Stemklank

                 Klankgeoriënteerde stempedagogiek

 

 

                   P       Lichtenberger methode - Inleiding

                   P       Achtergrond

                   O       Startpagina

                   K

 

Werkwijze - iets over de pedagogiek

Wat misschien het meest opvalt aan de werkwijze is dat er tijdens de lessen heel weinig wordt gezongen. Met zingen bedoel ik dan het zingen van liedjes of 'literatuur', om een vakterm te gebruiken. Een belangrijke reden daarvoor is dat er tijdens het zingen heel veel tegelijkertijd gebeurt, waardoor we vaak onvoldoende te 'zien' krijgen wat er precies gaande is. En dat terwijl er bij het zingen vaak van alles gebeurt waar we last van hebben, zonder dat we dat bewust weten. Daarnaast hebben we vaak een uitgesproken idee van hoe een lied moet klinken en streven dat idee, bewust en onbewust, na. Juist dat idee, het esthetisch beeld, is vaak ook oorzaak van problemen die we bij het zingen ervaren. Een oplossing is het zingen van een enkele toon en daar kunnen we een hele les mee vullen. Wel wordt er 'gespeeld' met verschillende toonhoogten en vocalen (klinkers). In het begin is dit wat vreemd, maar de meeste leerlingen ontdekken hierdoor een nieuwe wereld waar ze niet meer van weg willen.

Een ander bijzonder aspect is dat er geen oefeningen worden gedaan. Dat komt omdat er geen techniek wordt aangeleerd. Via techniek en met oefeningen leer je de stem onder controle te krijgen, te beheersen, maar die beheersing leidt nu juist vaak tot problemen of op z'n minst tot een manier van zingen die als belastend of onvrij wordt ervaren. Wat we wel doen is luisteren. Dat klinkt misschien wat vaag, maar het raakt de essentie van de werkwijze. Door te luisteren kun je je waarnemingsvermogen ontwikkelen en wanneer je waarnemingsvermogen groeit, ga je anders klinken, anders zingen. Hierbij brengen we de stem, het lichaam, in beweging, soms van slag, door zogenaamde stimulaties. Die stimulaties zijn vaak verrassend eenvoudig, maar de uitwerking ervan kan 'dramatisch' zijn. Zo kan het zitten op een bal je evenwicht verstoren. De reflexmatige reacties, die voorkomen dat je valt, kunnen dan een sterke uitwerking hebben op de stem. Dan kan het leren snel gaan. Iets dat 'vastzit', een 'bescherming' van het lichaam, schiet spontaan los en de klank klinkt vrijer en het zingen gaat gemakkelijker. Wanneer we vervolgens gewoon gaan staan blijkt vrijheid, als het een beetje meezit, geen toevalstreffer. Het systeem, het lichaam heeft geleerd en jij hoeft er (met je aandacht) alleen maar bij te blijven. Mocht dat laatste lastig zijn, dan is er altijd nog een toehoorder (de docent) in de buurt.

Ervaren zangers lijken in het voordeel, omdat die vaak al een redelijk tot goed ontwikkelde waarneming hebben, maar zij hebben vaak ook een sterk ontwikkelde beheersing van de stem en komen daar moeilijk van los. Daarmee komen we bij een derde in het oog springend aspect van de Lichtenberger Methode en dat is dat niet aan ademsteun 'wordt gedaan'. Voor wie goed heeft gelezen en bekend is met het begrip zal dat geen verrassing meer zijn. Een ontwikkelde ademsteun, m.n. door beheersing van het middenrif, helpt de luchtstroom door het strottenhoofd te controleren, maar daarmee wordt ook een spontane regeling van de luchtstroom ondermijnd. Een van de vele valkuilen waar beginnende, onervaren, leerlingen instappen is om (dan maar) 'helemaal' te ontspannen.

'Wanneer gaan we nu een liedje zingen?' Tja, dat verschilt bij mij per leerling. Soms beginnen we er mee en er zijn leerlingen waarbij ik een tijd alleen maar 'aan literatuur doe', waarbij het misschien goed is om te weten dat ik geen uitgebreide muzikale achtergrond heb. Er zijn docenten die dat wel hebben en daar ook veel gebruik van maken c.q. mee werken, maar dat is lang niet altijd zo. De kunst is naar mijn idee dat de leerling zelfstandig leert werken vanuit de inzichten die langs de weg van het Lichtenberger model verkregen kunnen worden, om vervolgens te zingen, schreeuwen, rappen, spreken, spelen, wat men maar wil.

Maarten Rienks