Jan Ketelaar verbeeldt 'de keiharde werkelijkheid'

Exclusief

Een machteloos gevoel maakte zich meester van kunstenaar Jan Ketelaar (47). Wat zou hij graag willen dat er wat veranderde in de wereld. En wat zou hij de “starheid” van de Nederlandse politiek graag doorbreken. Het stemt hem treurig, én het inspireert hem tot kunst. Om zijn visie uit te dragen, vervoerde hij twee gigantische beelden op een heftruck door het land. Tot de politie hem van de weg haalde.

Door Marije Blacquière

DRACHTEN – De diepgaande, maatschappijkritische denkbeelden van Jan Ketelaar uit Drachten resulteerden keer op keer in symbolische beelden. Het duo ‘Meer’ en ‘Wijzende Man’ vormen samen ‘De staat van Nederland’ zoals Ketelaar die ervaart. Vol starheid en egoïsme.

Hij hoopt op een doorbraak in de wereld. Een vredesrevolutie, waarbij mensen “preventief worden bewapend” door vrienden te maken, hulp te bieden. “Defensie knalt er een hoop geweld in. Achthonderd miljoen voor het JSF-project. Weet je waar JSF nog meer voor staat? ‘Jou Se Frede’. Stuur landbouwkundigen naar de Sahel, dan kunnen ze leren én helpen tegelijk. Bombardeer met maatschappelijk werkers. Geweld heeft nog nooit wat opgelost”. Maar hoe laat je dat de wereld weten, vanuit je atelier in Drachten?

“Ik moest eens wat doen, invloed uitoefenen”, vond Ketelaar. Daarom confronteerde hij de inwoners van Nederland met zijn visie op de staat van hun land. ‘Meer’ en ‘Wijzende Man’ werden op een heftruck geplaatst. Anderhalve ton aan laswerk, klaar voor transport naar het Binnenhof in Den Haag. Stapvoets het land door, zodat zo veel mogelijk mensen de vier meter hoge beelden zouden zien.

Een serieuze grap

Om zijn boodschap kracht bij te zetten, plaatste de kunstenaar een tekst achterop de truck: ‘Slaven, laten wij het leven niet vervloeken!’, een vertaalde zin dan de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891). De opvallende actie is een mooi voorbeeld van een ‘potz’. “Een serieuze grap”, verduidelijkt Ketelaar, die zichzelf graag ‘potzenmaker’ noemt. Met een ‘z’ geschreven, refererend aan het woord ‘merz’, dat Dada-kunstenaar Kurt Schwitters (1887-1948) voor zijn eigen werk bedacht.

De grote, dikbuikige ‘Meer’ houdt zijn handen op. Smekend kijkt hij de wereld in. “We leven in een permanente staat van onvrede”, zegt Ketelaar. “We hebben het hartstikke goed, maar we hebben nooit genoeg. Het moet altijd groter, beter”. Hij noemt de beurs in Amsterdam. “Die mensen hebben te veel geld. En ze willen nóg meer te veel geld.” Duurzaam geluk zit niet in consumeren, daarvan is de kunstenaar overtuigd. “Een prettig gesprek, een aai over het hoofd, een kus is veel mooier dan een Versace-tas of een Porsche. Laten we lief zijn voor elkaar. Het een beetje gezellig houden, in plaats van altijd maar door te gaan in die onrustige tredmolen.”

‘Wijzende Man’ symboliseert de andere helft van Ketelaars visie. Eén hand houdt hij voor zijn gezicht, de ander wijst beschuldigend. “Alles is altijd de schuld van anderen. Zij hebben dit gedaan, zij hebben dat gedaan. Mensen hebben allerlei meningen , bijvoorbeeld over Turken en Marokkanen.” De uitzetting van vele vluchtelingen, zo’n twee jaar geleden, inspireerde Ketelaar tot het maken van dit beeld.

Provocerend

Aanvankelijk wilde hij ‘De Staat van Nederland’ in de hal van Schiphol neerzetten. “Als mensen aankwamen, zouden ze meteen een beeld van Nederland krijgen”, legt hij uit. Het ging niet door. “Te provocerend, vonden ze. Het mannelijke beeld heeft, vergeef me mijn woordkeus, nogal een grote leuter. Ik stelde voor een stropdas ervoor te hangen.” De beelden bleken ook dan niet welkom. “Ze zeiden: ‘Wat u maakt is keiharde werkelijkheid’. En ze wilden conceptueel getinte kunst.”

