Op het moment dat deze
zich in gang zette probeerde zij een papieren zak met sinaasappelen
door het geopende raampje aan te geven. De zak scheurde
open en
de sinaasappeltjes rolden over het perron waar
ik mijn moeder met betraande ogen steeds kleiner zag worden. Op het eiland
Schiermonnikoog stonden destijds twee koloniehuizen. In welk van de twee ik
verbleef weet ik niet maar het Roomse ligt het meest voor de hand. Elk jaar
logeerden daar zo'n 700 kinderen om
aan te sterken. De gezonde zeelucht en de vele pap die je verplicht moest eten zouden daar
wel voor
zorgen.
Je werd aangemeld op advies van de huisarts wanneer je net zoals ik last had van
astma, bronchitis of wanneer je te mager werd bevonden. Met alle drie de
aandoeningen was ik gezegend. Dat ik ook de hart en vaten problematiek
had geërfd wist ik toen nog niet.
Nog niet eerder was ik zo
lang van mijn ouders gescheiden. De kinderen
van mijn leeftijd hoefden daar niet
naar school. Men ging dagelijks wandelen of spelletjes doen. Ik
herinner me dat we knipten en plakten en slingers maakten.
Veel van hen hadden ongetwijfeld net zoals
kleine Cor last van pijn
in de onderbuik. Na bijna 3 volle maanden
in plaats van de afgesproken 6 weken, door heimwee
aan het bed gekluisterd te zijn, mocht ik
eindelijk naar huis. Vanwege een hevige storm kon de boot
die dag niet
varen en moesten we een nachtje langer blijven. Echt aangesterkt kwam ik er
niet vandaan,
eerder zwakker. Wat was ik blij toen ons mam mij weer in haar armen sloot. In
1972 stopte men met deze gezondheidskolonies omdat de kneusjes
schijnbaar op
waren. Mijn blijdschap over de hereniging was echter van zeer korte duur.
Het ging
thuis niet goed tussen mijn ouders en moeder nam de kuierlatten om in het
Tilburgse Pieter Vreedepad te gaan wonen. Jaren later hoorde ik dat
ze voor mijn vader
niet veel in het huis had achtergelaten. Het bed, 'n tafel met een stoel en
borden met wat
bestek. Precies datgene wat bij wet verplicht was.
Mijn speelkameraadje op
een eerder huisadres aan de
Transvaalstraat( foto rechts ) heette Joke van Erven. Een klein schriel manneke dat bij ons
buiten door de houten
vloer van de wc was
gezakt en al tot z'n lippen in de stront zat. Met z'n vingertopjes kon
hij zich nog net aan de rand vastklampen terwijl hij
krampachtig z'n kin omhoog drukte om geen vuiligheid binnen te krijgen.
De stront stond tot bijna aan de rand want de strontschepper was nog
niet langs geweest met zijn paard en wagen. Moeder kwam op mijn
hysterisch gegil af en was net op tijd om hem
eruit te trekken. Het
schoonwassen en poetsen heeft nog erg lang geduurd. Joke liep ik 18 jaar
later weer tegen het lijf bij vrienden, waar ik
ook Helma mijn in 1976
overleden vrouw heb leren kennen. We woonden daar tussen 1952 en 1955. Ik
ben van 1950, dus oud waren we niet. De verhuizing destijds van de
Transvaalstraat naar het huis aan de Beekse dijk was
zonder meer een hele
vooruitgang. Kort daarop door huwelijksproblemen opnieuw te moeten
verkassen was ingrijpend. Dit keer zonder mijn pa vertrokken we naar
het Pieter Vreedepad, midden in het Tilburgse centrum.
Door allerlei toestanden op het nieuwe adres in dat
Vreedepadje op nr 17 werd ik een paar keer bij
tante Luus ondergebracht maar uiteindelijk moest ik uit huis worden geplaatst.
Het jongenstehuis Huize Nazareth was gelukkig dichtbij. Mam
probeerde van alles om me bij haar te
houden maar dat lukte niet.
Het was duidelijk dat ik niet
gewenst was. Vanwege haar baan op textielfabriek de Wolkat
kon ze niet met mij blijven rond zeulen. Voordat de definitieve
beslissing viel wilde ze nog één keer alles
op alles zetten. Ze ondernam tijdens een hevig noodweer een laatste
poging om terug naar mijn
eigen vader
te gaan. Na een aantal keren trekken aan de oude koperen
trekbel ging boven op de slaapkamer het licht aan.
Onze pap opende het raam op een
klein kiertje. Frans, mag ik aub terugkomen?
riep ze, terwijl de harde regen in onze gezichten striemde en onze kleding
doorweekte! Mijne
kleine kun je achterlaten maar jij komt er
hier nooit
meer in, snauwde hij haar toe.
Mijn vader stond bekend als een stijfkop die erg lang boos kon
blijven. Soms wisselden ze om helemaal "niets" wekenlang geen woord met elkaar.
Daar ging ons mam, als een verzopen kat, met
hangende pootjes met mij op de arm via de Broekhovenseweg naar
haar onderkomen. Vanuit mijn ooghoekjes kon ik nog net een
glimp opvangen van de Pius 10 kerk waar ik regelmatig op het plein had gespeeld.

Moeder was
radeloos en reddeloos in de situatie waarin ze opnieuw verzeild was geraakt. De opvang
van pater Poels
in Tilburg had gekund maar dat was geen definitieve
oplossing. Ik zou hoe dan ook in
het gesticht terecht zijn gekomen. Juli 1958, een maand voor mijn 8e verjaardag
vertrok ik met mijn bruine koffertje naar Huize Nazareth. Ik had het geluk dat
de zus van mam in de buurt was komen wonen.
Daarmee had ik toch het
gevoel dat ze dichtbij me waren.
Als mam niet hoefde te werken, of als ze daar s'
avonds op visite ging, kwam ze tegen alle regels in even binnen gewipt. Overdag
zat ik op de b.l.o. school "Don Savio" van het internaat en soms kwam ze ook
daar
binnenwandelen. Ze hield het scherp in de gaten en het voortijdig bezoek
werd getolereerd door de fraters. Overdag bleven de beide zussen eventjes stil
staan om te kijken of ze mij zagen zitten. Dan
werd er even gezwaaid waarna ze
gearmd verder liepen. Allebei met zo'n idioot hoofddoekje
of regenkapje van de Hema op hun hoofd. Daarna kon ik weer met frisse
moed verder met de vele schrijfoefeningen, want schrijven met mooie lussen leerden we
wel bij de fraters.
In het begin zat ik in de klas aan de straatzijde bij het raam. Vanachter het
houten lessenaartje zat ik vaak naar buiten te turen. Ik was niet echt een
oplettende leerling en kreeg daarom vaak een borstel tegen het hoofd
gesmeten of een ferme tik met de liniaal op de vingers. Altijd was ik afwezig en als ik
eerlijk ben is dat tot op de dag van vandaag zo gebleven. Meer
zo'n verstrooide professor die het verkeerde antwoord
geeft omdat hij de vraag niet hoorde. Mijn gedachten komen
nooit tot rust, zelfs niet als ik slaap want zelfs dan
sla ik volgens mijn vrouw
wartaal uit en lijkt het alsof er een mohammedaan
ligt te jammeren. Je was weer eens goed
bezig vannacht, het lijkt wel Arabisch zegt ze dan, ik doe geen oog dicht met
jou.
Het meeste wat je in het leven overkomt verwerk je of heb je een plekje
kunnen geven. Ondanks dat ik goed kan relativeren zijn er
ongewild nare herinneringen blijven zitten.
Ik kan
ontiegelijk ver teruggraven in mijn verleden en helaas werkt dat
niet altijd in je voordeel.
Hoe oud ben je als je voorop in
een fietsstoeltje of op het piespotje zit, met de bromtol speelde,
stepte of in een driewieler rond sjeesde? Ik bedoel
maar! Ter illustratie wat vergelijkbare afbeeldingen.
Moeder was in 1948 korte tijd getrouwd geweest met diegene waar ik naar
ben vernoemd. Toen ze bij die eerste man al heel snel
was weggevlucht en bij mijn
biologische vader ging wonen raakte ze vrij snel
daarna
in verwachting. De
scheiding was nog niet afgerond. Mam heeft altijd verzwegen waarom ze zo
snel was gescheiden en de familie liet toen ik
naar antwoorden zocht ook niks los. Ze heeft het me
nooit willen vertellen en nam dat goedbewaarde geheim mee het graf in. Op 21 augustus
2007, op mijn verjaardag notabene, werd
ik opgebeld door een
rechercheur die op zoek was naar de oudste zoon van een 81 jarige
arrestant. De
netelige zaak haalde
de kranten, het
NOS Journaal en nog wat zenders. Er werd
ongevraagd een hele oude wond opengereten. Mams uit schaamte verborgen
gehouden geheim was 60 jaar later uitgekomen. De reden waarom ze zo snel
scheidde was dezelfde als waarvoor hij werd opgepakt. Eindelijk mam, ze
hebben hem.
Mam wilde zo snel mogelijk het ouderlijk huis uit. Oma was
weduwe en hertrouwd. Bij die stiefvader was de gemoedstoestand sterk
wisselend alsof er iets niet goed zat in zijn hoofd.
Hij was een
mollenvanger die met zijn foxhondje de gigantische tuinen van de
Oisterwijkse elite onderhield en molvrij maakte. De velletjes verkocht
hij. ( foto onder is voorbeeldfoto) Dat dit vroeger een veel voorkomend beroep was kun je je nu niet meer voorstellen.
Mollenvanger! Op een dag pakte hij tijdens een driftbui het hondje bij
de achterpoten en sloeg het tegen de keukenmuur dood. Alles zat onder
het bloed van dat arme beestje tot aan het plafond toe. Ons mam kreeg het jaren later nog te
slecht als het gesprek die kant opging.
