De 153 vissen

In Johannes 21 staat de geschiedenis van de 153 vissen.

 

In dit verhaal zit een diepe betekenis verborgen, een geheimenis of door de Joden ook wel Sod (geheimenis) genoemd.

 

Waarom precies 153 vissen?

Het getal 153 is de getalswaarde van het woord Paaslam en eveneens van  van de uitdrukking ‘zonen van God’.

 

Het getal 153 is de getalswaarde van de negen letters van de Hebreeuwse woorden bnj h'lhjm (Benei Elohim), De Zonen van God 

2 + 50 + 10 + 5 + 1 + 30 + 5 + 10 + 40 = 153

 

Maar er is nog meer aan de hand met dit getal. Door een gelukkig toeval (uuuh?) is 153 tevens een veelvoud van het Godsnaamgetal 17 (9 x 17) en bovendien het driehoeksgetal van 17, de som van de getallen van 1 tot en met 17.

 

De Godsnaam Jahweh, in het Hebreeuws "JHWH"

= 1+0+5+6+5 = 17

(De Jod is gerekend als 1 + 0)

 

De symbolische betekenis van het getal 17 overal elders in de Bijbel ligt daarin dat het als Godsnaamgetal de aanwezigheid van God tot uitdrukking brengt

Wat betekent nu deze som?  153 = 17 x 9

 

De 17 kan staan voor de 17de dag van het jaar, de 17de dag van de eerste maand, de dag van de opstanding van Christus (17 Nisan). Op de 10de van de eerste maand nam men het paaslam in huis en was de "intocht" in Jeruzalem.

Een week later stond de Heer op uit de dood en was het dus de 17de van de eerste maand.

 

Israël trok op de 17de van de eerste maand door de Schelfzee. Een beeld van opstanding. Daar werd het volk Israël geboren. De 17de was ook de dag waarop de ark van Noach rustte op de berg Araràt. Dat was weliswaar de 17de van de zevende maand, maar later wordt die zevende maand toch tot eerste maand gesteld. Dan krijgt de nieuwe wereld als het ware gestalte. Als je het uitrekent blijkt diezelfde 17de dag ook de dag te zijn waarop Abraham in Kanaän aankwam, hoewel het niet expliciet vermeld staat. De 17de was ook de datum waarop Esther voor de koning verscheen en redding kreeg.

 

Het getal 9 heeft te maken met geboren worden, lijden en beproeving.

Conclusie: Door de  opstandingskracht van de Heilige Geest stond de Zoon van God op de 17e dag van de maand nisan op en toen werd het begin van de nieuwe schepping een feit.

Maar Hij was de eerste van vele Zonen Gods die Hem zullen volgen. Al deze zonen worden in de bijbel ook aangeduid als eerstelingen.

 

Dit proces van geboren worden in de nieuwe schepping  wordt gesymboliseerd door het getal 9: het getal van de geboorte (van de zonen) door lijden en beproeving heen.

 

De apostel Paulus zegt in Romeinen 8:19: Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen “zonen” van God.

 

De zonen van God , wie zijn dit eigenlijk en wat zegt de bijbel hier verder over? Om dit te begrijpen moeten we eerst even terug naar het begin, de schepping van de mens.

 

De mens, de hoogste vorm van leven op aarde, was niet alleen geschapen om God te verheerlijken, maar ook zodat God Zichzelf kon verheerlijken in de mens. Adam was dus geschapen met een verheerlijkt lichaam. Hij was een zoon van God. Hij had een stoffelijk lichaam waarin het licht en de heerlijkheid van God huisde. Het was volmaakt. Er was sprake van een volmaakte harmonie en communicatie tussen de mens en God.

 

Maar toen zondigde de mens en verloor hij de heerlijkheid waarmee God hem bekleed had. Hij bleef dus “naakt” achter, ofwel van Gods heerlijkheid verstoten. Het vonnis van de wet veroordeelde hem tot de dood en hoewel hij niet terstond stierf werd hij wel sterfelijk, omdat hij het onsterfelijke lichaam, dat zijn goddelijke erfenis was, verloor. De geschiedenis is het verhaal van de terugkeer van de mens naar zijn goddelijke erfenis – het onsterfelijke, verheerlijkte lichaam.

 

Jezus zei dat de “zachtmoedigen de aarde zullen beërven” (Mat. 5:5). De aarde is de erfenis die wij verloren hebben. Om het specifieker aan te duiden, het verheerlijkte lichaam – het verheerlijkt stof – is de erfenis die wij verloren hebben. Jezus was in staat om ZOWEL de hemel als de aarde te beërven, omdat Hij een hemelse Vader en een aardse moeder had (Mat. 28:18). Hij moest uit een vrouw van Adamitische afkomst geboren worden om de autoriteit over de aarde te verkrijgen, want God had de heerschappij aan Adam gegeven (Gen. 1:28). Vanwege deze reden wordt Hij ook de “Mensenzoon” (Zoon van Adam) genoemd.

 

Maar daarnaast moest Hij ook een hemelse Vader hebben om zodoende de autoriteit in de hemel te verkrijgen. Christenen zijn mensen van wien de relatie met God in het teken staat van het Nieuwe Verbond.  Wie Jezus Christus aanneemt als Offer voor de zonde, zal God de rechtvaardigheid van Christus toerekenen – alsof hij/zij alreeds volmaakt is (Pasen). Zodoende zijn zij in staat om als vrije mensen (nieuwe verbond), en niet als slaven (oude verbond), door de woestijn (Pinksteren) te reizen.

Hen wordt rechtvaardigheid TOEGEREKEND, totdat de tijd aanbreekt dat zij bij de vervulling van Loofhutten DAADWERKELIJK rechtvaardig gemaakt worden.

 

Het pad naar het Zoonschap wordt dus in drie stappen gedefinieerd door deze drie feesten: Pasen, Pinksteren en Loofhuttenfeest. Het verschil tussen een Zoon en een slaaf wordt ook verder uitgelegd door Paulus in Galaten 4. Het gaat hier over de twee verbonden.

De feestdagen van Israël zijn dagen waarbij het volk terugdenkt aan de historische gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens hun reis door de woestijn van Egypte, via de berg Sinaï (Horeb), naar het Beloofde Land. Deze dagen wijzen ons vandaag ook de weg in onze geestelijke groei van rechtvaardiging naar heiliging en tot slotte tot verheerlijking van het lichaam. 

 

Johannes 21

 

1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2 Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3 Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. 4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water. 8 De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ 11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieën-vijftig, en toch scheurde het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Made with Namu6