Het Binnenhof in Den Haag moest de volgende bestemming worden. Maar ‘Meer’ en ‘Wijzende Man’ strandden in Baarn. Daar werd Ketelaar met zijn heftruck door de politie van de weg gehaald. Hij zou te weinig zicht hebben en in overtreding zijn. Het duo staat er nu tijdelijk ten toon, totdat Ketelaar een oplossing heeft bedacht om de beelden alsnog in Den Haag te krijgen. De kunstenaar was bij zijn aanhouding al zes dagen onderweg. Dertig, veertig kilometer reed hij dagelijks, over wegen waar hij zich langzaam kon verplaatsen. Hij kreeg volop aandacht. “Er werd gezwaaid, gejuicht, mensen staken hun duimen omhoog. Er werd me gevraagd of ik een kopje koffie wilde komen drinken. ‘Ga ze het maar vertellen in Den Haag!’ zei iemand aan wie ik had verteld waar ik mee bezig was.”

Angst overwinnen

Bij gebrek aan slaapplek in Zwolle belde hij aan bij onbekenden. Door een overval in het verleden waren zij bang om Ketelaar meteen binnen te laten. “Maar ze overwonnen hun angst door een vreemde te vertrouwen.” Ook de kunstenaar zelf overwon een angst. “Ik heb een vrouw en vier kinderen, in december vijf. Ik wist dat er een reële mogelijkheid was dat er tijdens mijn tocht iets mis ging. Je kúnt gevaar niet uitsluiten. Je kunt worden aangereden, daar kun je niets aan doen.” Dat zijn tocht abrupt werd beëindigd, was daarom ook wel weer een opluchting.“ Misschien ben ik wel gered van vreselijke rampen.”

Angst voor gevaar, maar ook structuur in het leven is een gevolg van Ketelaars gezinssituatie. “Mijn gezin geeft mij houvast. Anders leef ik in een doolhof en een moeras.” Lange tijd dwaalde de kunstenaar daar daadwerkelijk rond. Van de pedagogische academie. Van het leven als schoonmaker naar barkeeper, lasser, productiemedewerker. En uiteindelijk naar de kunstacademie Minerva in Groningen, nadat hij erachter kwam dat kunst hem een geluksgevoel gaf. Hij studeerde er vier jaar geleden af.

“Ik heb het nooit kunnen vinden”, zegt Ketelaar. Dat gevoel bezorgde hem een aantal rampzalige jonge jaren. “Tussen mijn twintigste en mijn dertigste was ik erg vaak verdrietig. Ik dacht vaak: ‘Als ik niet meer wakker word, zou dat niet zo erg zijn’.” Hij zocht zijn toevlucht in veel drank en sigaretten. “Ik ging van kick naar kick. En van stokongelukkig naar reuzenblij, naar weer stokongelukkig...”

Het blijft niet slecht, leerden de jaren hem. “Je kunt niet altijd blij zijn, maar ik weet nu dat de hoop terugkomt.” De kicks ruilde hij in voor ‘mild geluk’ en hij leeft nu en een staat van nuchterheid. Maar écht vrolijk in het leven staan, dat valt Ketelaar nog altijd zwaar.

Een ander daglicht

Een metalen vogeltje ligt ‘dood’ op z’n rug. Ketelaar pakt het beet en zet het kunstwerkje op de kop. Plotseling lijkt het tot leven te komen, te wachten op een zuchtje wind om mee weg te vliegen. Een bezoeker bracht Ketelaar op het idee zo de dramatiek van ‘Dood vogeltje’ te doorbreken.

Het opende zijn ogen. Zijn veelal zwaarmoedige kunst kon hij plotseling in een ander daglicht zien. “Het maakte het meteen wat lichter. En daar zou ik graag heen willen.” Hij wijst op een half voltooid borstbeeld. “Kijk deze kijkt al wat vrolijker.” Jan Ketelaar is op weg naar zijn ‘verlichting’, al heeft hij nog wel een weg te gaan. “Ik zou graag iets móóis maken. Maar nu heb ik daar nog moeite mee.”