Op
deze foto uit 1950 staan mam en ik als baby in het cirkeltje. Mijn pa er
naast. Derde en vierde van rechts op de foto zijn tante Berta en
ome Wim met hun zoontje Wil. Laatstgenoemde was een volle neef van mij. Hij werd in
de jaren negentig in Tilburg door zijn vrouw samen met
zijn zoon vermoord. Ze
hadden hem in de keuken opgewacht en met een hamer de hersens
ingeslagen. Hij dronk veel en gedroeg zich vaak als een bruut. Van wie hij dat had weten
we niet want zijn ouders dronken niet. Van mijn moeder en vaders kant
waren er overigens helemaal geen zuiplappen.
Mijn vader dacht alleen aan
werken voor het gezin, rookte niet en dronk geen druppel
alcohol. In die naoorlogse jaren was
van huis weg gaan heel gedurfd. Mijn Pap was
een jaar of tien ouder en is hierboven
op het familiekiekje al een eind in de dertig. Moeke was toen een jaar of
25. Het is de enige foto waarop hij staat. Hij is in 1951 op een
communiefeestje genomen in de Bossche volkswijk De Siep, een vogelwijk.
Het was op een binnenpleintje dat bereikbaar was via een grote boog
waarvandaan de etagewoningen via trappen bereikbaar waren. Het rondkruipen op
de binnenplaats en mijn neef, de kleine Giel, die me langs de wateren in Den Bosch
meezeulde, het is vaag maar flarden daarvan zitten er nog.
Deze tak van de familie heb ik nooit
goed leren kennen. Wat ik wel
weet is dat allen een heel lang
huwelijksleven hadden en dat het stuk voor stuk harde werkers waren.
Mijn
zusje Sjan is ook al jaren gehuwd.
Ik werd helaas in 1976 op mijn
25e weduwnaar van een 7 maanden zwangere vrouw na slechts 8 maanden huwelijk.
Hiernaast ( rechts ) staan we op de foto die werd
genomen tijdens de huwelijksreis. Inmiddels was ik met Jeannette op 1 september 2009 ook
alweer 26
jaar gehuwd.
Het duurde ruim dertig jaar voordat de familie uit Den Bosch de band met
mijn moeder herstelde. Dat krijg je als de een na de ander ziekelijk gaat
worden. Moeder ging ze op latere leeftijd regelmatig met de trein in
's-Hertogenbosch bezoeken en haar
broers waren daar blij om. Iedereen van de familie had
longproblemen en zijn daar uiteindelijk aan gestorven. De jongste broer van ons
mam was 17 toen hij aan tbc overleed. Die sliep zelfs een paar jaar lang in een
tentje in de tuin. Ome Wim, een andere broer heeft jarenlang in het Tilburgse
sanatorium gelegen. Mam was de jongste telg en stierf als laatste. Ze
heeft nooit met één kwaad woord over iemand gesproken. Van mijn vaders kant
hadden ze hartkwalen en net zoals ik slechte bloedvaten waaraan ze uiteindelijk stierven. Pap was in de veertig
toen magere Hein hem kwam ophalen. Dat was toen ik nog maar kort
op het internaat verbleef. Er werd me niets verteld waardoor ik dus niet bij zijn
begrafenis kon zijn. Ik was 46 toen ik mijn
vier bypasses kreeg.
Mijn grote avontuur begon op een zaterdagochtend in de warme zomer van 1958.
Ik werd door mam
met water uit een emmer gewassen en vervolgens per benenwagen naar
Huize Nazareth afgevoerd. Ik droeg het kleine bruine koffertje met daarin wat schamele kleertjes. Wat ik toen niet
nog wist, was dat Frans, waarmee ze 8 jaar getrouwd bleef,
het koffertje op het Tilburgse station had gejat. Om tien uur werden we
bij de fraters verwacht. Ik begreep niet goed wat er stond te gebeuren
en had het bekende gevoel van die steen in mijn maag.
De
hoofdingang van dat gigantische gebouw bevond zich in het midden bij de grote boog. Via een
klein deurtje aan de linkerkant kwamen we in een brede gang
waar een aantal pingpongtafels stonden opgesteld. We mochten
in
een zijkamertje plaatsnemen en werden even later begroet door
directeur frater Reinardus.
Het was een vriendelijk ogend man met zilvergrijs haar.
Hij droeg een witte
boord om zijn nek en had een lang zwart kleed aan waar een grote rozenkrans aan
hing. Er werd
het een en ander uitgelegd om daarna naar een grote zaal te worden gebracht. Even samen
rondkijken, een afscheidskus
van ons mam en daar stond ik in mijn korte fluwelen broekje met galgen. Verder
was er niemand, want in die tijd moesten we op zaterdagochtend nog tot half een naar school. Mijn God,
zeven jaar oud was ik nog maar en wat
voelde ik me eenzaam en in de steek gelaten. Ik hoor
haar nog zeggen; hier zit je
echt beter jongen, je krijgt op tijd te eten, je kunt er met andere
kinderen spelen en op
school leer je een vak voor later. Frans wil jou niet, bij je vader mag ik niet
meer terug komen en ik weet niet waar ik naar toe kan. Over een
paar maanden komt er ook nog een broertje
of een zusje bij. Je woont toch nog vlak bij mij
en Tante Luus en ik kom je zo vaak mogelijk opzoeken. Daar ging
ze, huilend
terug naar het oude arbeidershuisje aan het Pieter Vreedepad nr 17 en haar
vent, een weduwnaar met 3 kinderen. Zijn kinderen waren ook uit huis
geplaatst en het programma Spoorloos besteedde daar afgelopen zomer aandacht
aan.
Ik kreeg heimwee naar
huis en wilde het liefst achter haar aanhollen. Via de lange gang kon ik nog een heel eind mee huppelen en via de vele
hoge ramen moeder uitzwaaien. Totdat ze de hoek
omging en uit het zicht verdween. Frans was bij een motorongeluk zijn
vrouw verloren en had zelf maandenlang in coma gelegen. Dat is natuurlijk
verschrikkelijk. Misschien had moeder medelijden met hem en dacht dat er best
iets van te maken zou zijn. Zijn kinderen kwamen zo nu en dan op weekend. Dan gingen
we naar het Wilhelminapark waar een prachtige kiosk stond. Het
Wilhelminapark dat nu geen enkele sfeer meer uitademt. Dat
waren de leuke momenten, voor de rest vond ik er geen ene moer aan. Ik vond
Frans een regelrechte Jan Doedel. Hij kon mij niet gebruiken en ik
weet nog dat ik hem toeschreeuwde; als ik later groot ben stomp ik je helemaal
in elkaar klootzak. En dan moest ik het op een lopen zetten en op het
hoekje wachten tot
mam van haar werk thuis kwam. Moeder werkte voor de kost op de toddenkeet van
mijnheer Piet en hij deed niet veel, dat had ik al heel snel in de
smiezen. Daarom zat ik nu in het internaat was mijn stellige overtuiging.
Frans heeft overigens nog wel even in het grondwerk gezeten. Ons mam moest op een
dag zijn
boterhammen en de fles thee brengen. Op zo'n polderweggetje
waren ze met de schop bezig. Helemaal op de fiets over de dodenweg naar Dorst
met mij achterop de bagagedrager. Het mens was helemaal kapot toen ze daar arriveerde.
Frans kon even aan de anderen laten zien wat hij veroverd had en toen moest ze
dat hele eind weer terug.
 
Op 1 okt 1958, 2 maanden later al, kreeg ik er een zusje bij. Ons Sjannie
zag het levenslicht. Het was
ook de dag dat
Frater Reinardus jarig was. Die eerste ochtend in het
gesticht liep ik na het vertrek van mijn moeder wat rond en nam goed in me op wat ik er allemaal zag.
De kongo-papagaai aan de linkerzijde zou enkele weken later door mijn frietje,
gekocht bij Harrie den buik,stikken).
Een klein aapje
( dit aapje ) dat venijnig in je hand beet als hij die naar zich toe kon trekken. Een biljart met een joekel van een legpuzzel erop en
talloze boeken met plaatjes. Er
stond zelfs een televisie. Ik had voordien weleens op de woensdag of
zaterdagmiddag bij een vriendje voor een
duppie televisie mogen kijken. Ze woonden in een mooi
huis en waren aan de meubels te zien zichtbaar in goede doen. Welgesteld en dan
aan ons een
dubbeltje durven vragen om naar
Dappere Dodo of tante Hannie te mogen kijken.
Misschien heb ik toen al een aversie gekregen tegen uitzuigers.
Rond kwart voor een kwam er een groep kinderen de zaal binnenstormen.
Als vreemde eend in de bijt trok ik meteen veel bekijks. Die eerste dag ging
maar langzaam voorbij en toen we eindelijk naar de slaapzaal vertrokken deed ik
ondanks de vermoeidheid geen
oog dicht.
Ergens aan de rechterzijde sliep ik de eerste week. Later
verkaste ik naar de straatzijde. Slapen lukte haast niet die
eerste nachten. De foto's samen met die van de wasbakken zijn
van de originele slaapzaal. Ook op de andere internaten was de indeling haast
identiek zoals je op de ander foto kunt zien. Na een paar dagen raakte ik echter gewend en had ik zelfs al een
paar keer flink van me af moeten bijten. Moeder had me op het hart gedrukt dat ik
me niet op mijn kop moest laten zitten en mijn haren terug moest halen. Ik
ben geen ruziemaker maar heb wel altijd mijn eigen boontjes
kunnen doppen. De Beekse dijk op Broekhoven 3 was een ruige wijk en aan de andere kant daarvan, schuin achter de Pius
10 kerk, had je een
andere volksbuurt met een
slechte naam. De Ruisvoorn. Gewoon terugmeppen met wat je in je handen hebt, zei ons mam
anders blijven ze koeioneren en als ze met meer zijn de eerste de volle
laag geven. Ik hoefde niet jankend thuis te komen want dan
moest ik terug. Als het nodig was sloeg
ik er bovenop. Ik heb er nooit geen last meer mee gehad. Je maakt op zo'n
internaat vriendjes en luistert naar diegene die er al wat langer
verblijven.
Het schijnt
dat we wekelijks met de groep in het oude zwembad aan de Ringbaan Oost gaan zwemmen.
Op deze foto staat frater Siegfried met zijn toenmalige groep.
Ook spelen we op de grote zandvlaktes bij
de Beekse Bergen, daar waar nu al jaren het beroemde Safaripark is gevestigd.
Het
safaripark waar Rutger Lommerse al heel lang op kantoor werkzaam is. Ik
moest er op een keer, na zo'n middagje spelen, helemaal op de step terug naartoe
omdat ik mijn gloednieuwe steunzooltjes onder de boom had laten slingeren. Ik
kon ze onder dat rulle zand niet meer terugvinden, waarna ik voor straf enkele bladzijden uit de catechismus
moest leren.
In de winters werden
de speelplaatsen natgespoten zodat we konden schaatsen en slibberen. Dat
schaatsen was met die houten botjes niet mijn favoriete bezigheid. Adrie vd Hout
uit Tilburg woonde eerder ook op Huize Nazareth. Hij liet me weten dat hij voor het varken mocht zorgen en s' winters de
speelplaatsen nat spoot. We gingen regelmatig naar de Rimboe, een
stukje bosgebied met speelweide dat eigendom was van de fraters. Daar stonden een paar gebouwtjes
en in het bos was een droge waterput waarin men ooit een lijk had gevonden van iemand
die daar vermoord was.
Dat was in
ieder geval het verhaal. Keurig twee aan twee in de rij liepen we daar via de
boerenpaadjes heen. Het leuke was dat je dan af en toe zo'n roze knolletje uit
de grond kon trekken om op te knabbelen. De
frater liep achteraan met een slijmbal ernaast als hekkensluiter. We wandelden wat af
in die jaren. Een paar jaar eerder zag ik ze door Tilburg lopen en nu liep ik er
zelf tussenin.
 Frater Leopold las als we rustig waren geweest met zijn zware stem verhaaltjes voor uit de boekjes van Puk en Muk
of we mochten televisie kijken.
Een paar jaar later werd hij overgeplaatst naar de Kongo. Hij heeft er niet
kunnen wennen en spoedig daarna is hij overleden.
Bij frater Jeroen
kon je bekijken hoe je boeken moest kaften en innaaien.
Jeroen was een vakman eersteklas en toen ik hem begin zeventiger jaren opzocht
gaf hij mij het misboekje dat ooit aan Frans Fransen toebehoorde. Er stond een pot met
beenderlijm op een vuurtje en de lucht daarvan hangt nog steeds in mijn neus, net
zoals de geur
van een nieuw schoolboek je niet meer loslaat of de smaak van een nieuw potloot
als je er op sabbelt. Bijna alle fraters uit mijn tijd hadden op de drukkerij gewerkt. We gingen
regelmatig naar de
Efteling of de IJzeren Man en namen dan grote ketels mee die met limonadesiroop
en water werden gevuld
om de kosten te drukken.
Dat we daar naar toe konden kwam omdat de fraters de bekende eieren voor de Efteling vulden.
Toen ze net met dit vullen begonnen kregen ze een halve cent per ei. Het entreegeld moest tenslotte ergens
vandaan komen. De fraters deden veel om voor een spaarpotje te zorgen. Ook de uitstapjes met de afgehuurde bussen naar
toeristische plekken werden uit het potje betaald.
Thuis kwamen we niet veel verder dan de droge sloot, richting
Kaatsheuvel. Dan hadden we een fles koude thee bij ons en heel af en
toe een fles lekkere Exota met gele of rooie prik of zo'n groene fles Riedel -limonade. Het toeval wil dat ik een paar jaar
geleden met de vrachtwagen dagelijks een aantal keren per dag voorbij diezelfde plek reed.
Ik zag mezelf weer helemaal zitten aan die slootkant. De fietsen in het gras, maar dan
bijna vijftig jaar terug
in de tijd. Hoe het leven er op het internaat uitzag werd me allemaal haarfijn
door de jongens uitgelegd. Gingen
jullie dan niet naar de Efteling? werd me
gevraagd, en ik moest ontkennend knikken.
Geen geld, mompelde ik. Kevertjes tellen met zo'n spijltje
in de achterruit.
Of de beginletters van kentekenplaten gokken. Al gauw werd me duidelijk
dat haast iedereen een bijnaam had. Flappie, Velletje en de manke Peter zijn er
maar een paar. Addie Seuren uit Den Bosch was het eerste bruintje met kroeshaar dat ik
zag. Sommige zijn dood, veelal door
aanraking met drugs, drank of een onstabiele relatie. Die
konden de kar niet trekken. Ook ik
had al snel een bijnaam. Mij noemden ze Lauwke tod. Het stukje v/d
achternaam en het feit dat moeder op de toddenfabriek van mijnheer Piet
werkte. Tilburg was namelijk een industriestad waar mensen voor een habbekrats
werkten en net zoals nu weer het geval is door de kapitalisten werden uitgebuit. Ach, de naam Lauwke tod zul je in het Tilburgse bijnamenboek niet tegenkomen maar het
klonk wel leuk en ik kon er niet echt boos om worden. Om me
gerust te stellen, vertelden ze dat je na een tijdje naar huis mocht. Eerst op
de zondag, maar later mocht je al op zaterdagochtend worden opgehaald. En met de
vakanties natuurlijk ook. Mijn moeder woonde zó dichtbij dat ik misschien
wel alleen mocht, dacht ik nog. Ik fleurde helemaal op en kreeg weer enigszins
hoop.
Samen met mam en daarnaast met zusje Sjan en mijn 32 basser sta ik hier begin zestiger
jaren voor de deur in het Pieter
Vreedepadje nr. 17. De accordeon had ik met sinterklaas gekregen. Moeder heeft
heel wat werk moeten verzetten om het ding te kunnen betalen. Ondanks de armoede
was de tafel gevuld met allerlei cadeautjes en suikerbeestjes. Het mocht
en zou haar kinderen aan niets ontbreken. En ik? Ik ben het nooit meer vergeten
zoals je ziet!
Het
armetierige Pieter Vreedepad
waar moeder terecht was gekomen lag midden in het centrum, pal achter de later
afgebrande V&D op
nog geen kwartiertje loopafstand van het internaat. Het straatje was
niet meer dan een steegje en destijds
vanaf de Heuvelstraat opgesplitst
in drie delen. Het waren oude muf ruikende arbeidershuisjes die het
predicaat bewoonbaar niet eens verdienden. Via de dakpannen keek je zó de lucht
in en s' winters stierf je ondanks de wollen dekens van AaBee dekenfabriek van de
kou. Als de wind verkeerd stond kwamen er zelfs sneeuwvlokken binnen dwarrelen. Het houten wc 'tje
met zo'n hartje in de deur was net als in de Transvaalstraat buiten. Boven de
deur hing op een gegeven moment een bordje met "onbewoonbaar verklaarde woning".
In het schuurtje had Frans een balk waaraan hij de konijnen met de achterpootjes
ophing om ze vervolgens met een knuppel of met de handpalm in de nek dood te
slaan. Hij moest regelmatig meerdere keren uithalen en het beestje gilde dan
alles bij elkaar. Dat verschrikkelijke geluid ging door merg en been en zit nog
altijd in mijn hoofd. Ook de bloeddruppels die via de bek en de neusgaatjes op
de grond uit elkaar spatten zie ik nog voor me. En dan die geur als het buikje
werd opengesneden en de darmpjes eruit vielen. Een verschrikkelijk tafereel om
te moeten aanzien. Het huishoudelijk afval ging nog in een zinken vuilnisemmer.
Een heel gedoe voor mam om dat ding naar de hoek van de straat te zeulen als de
vuilniswagen moest komen. Toch, ondanks de misère, gingen de mensen
gemoedelijker met elkaar om dan tegenwoordig.
De dikke dame
van de kermis woonde er ook als ze niet hoefde rond te toeren en maakten dat het leven daar niet onaangenaam was. De een kwam om een
paar eieren en zelf haalde je weer een potje suiker bij de buren. Men hielp
elkaar in die moeilijke tijden. Met Jeannette ben ik nog een
aantal keren voor
een broodje van de "Kras", gevestigd aan het
Pieter Vreedeplein in Tilburg gereden. Vanuit
die broodjeszaak hadden we zicht op de plek waar vroeger die oude krotjes stonden.
Zelfs de oude regenpijp tegen het achterliggend pand was na al die jaren nog steeds aanwezig. Nee, ons mam was er niet op vooruit gegaan, dat was
een regelrechte slechte ruil. Daar
in dat steegje woonden mensen in volledige armoede. Naast ons op nr 19 huisde de
Tilburgse kunstenares Ria Mook. Frans had op zolder heel voorzichtig met een
mesje een piepklein kijkgaatje in de
bepleisterde muur gemaakt, zodat hij de naakte modellen kon begluren en ik
gluurde ook wel eens stiekem, want anders zou ik dit natuurlijk niet kunnen weten. Ik zag te veel en dat kon hij niet gebruiken.
Op de hoek
was de fietsenzaak van Guil v/d Ven!
Als je op Huize Nazareth je grote communie deed kreeg je een
zwarte fiets die
bij hem
vandaan kwam. Als ik een katapult wilde maken kreeg ik van hem een kapotte
binnenband. Ondanks de ellende was
men solidair met elkaar, want men zat tenslotte in hetzelfde armoedige schuitje.
Men
probeerde er het beste van te maken en allemaal hoopten ze op betere tijden.
Hoop doet leven en ik wachtte geduldig op de dag
dat ik voor het eerst naar
huis mocht. Voor mij ging dat uitstapje waar ik zo halsreikend naar uitkeek niet door
omdat ik moest wennen aan mijn nieuwe omgeving. Die
zomervakantie
bleef ik terwijl iedereen vertrok alleen achter bij frater Leonardus.
Pas in de laatste weken van de grote vakantie mocht ik naar de boerenfamilie
"de Kort" ergens in Goirle. Het was een leuke ervaring met die beestenboel,
vooral als je nog nooit een koe of een kip van dichtbij had gezien. Na de zomervakantie werd er voor mijn
familie een
bezoekregeling getroffen. In beginsel mochten ze 1 keer per maand komen.
Iedereen verscheen ten tonele behalve mijn
biologische vader. Hij mocht me niet opzoeken, wel mocht hij speelgoed voor me afgeven
aan de voordeur. Op een dag werd er een grote doos met daarin een vrachtwagen met aanhanger de zaal binnen gebracht.
Eentje met zo'n grijs
dekzeil op de voor en achterwagen. Dolblij was ik met zo'n blikvanger, maar ik zou natuurlijk nog gelukkiger
zijn geweest als ik pap zelf had mogen zien. Al was het maar voor een half
uurtje, tien minuutjes dan? vijf misschien, 'n kusje? De broer van moeders nieuwe man,
die zich later onder een vrachtwagen te pletter reed,
had mijn opname bij de fraters geregeld. Zó makkelijk ging het in die tijd als iemand
de Kinderbescherming inschakelde. Net als pa heb ik ook een bloedhekel aan de
bemoeienissen van die instantie. Nog steeds nemen ze verkeerde beslissingen waardoor
kinderen een van hun ouders niet of nauwelijks te zien krijgen. Ik was een sta in de weg, maar wat het
inhield begreep
ik pas vele jaren later. Ik heb pa, overigens een keiharde werker en geen
drinker nog één keer in levende lijve gezien. Dat was toen ik op weekend was.
Hij liep te ijsberen op het hoekje bij de fietsenmaker om een glimp van me op te vangen.
Toen ik hem zag riep ik mijn moeder en die zei, loop er maar gauw heen
jongen. We wandelden samen hand in hand de hele Tilburgse binnenstad door en op het laatst
kocht hij een mondharmonica voor me en een eindje verderop twee
grote sinasappelen bij het bekende groetehalleke. De appelsienen heb ik verorbert maar de mondharmonica heb ik nog steeds.
Kort daarna is hij van verdriet gestorven. immens verdriet
van het piekeren.
Vader werkte in Tilburg bij "de Regenboog" aan de Oude Bredase weg en was
daar op een dag in elkaar gezakt en ter plekke overleden. Ik was niet eens bij zijn
begrafenis. Maanden later hoorde ik pas dat hij dood en al lang begraven
was. Probeer dat als kind maar eens te bevatten. Hoe het hem precies was vergaan en hoeveel verdriet
hij heeft gehad hoorde ik eind jaren zestig toen ik op zoek
ging naar zijn familie. Hij werd gek van eenzaamheid en de familie besloot hem
in huis te nemen. Dan stond er na werktijd in ieder geval een bord met eten
klaar en hoefde hij niet in z'n uppie te zijn. Triest, en nog triester is dat ik
tot voor kort niet eens wist waar en
wanneer hij is geboren. Alleen dat hij avonden
achtereen zat te huilen en dat hij van opera en operette hield. Vooral
Mario Lanza vond hij prachtig. Moeder heeft nooit
ergens over gepraat. Dat is allemaal voorbij jongen, als ik alles over kon doen wist
ik het wel, zei ze dan. Jouw vader was een harde werker en een goeie vent, alleen kon
ik er niet mee leven, zó jaloers dat hij was. Het zal het leeftijdsverschil wel
zijn geweest en het gedrag. Begin jaren zeventig
ben ik samen met een vriendin zijn graf gaan zoeken aan de Gilzebaan te Tilburg. Daar bleek een kerkhof te zijn waar ongelovigen in ongewijde aarde werden begraven.
Waarschijnlijk
was het graf geruimd. Nee, pa moest niks van de kerk
hebben. De pastoor mocht ook niet binnen komen. Die pottenkijkers jutten alles op
en die fraters, die zogenaamde heiligen vertrouwde hij ook niet. Hij kende meerdere
gevallen waar de kinderen van waren opgeruimd. En nu had hij zelf aan den lijve
ondervonden hoe dat systeem werkte. Wat moet die man enorm
veel geleden hebben.
In afwachting van mijn
allereerste bezoek duurden de maanden
verschrikkelijk lang. Ik kreeg brieven van thuis, maar die waren al
opengemaakt. We mochten twee boterhammen met toespijs en de rest
moest met zoetigheid. Voornamelijk hagelslag, muisjes en kokoskaas. Een paar keer per jaar stond er een gekookt of gebakken ei
op het menu. Warm
eten bestond veelal uit stamppot, hete bliksem, balkenbrij, bloedworst en
gehakt en op vrijdag aten we altijd vis die toen nog betaalbaar was. Als toetje kreeg je griesmeelpap of chocolade -caramelpap met klontjes en dikke
vellen.
Er bleef altijd wat over voor de zwervers die dagelijks aan de poort
stonden. Op
school leerden we door veelvuldige tikken op de vingers mooi aan elkaar
schrijven. Vooral op de lussen werd driftig geoefend. Als je uit school kwam kregen de groepen beurtelings korsten brood
met suiker om de eerste honger te stillen. Soms, op zondagochtend na de mis,
tijdens de broodmaaltijd kwam Frater Reinardus langs. Hij keek je indringend
aan om vervolgens tergend langzaam met een klik een gulden naast je bord te leggen die hij uit dat zwarte
kleed toverde. Bij hoogtijdagen kregen we zelfs een rijksdaalder. Toen nog
van zilver. Ik werd een flink aantal keren overgeslagen omdat ik verdomde de
fraters met "U" aan te spreken.
Met dat geld konden we witte kruisbrokken, velletjes snoeppapier en zoethout
kopen, of blokken jodenvet. Tegenwoordig heet het
borsthoning. De cadeautjes die ik van mijn bezoek kreeg waren
bestemd voor ieders
gebruik, snoep moest je delen en het ontvangen geld moest worden ingeleverd. Dat werd via een zegelsysteem gespaard.
Na mijn komst op
Huize Nazareth duurde het bijna een half
jaar voor ik op een zondag door moeder mocht worden opgehaald. Daarna
gebeurde dat met een grotere
frequentie en zo gehaaid als ik was vertrok ik kort daarna al
zonder toestemming op de zaterdagochtend. Ik hield me gewoon van de gekke. Om half 8 moest ik op de zondagavond weer binnen zijn.
Dan ging ik op zoek naar de achterblijvers
van dat weekend die meestal in de filmzaal van het internaat zaten. In het begin
draaide men voornamelijk de films van de Dikke en de Dunne, Roy Rogers en
Zorro en natuurlijk oorlogsfilms met daarin de pitjes spuger. Verder had men in
Huize Nazareth een eigen recreatiezaal waar de Tilburgse bevolking regelmatig naar een toneelstuk kwam
kijken. De spelers waren volwassenen en bij een daarvan ben
ik later nog eens bij toeval terecht gekomen. Ik werkte op dat moment bij ETIPAR, een ontstoppingsbedrijfje. Loop maar vast achterom Correke en neem het
karretje met de ontstoppingsveer alvast mee. Toen ik het poortje opendeed lag er
een leeuw op de achterplaats aan een ketting. Ik liet alles los en heb nog nooit
zo hard gelopen. Het was een soort Clarence uit de serie Daktari ooit
meegebracht uit het buitenland. In die jaren was dat heel gewoon. Het beest werd
in het krakkemikkige schuurtje opgesloten zodat wij de beerput door konden
spoelen. De stront leek net peperkoek die ik met water moest verdunnen. Stinken!
Mijn baas stopte er zijn hand in en kneep die dicht zodat de
vuiligheid tussen ze vingers uitspritste. Niks zo zuiver als stront Correke
grapte hij, daar is nog nooit iemand met zijn handen aangeweest. Even afspoelen
met de waterslang die ik vasthad en schoon was het weer, behalve onder de nagels
en de nagelriemen. Even later zat hij in het busje lachend zijn boterhammen op
te eten. Een week later was ik er weg.
Op een van de wanden van de recreatiezaal was door een frater een kopie van de Nachtwacht
geschilderd. Dit wist ik niet meer maar deze door mij vergeten informatie werd me toegespeeld door
Adrie van hout. Er werden ook kinderstukken opgevoerd en aan één daarvan mocht ik
meedoen als wachter. Ik stond op een laddertje vanaf de toren de ( zaal ) in te
kijken en riep de gevatte tekst, daar komen ze aan, wachters open de poorten. Dat was al,
en wedden dat ik een rooie kop had!
Zelfs een eigen kleermakerij maakte deel uit van het complex Huize Nazareth en
de vaste kapper kende maar één model. De mooiste films
waren de religieuze
films. De oude versie Bernadette v Lourdes uit 1943, Marcellino brood en wijn
uit 1955, Barrabas, de Tien
geboden en Ben Hur. Mooi en indrukwekkend als je nog nooit in een bioscoop was
geweest. Het internaat kende bij mijn aankomst in de zomer van '57
twee
leeftijdsgroepen. Jongens in de leeftijdscategorie van 13 á 14 en de groep
daarboven tot hun 21e jaar. We mochten met drie koningen
met lampionnen langs de deur om liedjes te
zingen voor wat snoepgoed of geld. Bij een adres in de Veestraat gooide iemand vanaf
boven een volle piespot over ons leeg. De lampionnen doofden, de schmink liep uit en
wijzelf gingen noodgedwongen terug naar het tehuis. Als ik met mijn tong over
m'n lippen ga proef ik het nog. Bah!
En
dan plots na de nachtmis, terwijl we nog wat warme chocomelk dronken
en beschuitjes met muisjes aten, werden we door frater Leopold bij elkaar geroepen.
We werden voorgesteld aan
de schrijver van de Puk en Muk boekjes, Frans Fransen. Jammer, ik was nog te jong
om het allemaal te kunnen bevatten en ik viel op dat moment om van de slaap. Vrij kort na mijn
komst ging de gemiddelde leeftijd omlaag door ouderen eerder uit huis
te plaatsen. De fraters zorgden ook dat je werk had als je van Huize Nazareth
vertrok. Iedereen kreeg evenveel kans om een goede start in de maatschappij te
maken.
Ik presteerde ondanks dat ik vaak zat te dromen goed op school en werd uitverkoren om
misdienaar en koorknaap te worden. Bij de hoogmissen mocht ik van frater Siegfried solo zingen, net als zo'n
Wienersangerknaab. En zingen kon ik! Als de genodigden naar boven keken was ik enorm trots om zo in
de belangstelling te staan. Mooi gezongen kereltje! Hoe heet jij? Corrie
Lauwerijssen en ik woon hier eigenlijk heel dicht bij en, en, en.... ik ratelde
maar door. Ook ons
mam was erg trots op mij en was er van overtuigd dat ze de beste keus had
gemaakt. Als ik er op terugkijk was dat ook zo. Ik heb mijn moeder
dan ook nooit verwijten gemaakt. Waarschijnlijk omdat ik begreep hoe de
situatie werkelijk lag. Mam heeft nooit geen liefde gehad. Onze Cor gaat
later vast en zeker het klooster in vertelde ze tegen iedereen. Voorlopig was ik
nog koorknaap en misdienaar. Alles nog sfeervol in het Latijns.
Ad Deum qui laetificat juventutem meam, was de eerste zin.
Die woorden zal ik nooit
meer vergeten! Het stond allemaal in het misboekje. De betekenis van die
woorden kende ik niet en al die andere misdienaars waarschijnlijk ook niet.
Er werd me geleerd de handen zo samen te vouwen dat het topje van mijn pink
zichtbaar bleef. Ik moest vroeger mijn bed
uit dan de anderen om de mis in onze kapel te dienen. Af en toe stiekem een
hostie pikken en wat wijn proeven. Na enkele weken mocht
ik zelfs in alle vroegte naar de Oude Dijk bij de Zusters van
Liefde om daar nog half slapend misdienaartje te spelen.
Ze hadden bij de nonnen een
Grote en Kleine kapel, een Bovenkapel en een Kweekkapel en het rook er erg
lekker naar wierook. Wij steken hier regelmatig een stokje aan. Ik heb van
Helma nog een een origineel wierook apparaat uit de kerk hangen waar je de mirre op een houtkooltje moet laten branden. De priester stond
destijds nog met de rug naar de mensen. In de kweekkapel had ik het slecht. Daar
zat ik als misdienaar zó dat de meiden me constant aan konden kijken. Een
vuurrode kop was het gevolg. Zuster Trudy vond me een leuk kereltje, voelde mijn
eenzaamheid en maakte een bruin teddybeertje voor mij. Ik heb het nog jaren
gehad en ik heb ook altijd een zwak voor knuffelberen gehouden. Ook ben ik nog
in het bezit van een oude grijze vulpen met afgebroken punt en een potje met
Oost-Indische inkt. Dat was pas een luxe in die tijd. Overal zat inkt behalve in
de vulpen. Hij ligt al jaren in mijn gereedschapskist. Als ik de pijp uitga en
ze rommelen tussen de spulletjes zal niemand beseffen wat de emotionele waarde voor mij is geweest.
Begin zestiger jaren creëerde men meerdere zaaltjes om daarin
kleinere groepjes jongeren in onder te brengen. We kregen een nieuwe televisie
en een eigen keukentje waar we beurtelings de afwas deden. De lange
tafels met banken werden ingeruild voor kleine tafeltjes voorzien van een
tafelkleedje en stoeltjes. Het zag er gezellig en
huiselijk uit. Op een keer kwamen we terug van het Lof en hoorde de frater mij
tegen iemand iets onfatsoenlijks roepen. "Daar heb ik het schijt aan" flapte ik
eruit. Voor straf moest ik in het open keukentje met mijn rug naar
de televisie gaan zitten. Bonanza kwam en ik kon niet mee kijken. Alleen de
begintune kon ik meedoen. Téteretetetere té té tééé... téteretété té. Leuke
serie. Straf is straf maar dit ging wel ver. Toch was het er ondanks de
middeleeuwse strafmaat niet ongezellig.
De slaapzaal boven, werd omgetoverd en er kwam een nieuwe wand met wasbakjes. Aan de voor en achterzijde bij de ramen werden de wanden op 2 meter
hoogte gebracht en in het middengedeelte kwamen 2 rijen met slaapunits. De
wandjes hieromheen waren 1 meter hoog. De privacy was gewaarborgd en het gaf
je het gevoel een eigen plekje te hebben. De frater sliep op dezelfde zaal in
zijn eigen kamer zodat hij altijd in de buurt was en een oogje in het zeil kon
houden. Dat er ook andere zaken gebeurden hoorde ik pas na het maken van deze
website toen de reacties binnen rolden.
Stripfiguur Archie de man van staal, dappere Dodo, tante Hannie, Armand Pien de
populaire Belgische weerman met zijn leuke stem, Pipo en Puk en Muk raakten in de vergetelheid en
werden ingeruild voor spannende series als Bonanza, De Graaf van Monte Cristo,
De Laatste der Mohikanen en de Drie Musketiers, De Texas Rangers, kapitein
Zeppos, Schipper naast Mathilde, Rin tin tin
enz. enz. Eén speciaal iemand viel extra op met zijn korte filmpjes. "T Manneke.
De Belgische televisie bracht toen al betere programma's dan de Hollandse.
Iedereen wilde den Belg op zijn televisie ontvangen. Met een
spriet of een losse draad werd er gezocht naar de beste ontvangst. Vaak gaf het
beeld overwegend sneeuw maar dat mocht de pret niet drukken. Eind jaren zestig,
begin jaren zeventig kon ik een aardig zakcentje bijverdienen door in Breda
elementen voor ontvangst van België en Nederland 2 op de daken van grote
herenhuizen te plaatsen.
De elementen had ik op Huize Nazareth een paar jaar lang in elkaar gezet,
dus ik wist precies hoe het werkte.
Omdat Tilburg voornamelijk een textielstad
was kregen de fraters kleine lapjes met bloemen bedrukte stof die
onder de brave kinderen werden verdeeld. Voor op je tafeltje naast het bed of onder het
potje waarin een plantenstekje stond. Er veranderde heel wat in een paar jaar tijd. Je
kreeg de mogelijkheid een spaarcentje te verdienen. Bij frater Leonardus
kon je "rondjes" maken. Met een pincet kleine onderdeeltjes in een rondje
drukken. Hierin werden volgens zeggen in de fabriek de buislampen van televisies
en radio's gezet. Je mocht ook in het "hok" de elementen voor televisieantennes in
elkaar zetten. Staafje, vleugelmoertje enz enz. Ik had het er net al terloops over.
Ik werkte heel wat uurtjes met frater Leonardus samen.
Toen ik uit
Huize Nazareth vertrok had ik een mooi nieuw brommertje bij elkaar
gespaard. Een Kapitein Mobilette, ook weer bij Guill v/d Ven gekocht, met zo'n wit pookje om de
aandrijfrol op de band te
zetten. Guill was inmiddels verhuisd naar een ander pand aan de Korvelseweg. Leonardus had het allemaal keurig bijgehouden en het geld dat ik verdiende netjes
voor mij apart gezet.
Ik vond laatst naast mijn zwemdiploma en mijn laatste schoolrapport ook dat allereerste spaarbankboekje terug. Het bedrag van fl 500, gulden haalde ik er 5 dagen na mijn zestiende verjaardag vanaf voor de aankoop
van dit brommertje. Zelf verdiend natuurlijk en ó wat was ik trots. Leonardus, die stille man mocht ik echt graag. Mopperde niet
en hij gaf je nooit een tik. Deed ook alles heel relaxed, waardoor ze hem de
bijnaam schildpad gaven.
Frater
Siegfried hier met Bert Vromans en juf Van Hoof, was streng maar wat wil je als je zoveel jongelui in toom moest zien te
houden. Eucharius was ook wel aardig. Ook aan de goedgemutste fraters Jeroen en
Leopold bewaar ik goede herinneringen. Eigenlijk aan allemaal!
Uiteraard spreek ik voor mezelf. Begin zestiger jaren werden er groepsleiders en leidsters
geïntroduceerd en kort nadien schafte men de catechismuslessen af. Ook de mis en
de kerkgezangen werden naar het Nederlands vertaald. Vanaf dat moment kon je
duidelijk een kentering zien. Dit zou de nieuwe opvoedkundige stijl worden. Je kreeg
meer vrijheden en de jongeren werden een stuk brutaler. Men liet de haren groeien en veranderde de kledingstijl.
Met het vertrek van de fraters verdween de discipline.
Jufrouw v Hoof, Mien, het lieve
echtpaar tante Corrie en ome Theo Schoenmakers en natuurlijk Bert moesten het
geheel in goede banen zien te leiden. Het waren lieve mensen en tante Corrie
was een knappe vrouw. Gehoorzaamheid maakte steeds vaker plaats voor
ongehoorzaamheid en de groepsleiders wisten het niet
altijd in toom te houden. Door de kinderbescherming werden er steeds vaker jongeren bij
elkaar geplaatst van allerlei komaf. Vandaar dat de term jongensweeshuis bij
Huize Nazareth al lang niet meer niet op zijn plaats was. Bovenstaande
illustreert dat confrontaties onderling niet uitbleven en dat je
regelmatig moest laten zien wat je waard was. Toch werd het verblijf daar door de
meeste jongelui niet
als onprettig ervaren. Zo strak als wij werden gehouden, zoveel vrijheden kregen
de nieuwelingen. Ik heb er weinig mee te maken
gehad.
Toen het moment in 1963 daar was dat ik naar de oude LTS ( de ambachtsschool) ging
om voor timmerman te leren had ik de gelegenheid om eerder te vertrekken en later thuis te
komen. De school was schuin tegenover het oude station. Bijna dagelijks fietste
ik langs huis of
eventjes langs tante Luus.
Nadat de
oude ambachtschool werd gesloten ging ik naar de nieuwe LTS aan de Jan Truijenlaan.
Het speldje dat we bij de opening kregen, nu ruim veertig jaar geleden, heb ik
nog steeds. Deze school lag zelfs nog gunstiger omdat mijn moeder intussen was
verhuisd.
De krotjes in het Pieter Vreedepad waren onbewoonbaar verklaard en ze
moesten eruit. Behalve om te eten en te slapen was deze jongen haast nooit meer in het internaat. Ik vond het er in ieder
geval niet gezellig meer en was opgelucht dat ik in de zomer van 1966 weg kon. De fraters
van Huize Nazareth deden het volgens mijn opvatting zo slecht nog niet!
Moeder liet Frans na 8 jaar voor wie hij was en vertrok met mijn
zusje
naar België. Ons Sjan ging daar met een baret op
haar hoofd en in kostuum naar school. Ik kreeg een voogd, Mijnheer Wil van den
Boogaart, en een kosthuis toegewezen.
Ik was zijn allereerste pupil. Recht tegenover de
oude brandweerkazerne in de Capucijnenstraat op nr 52 woonde de familie Looimans.
Slechter had ik het niet kunnen treffen. Emiel een oudere jongen die daar
inwoonde rommelde met de vrouw des huizes. Dat was voor mij de eerste
seksuele voorlichting en dan nog wel live. De fles thee die ik mee naar mijn werk
kreeg zat vol theebladeren omdat ze te weinig had om 3 flessen te
vullen. De derde fles, dat was de mijne, werd aangevuld met koud water uit de kraan. Ik schaamde me dood in de schaftkeet van Ruts Bouw en Montage uit Tilburg. Ik
werkte destijds mee aan de nieuwbouw van het pand "Het Nieuwsblad van het Zuiden".
Wim Machielsen was de uitvoerder die me langs alle kanten de handen boven het
hoofd hield. Ik ben er bijna verongelukt toen er een steigerplak verkeerd lag. Hij zag nog net kans om me met één hand bij m'n lurven te grijpen. Een hele aardige vent.
Met Roelie ging ik s ávonds plafonds timmeren voor dat extra zakcentje. Ad, een
van de werkmannen zei dat ik met die fles slootwater naar mijn voogd moest gaan.
Eet eerst je boterhammen op en ga dan maar anders komt het er niet van. Wij
regelen wel dat het je niks kost jongen want dit is te gek voor woorden. Daar
ging ik met mijn knapzak, rechtstreeks naar de kinderbescherming. Ik was er zo
vertrokken. Binnen een paar dagen ging ik naar de Vazalstraat bij de familie
Smulders. Daar hadden ze al oudere jongens in huis die van Huize Nazareth
vandaan kwamen. De kamerdeur was bijna altijd op slot en op de ijskast zat een
slotje. Kon je als je van buiten kwam via de keuken direct naar je slaapkamer.
In de woonkamer mocht je in het geheel niet komen. Annie en Nico hadden een
dochter die getrouwd was met ene Kees. Voor hem heb ik een tijdje
reclame rondgebracht. Ik deed van alles om mijn eigen kostje te
scharrelen. Het was goed volk, waar ik later nog eens langs ben geweest.
Na
enkele maanden vertrok ik samen met Jack naar Oisterwijk en zó kwam ik bij Sjaan
en Leo terecht. In eerste instantie zou Jack daar alleen gaan wonen en reed ik
zomaar met hem mee. Ze adopteerden mij ook omdat ik in Tilburg niet echt
gelukkig was. Dat moest natuurlijk wel eerst via de voogd geregeld worden. Wil ging later in Berkel Enschot
wonen waar ook Rutger Lommerse van Puk en Muk en de Moddermannen woont. Sjaan en
Leo zijn prima mensen waarmee ik nog steeds
contact heb. Een paar keer per jaar komen ze bij ons op bezoek. Net voordat ik uit
Huize Nazareth vertrok kreeg ik nog een briefje van ons mam waarin ze schreef dat ze met Theo en
mijn zusje inmiddels in Antwerpen woonde. Ergens aan de Britse of de Keizers Lei. Ze had gewacht tot ik weg mocht en zou dan die Jan Doedel
na acht jaar huwelijk definitief verlaten.
Het was hun bedoeling om later in Breda te gaan wonen. Toen ik via de
familie vernam dat ze daar inmiddels woonden
ging ik er met de trein heen om eens een kijkje te nemen. Ze zaten netjes te
wonen en beheerden daar enkele pensions voor mevr. Otten waardoor hun woonlasten
erg laag waren. Het was in 1969 dat ik na bijna 3
jaar, voor het eerst ons mam weer
terugzag en kennis maakte met Theo waar ze bijna 25 jaar mee samenleefde.
Van het een kwam het ander en
ik vertrok naar Breda aan de Ginnekenweg 104 omdat een
relatie in Oisterwijk vanwege vooroordelen werd tegengehouden door ouders. Ik
koos voor een nieuwe start en een nieuwe baan waar ik overigens bijna vier keer
zoveel ging verdienen.
Theo was geen verkeerde.
Iedereen vond hem aardig en hij zag er ook altijd verzorgd uit. Jammer dat hij
te vaak de kroeg indook om met zijn
vingertje te zwaaien. Als je dikwijls een rondje geeft ben je al snel populair. Als zijn geld
was gestort moest hij eerst de kasteleins gaan
afbetalen en dan was er niks meer over voor de rest van de maand. Hij leende
regelmatig bij mij en ik kreeg het ook altijd weer netjes terug. Maar in
principe holde hij altijd achter de feiten aan. Hij was vaak te vinden in het Wiener
cafe van Nel en Louis v/d Kaa , in den Belgiek bij Joke en Koos, of in de kroeg van Kees Konings,
de vader van Corrie Konings. Ik kwam er ook wel eens aanwippen voor een
cola of om ze op te halen als er geen geld meer voor de taxie was. In het eerstgenoemde
cafeetje kwam ook de broer van de bekende
kruidendokter "Willem Van de Moosdijk". Regelmatig moest Theo even met
hem naar een of ander bos net buiten Breda een ritje maken om geld uit de grond te halen dat daar
lag
verstopt. Voor dat ritje kreeg hij dan 100 piek die aan het eind van de avond
in de kassa van de kroegbaas lagen. Theo en zijn oudste zoon, die later ook in Breda kwam wonen waren niet
de figuren waar je snel ruzie mee kreeg. Wilde je toch heibel dat
kon je het krijgen ook. Beiden waren voor de duvel niet bang
en gingen voor niemand opzij. Ik zat er wel eens midden tussenin. Theo leeft inmiddels niet meer.
Met de grote Communie
in 1962 moesten we in het pak
voor de communiefoto. Linksonder de frater die in het midden staat afgebeeld ben ik
te zien. Addie Seuren is het bruintje en de broertjes de Bruin en
Maas zijn ook aanwezig. Kort geleden kreeg ik een emailtje dat Rob in Amerika aan kanker is overleden. Ik kan me hem nog zo
voor de geest halen. De Maasjes en de Bruintjes waren geen slechteriken. Een neef van Jeannette trouwde ooit met een zusje van de
Bruin. Wel toevallig allemaal. We kregen ook een prentje
uitgereikt bij de communie. En de gelofte die ik moest afleggen ken ik nog steeds
uit mijn hoofd. Ik beloof trouw aan Christus mijn
Koning, ik zal heel mijn leven lang: God eren, God dienen, God beminnen en mijn
evennaaste lief hebben als mijzelf.
Naar die afgelegde belofte heb ik getracht te leven.

Tilburg was in de vijftiger jaren een stad volop in
ontwikkeling.
Een stad waar velen werkzaam waren in een van de textielbedrijven. Een groot aantal
hiervan noemde men in een adem
toddenketen. Maar je had er wolververijen, spinnerijen, blekerijen, de Volt en natuurlijk
AaBe wollen stoffenfabriek. De mensen werden uitgebuit. Het
had veel overeenkomsten met de leefsituatie in het begin van de vorige eeuw. Toen verlieten, gedwongen door de minimale
levensomstandigheden duizenden mannen hun gezin om op honderden kilometers
afstand te werken. De werklui die huis en haard verlieten schoten er bar
weinig mee op. Ze werden door de rijke werkgevers handig van hun
zuurverdiende geld afgeholpen. Boodschappen moesten worden gekocht in
winkels die eigendom waren van diezelfde werkgever en ook voor de slaapplek moest worden
betaald. Men verdiende zo weer dik aan het
werkvolk. Op die manier vloeide het geld met dikke winst weer terug naar de
grote hoop. Uitbuiting van het eigen volk in crisistijd. Die tijd komt terug. Ik wil alleen maar illustreren hoe
kapitalisten te werk gaan en aan hun geld komen. Men verdiende
slechts een schamel loontje
en het inkomen was net genoeg om niet de hongerdood te sterven. De tijd van Colijns gratis viskoppen soep lag bij menigeen nog vers in 't geheugen. Men
at
oud brood of beschuit, gedompeld in warme melk met suiker, de zogenaamde brood
of beschuitenpap. Borden vol heb ik er van opgegeten.
De mensen die
deur aan deur hun goederen aan de man
probeerden te brengen zijn inmiddels uit ons straatbeeld verdwenen.
De
voddenboer en de schillenboer kwamen met de bakfiets of paard en wagen langs de deur en als vergoeding kreeg je
een windmolentje of een dubbeltje. Je zag ook de
scharensliep in de straat. Eens in de
zoveel tijd kwam hij langs en dan riep hij: De schárensliep, de schááárensliep. Voor
al uw scharen en messen, de schárensliep!!!!!
De haring werd aan de deur verkocht door de
haringman en bij de ijscoman
kocht je een ijsje voor een duppie. Alles ging met de kar
of met paard en wagen. Je zag dan ook regelmatig een op hol
geslagen paard door Tilburg rennen en dat liep niet altijd goed af. Via het spoorpadje langs de stalen brug
over
het Wilhelmina kanaal fietste moeder de kortste weg naar oma in
Oisterwijk.
 Aan het stuur hing het kinderstoeltje met windschermpje waarin
ik zat.
We gingen met een bochtje om een paar bewoonde seinwachters huisjes heen
en het geluid van de wind en de voorbij razende trein hoor ik nóg in mijn oren. Auto's zag je
toen nog niet veel en busvervoer werd geregeld door de
Zuidooster. Als we vanwege slecht weer met de bus van Tilburg naar Oisterwijk reisden werd er door de mensen volop gezongen.
"Oh mein papa" was er 'n voorbeeld van.
Nu zeggen ze mekaar geeneens gedag meer en de jeugd staat ook niet op
om een ouder iemand een zitplaats te gunnen. Met lauw water werd je één keer per week
in een ovale zinken teiltje met groene zeep gewassen. En als
moeder zich waste, gingen de gordijnen dicht en moest ik naar buiten. De
televisie die we later hadden ging uit omdat ze dacht dat die man haar anders kon bekijken.
Hoe naïef waren ze in die tijd.
De tijd van het driegaats
of plattebuiskachel , gevuld met eierkolen, antraciet of hout en de platte buis
met daaromheen een verchroomde stang waaraan je wasgoed hing om te drogen.
Kacheltjes die gezien de huidige energieprijzen over een paar jaar heel goed van
pas kunnen komen. De tijd van de hoofddoekjes,de regenkapjes en de solex, alpinopetjes en lange jassen.
Aan de Broekhovenseweg, richting Pius10 kerk kon je enorme stoomwalsen aan het werk
zien bij het asfalteren van de weg. De geur van het gesmolten asfalt hangt nog in
mijn neus.
Tilburg met het prachtige Leipark
met zijn mooie vijvers waar twee van mijn kleine vriendjes schuilend onder een boom door de
bliksem werden getroffen en gedood. Voor wie het nog niet wist. Ik ben
ondanks dat we er zelf drie hebben als
de dood voor paarden, onweer en spinnen en allerlei andere insecten.
Tilburg
ook met het schitterende Wilhelminapark waar velen op zondagmiddag
bij mooi weer vertoefden. Aan datzelfde park lag het meisjestehuis Maria Goretti
dat werd gerund door de nonnen en waar ik eens met twee anderen stiekem via een raam
door een van de meiden werd
binnengelaten.
Meiden, zo gek als een mus op de slaapzaal, bijna of helemaal in hun blootje. Wat we ermee
aanmoesten wisten we toen nog niet. Tilburg was volgebouwd met internaten leek wel. Wat opviel waren de groepen
kinderen die keurig netjes, twee aan twee, door de stad wandelden met achteraan een
frater of non. Wie had ooit kunnen bedenken dat ook ik een paar
jaartjes later in zo'n rij zou meelopen. Veel huwelijken hielden door de
jarenlange misère geen stand en kinderen werden steeds vaker uit
huis geplaatst. Internaten brachten dan
uitkomst. De fraters en de nonnekes deden gezamenlijk goed werk maar of elk
kind daar thuishoorde is nog maar de vraag.
Als je
linksaf het Pieter Vreedepadje uitliep kwam je op de Heuvel. Hier stond de beroemde eeuwenoude lindeboom waar ik
als kind altijd inklom.
Als ik vanaf zo'n dikke tak naar beneden keek zag ik armoedzaaiers en zwervers spiritus drinken.
Het zou heel goed kunnen dat ik op bovenstaande foto sta afgebeeld. Zoals je
ziet zit er iemand in de boom en de foto is uit die periode. Deze prachtige boom heeft
ondanks de acties een paar jaar geleden het veld moeten
ruimen voor de bouw van een ondergrondse parkeergarage. Wat de mensen zelf
willen telt voor de bestuurders toch niet mee. Vroeger
niet, en nu nog steeds niet. Alles moet plaatsmaken voor het maatschappelijk
belang. In de vermoorde boom bleek in het hart van de stam nieuw leven te
zitten. Deze stek is door een van de actievoerders in zijn tuin herplant. In de Heuvelstraat
vergaapten de vele armen zoals mijn moeder zich aan al het moois in de etalages.
De zaterdagavond was bij uitstek dé avond om winkels te gaan kijken. Toen kon je
nog rustig wandelen en hoefde je niet angstig te zijn dat je door een groep jongeren in
elkaar geslagen werd of zou worden overvallen.
 Het was in de
jaren dat Zot Joke rondwaarde met zijn lange leren jas en bontlaarzen. Bij de oude Tilburgers
is hij beter bekend als "Joke den Hollander". Joke was een markant figuur en stroopte stad en land af op zoek naar konijnenvellen
die hij dan in de jute zak stopte die hij altijd bij zich had. Wat bijna niemand wist,
was dat hij
eigenlijk vermogend was, maar dat de familie zijn geld beheerde. Joke stond
onder curatele. Men zei wel eens dat hij
een kleinzoon van prins Hendrik was. Knéinevellen riep hij dan, en gelijk
erachteraan "ik zal ze wel kréigen" dan draaide hij zich om en riep nog eens met zijn vuist in de lucht, "ik
zal ze wel kréigen". Dat sloeg op zijn familie natuurlijk. Joke liep
dagelijks meerdere keren bij ons door het Pieter Vreedepad en hij heeft me ook regelmatig over m'n
bol geaaid. Hij had van die grijze haren in zijn gezicht en zag er onderkomen
uit.
  Op zaterdagmiddag keken vol we bewondering naar een man met wit
pak, behangen met trommels en andere muziekinstrumenten die door de Heuvelstraat
liep. Ze noemden hem koperen Nelis( Willem leyendekker). Ik ben er vaak achteraan gelopen om
naar hem te beluisteren en te bekijken. Dat hij zijn kunsten goed vertoonde blijkt
uit het feit dat ik hem nooit meer ben vergeten. Ook het
mosterdmanneke was in Tilburg en omstreken een bekende verschijning. Tijd van het scheurmikske(
brood ) en de zaterdagse beestenmarkt waar allerlei
dieren werden verhandeld. De meeste mensen noemden het de hondenmarkt maar je kon er
ook vis en pluimvee kopen. Ome Cor van
Tante Luus was er haast iedere week te vinden op zoek naar een goede waakhond. Ome Cor
die net als vele anderen rond de kerst zwerfkatten ving en deze slachtte. Hij verkocht ze als konijn
om wat bij te verdienen. In de Akkerstraat woonde honden en kattenmepper
Adams waar je gevonden of gestolen huisdieren aan kon verpatsen. Deze werden dan
gebruikt voor dierproeven of voor vivisectie. Ik was ook regelmatig bij ons mam
te vinden toen die in de avonduren bij de chinees op de heuvel de afwas deed. Van het
overgebleven eten dat via het luik weer boven terug in de keuken kwam werd het
bruikbare weer uitgesorteerd en terug in de pannen gedaan. Later werd bekend dat er honden en
kattenvlees in de gerechten werd verwerkt. Op zaterdagmiddag na afloop van de markt moest ik bij de
groentestalletjes afval van fruit en groenten verzamelen, zogenaamd voor de konijnen.
 Op de beroemde
Tilburgse kermis kon je vechten met de beer en echte aangeklede aapjes met centenbakjes
schooiden bij het orgeltje om geld. Nu in 2007 zou men dit dierenmishandeling noemen. De bokstent
was eveneens een grote publiekstrekker. Menig familielid van mij stapte vanuit
de mensenmassa naar voren om in de ring het gevecht met de kermisboxer aan te gaan.
Regelmatig wisten ze die
vijftig gulden te winnen door de ander tegen de vlakte te slaan. Vijftig piek
was een heel bedrag in die tijd en daar hadden ze best een paar blauwe ogen voor
over. Van een aangetrouwde tak waren het allemaal gasten die hun mannetje
stonden. De eigenaar van
de bokstent haalde ze nooit een tweede keer op het podium. Ik speelde altijd
graag Balco Rotor. Met een arm bakjes van een draaiende schijf af proberen te
duwen. Destijds koste een spelletje 25 cent en ik haalde er héél wat klokjes en
horloges uit. Zóveel dat ik er op een bepaald moment nog maar twee per dag mocht
winnen. Het was de tijd dat je op de kermis naar de dikke dame kon kijken. Anneke is slechts 38 jaar oud geworden en moest volgens zeggen in een
zinken kist begraven worden vanwege de penetrante lijflucht. Annie van Wanrooy en haar zoon Henk van Beurden
waren jarenlang de bekendste kermisfiguren. Ze was te zien in kijktenten als de dikste vrouw
van de wereld. Samen met zoon Henk traden de twee later op als ´The Big Family´. Na
haar dood trad Henk van 1974 tot 1979 op als Miss Lola, de dikste dame van de
wereld. Hij woog op zijn zwaarste punt, 270 pond. Henkie, een oud
vriendje van mij uit de jaren vijftig is in juli 2005 in zijn slaap overleden. Hij
werd 56 jaar oud. Eerst was het
de dikke dame en daarna werd de attractie moeder en zoon, later veranderde dat
weer in moeder en
dochter. Henkie kreeg een pruik op en moest vrouwenkleren aan. Ik mocht
altijd voor niks naar binnen maar moest mijn lippen stijf op elkaar houden om
het geheim niet te verklappen. Per ongeluk riep
ik "Hé Henkie"waarop Anneke haar dikke wijsvinger tegen haar lip drukte. Dik Anneke
was
stapelgek op mij en getrouwd met de broodmagere Henk de "Putter" van Beurden. Als ze niet
rondtoerde met de kermis woonde ze in haar piepkleine huisje aan het Pieter
Vreedepad een paar deuren voorbij de fietsenwinkel. Ze had een hele brede stoel nodig
om te kunnen zitten en at wel 2 borden
aardappelen met een toren. Ik heb er vaak aan tafel gezeten om ook een rond buikje te
krijgen.
Tijdens de Tilburgse kermisdagen gaf Anneke me altijd 'n sok met kopergeld.
Stuivers en centen, om kermis te vieren. Achter de fabrieksmuur voor onze deur
stonden de kermislui met hun wagens geparkeerd en mijn moeder deed hun was voor
een extra centje erbij. Ons mam deed buiten haar gewone dagelijkse werk om, ook
nog allerlei andere werkzaamheden om voldoende eten op tafel te krijgen.
Bij verschillende kermisattracties kon je tot eind vijftiger
jaren mooie prijzen winnen. Prijzen uit die tijd waren voornamelijk
huishoudelijke artikelen. Naast het winnen van prijzen steunden deze attracties
het goede doel, namelijk de kinderbescherming (Huize Nazareth). Ik heb ook nog
een tijdje op de kermis gewerkt. Samen met Theo en Ome Wim en de Dikke Jan uit
Tilburg bouwden wij alleen maar op en braken we de attractie af. Dat was in die tijd
de "cake walk" van Peeters uit Bergen op Zoom en later bij de Hully
Gully. Vijfenveertig gulden per dag of nacht en gratis eten. Toen Sjef ouder werd ging hij over op de
nougat kraam. Het was leuk om meegemaakt te hebben. De kermis is een
jaarlijks volksgebeuren waar iedereen naar uitkijkt. Helaas wordt ook dit festijn in zijn bestaan bedreigd door de hoge staanplaatsen en het hoge btw
tarief. De mensen mogen niks meer hebben. Al ons geld moet naar
de Den Haag en in de gemeentekassen vloeien. De kermis is voor het volk
en de uitbaters haast onbetaalbaar geworden. Hetzelfde geldt voor de circussen en dierentuinen waar activisten tegen
protesteren. Wilde dieren horen daar volgens deze mensen niet thuis
maar in het wild. Straks kennen de burgerkindertjes alleen nog maar leeuwen, tijgers en
olifanten uit boeken en films en nemen de kapitalisten hun kroost mee naar Afrika om ze
in hun eigen habitat te zien.
Onze wc met het hartje in de deur
was buiten en ipv duur wc papieren gebruikten we stroken van de krant die je eerst fijn moest
rollen om je achterwerk schoon te vegen. Weet je gelijk hoe we aan de zwarte
handen kwamen. Wat een armoede! Een meter waar
je een muntje in moest stoppen om elektriciteit te krijgen. Geld opgebruikt?
bijvullen maar, als je tenminste nog wat over had anders ging je over op kaarsen
of de petroleumlamp. En we spaarden
in die jaren massaal sigarenbandjes, speldjes, sleutelhangers en
zilverzegeltjes. Gaandeweg de vijftiger en zestiger jaren verbeterde de situatie
en kreeg men meer financiële mogelijkheden. Veel kinderen zaten vaak
al jaren op een internaat weggestopt en waren voor de ouders geen
handenbindertjes meer. Men zocht vertier in de kroegen. Rock & Roll waaide
vanuit Amerika over en bij de jeugd ging de knop om. Populair bij de ouderen
waren cafés zoals de Veertien billekes en de Blauwe Engel vanwege de draaiorgels.
De Zangeres Zonder Naam zong samen met haar broer Jerry de sterren van de
hemel. De mensen sloegen op hol. Een van de beruchte kroegjes in de buurt van de
Veldstraat noemde men vanwege de bouwval "Het Krotje" en haast iedere week sloeg
men daar elkaar bont en blauw en rolden er dronkenlappen over de keien. Ik was er
als peuter regelmatig getuige van als ome Cor, een stevige vent, weer eens te diep
in het glas had gekeken. Hij sloeg dan in zijn eentje de hele
tent leeg, later bijgestaan door zijn enige zoon. De prijs van de welvaart. Het waren
tevens de laatste
succesvolle jaren van Puk en Muk in de oude stijl.
Iedereen die op een internaat heeft gewoond weet
dat anderen dan maar al te vaak vooroordelen hadden. Je stootte regelmatig je kop als je een
leuke meid of jongen leerde kennen en aan haar of zijn ouders werd voorgesteld. Alsof ze met iemand
thuiskwamen die een besmettelijke ziekte met zich meedroeg. Op het moment dat ik in
Oisterwijk ging wonen was ik zo'n beetje de allereerste met lang haar. Je had
langharige teckels, vetkuiven en o.v.ers. De laatste afkorting stond voor
omgebouwde vetkuif. Ik was een langharige en het
hoorde nou eenmaal bij de jaren zestig. Het stond me nog goed ook en ik was
redelijk populair zonder acne of jeugdpuistjes. Iedere
keer opnieuw jezelf tegenover anderen moeten bewijzen legde een zware druk op de schouders.
Alles aanpakken, hard werken om een beetje waardering en respect af te dwingen,
het mocht niet baten. Je hoorde er bij zulke ouders niet bij. Ik heb het aan den
lijve ondervonden en moest mijn beste vriendin daarom definitief
in Oisterwijk achterlaten. Om niet in een
neerwaartse spiraal te geraken en om het anders aan te pakken heb ik resoluut een streep gezet onder mijn toenmalige leven
en vertrok naar Breda. Op de foto zie je de Seeligsingel waar ik
links op nr 4 woonde.
Jack, toevallig ook afkomstig uit het Pieter Vreedepadje, kwam kort na mij
op Nazareth terecht. In 1967 na enkele pleeggezinnen kwamen we gezamenlijk bij
dezelfde pleegouders
terecht. Deze pleegouders komen nog steeds bij me thuis en zijn peetoom en tante van onze
zoon Robbert. Frater Leonardus, mijnheer Bert Vromans en Sjaan en Leo waren
aanwezig bij mijn eerste huwelijk met Helma die toevallig ook afkomstig was uit Oisterwijk.
In 1977 werd ik, inmiddels al
een aantal jaar in Breda wonend, vereerd met een bezoekje van de inmiddels oude
frater Leonardus en de groepsleider Bert Vromans. Ik was net een
vijfentwintig jarige weduwnaar geworden. Ze waren me niet uit het
oog verloren en hun bezoek raakte me enorm. Het is puur toeval, maar mijn vrouw Jeannette doorliep haar opleiding
aan het Tilburgse Conservatorium. Haar vakgenoten zijn later na de verbouwing in Huize
Nazareth ondergebracht. Een volle neef van haar trouwde met een zusje van v/d broertjes de
Bruin, de familie die ook op Nazareth verbleef. Hier in Oudenbosch wonen de gebroeders Maas,
ook uit
Nazareth en een zus woont al jaren op 20 meter afstand bij mij vandaan.
Mijn schoonvader was in zijn jeugdjaren drukker en zetter op het tehuis van de
Broeders van St. LOUIS in Oudenbosch. Hier dichtbij, op een steenworp afstand
van ons stuk grond, leefden 2 oude broers die men Puk en Muk noemden en
ondanks hun vele geld woonden deze twee in het zogenoemde armenstraatje.
In een van de Puk en Muk verhalen komt Van Gend & Loos, het bedrijf waar
ik jarenlang keihard werkte, een pakje bij Klaas Vaak afleveren. Het
bedrijf overigens dat er na mijn hartoperatie en de daaruit
voortvloeiende tia's, alles aan deed en niets onbenut liet, om mij te
lozen.
Ik lust geen thee, griesmeel of hete
bliksem en ook balkenbrij en bloedworst kunnen me gestolen worden.
Ik ben razend op eieren in welke vorm dan ook. Ondanks mijn mooie
handschrift schrijf ik alleen maar in blokletters. In de
tachtiger jaren stuurde ik een briefje naar de BRT met de vraag of ze de
Italiaanse film Marcellino brood en wijn en de film Bernadette v Lourdes
kenden. Wat schets mijn verbazing toen er een brief terug kwam met daarin de
data waarop men beide films zou gaan uitzenden. Nobel toch? Huize Nazareth, is
een begrip voor velen die er woonden.
Tijdens mijn verdere leven moest ik talloze malen ervaren dat mensen hun eigen
oordeel klaar hadden. Regelmatig kreeg ik te horen dat wanneer je daar vandaan
kwam niet deugde. Uiteraard kwam er ook tuig vandaan. Nederlands langst gestrafte
crimineel en zijn broer
woonden er ook voor een korte periode en kwamen later bij mijn pleegouders
terecht. Een regelrechte miskleun van de kinderbescherming.
In de slechts hele korte periode dat de verhaaltjes door frater
Leopold werden voorgelezen had je geen tijd om te piekeren of om aan thuis te
denken. Tijdens die momenten voelde ik me daar onbezorgd en veilig en kreeg ik
er de
liefde en warmte die ik in mijn vroege jeugd thuis als kind heb moeten missen. Misschien is
dat de reden dat ik terugval op de Puk en Muks. Ondanks de
gruwelijke feiten die bekend werden zou
ik ze graag eens allemaal terug willen zien, een praatje met ze maken en de hand
willen schudden. Maar er is naast de herinnering nog slechts een zeldzame foto die rest.
Mijn lievelingsfraters waren frater Jeroen en frater Leonardus. Beide waren erg
gesloten, ook naar hun collega's toe. Met deze twee ben ik heel wat uren samen
geweest en ze hebben nooit met 1 vinger aangeraakt. Nu, ruim 50 jaar later vraag
ik me af waarom ze zo stil waren. Wisten zij wat er zich afspeelde? Wie weet!
Foto Omschrijving; Basisonderwijs. Schoolbestuur/personeel. Huize
Nazareth. Convent. Zilveren jubileumfeest van frater Florentianus van Asten.
frater Evarist Ketelaars, frater Siegfried v. Geldrop, frater Renardus Mols,
frater Reuber de Kok (Deko), frater Leopold Raaymakers, frater Margaretha
Wiltink, frater Augusto v. Asten, frater Bunundus Adriaanssen, frater Salesiaans
Hazen, frater Gerardi Laurijssen, frater Novadus Vinks (generaal overste),
frater ... Verhoeven, frater Jeroen v. Esch, frater Florentianus v. Asten
(jubilaris), frater Domitianus Eurlings, frater Floribertus Vrijberg, frater
Griberto v. Gaal, frater Ambrosi v. Oers, frater Eligio Finnebroek, frater
Joanni Vianny Cedie, frater Daniel Brekelmans, frater Berchmans Smits, frater
Bodivinus Schouten (overleden 1 mei 1962).
Tot slot; er waren ook veel goede fraters.
|