Audiometer
 

Zelf een audiometer aanschaffen is geen probleem. Op internet zijn voldoende tweedehands audiometers te koop in de prijsklasse van E 10 tot E 200. Er zijn een paar soorten audiometers. De screening audiometers die in bedrijven en scholen en door artsen worden gebruikt om te meten of er gehoorverlies is. De klinische audiometers die audiciens en audiologische centra gebruiken om te meten.

Een toongenerator gebruiken die stappen van 5dB kan maken werkt ook. Om een referentie te hebben eerst de audiogrammen van een goed horende persoon opnemen. De resultaten zijn in dB (SPL) dus even de grafiek uit het audigram verhaal erbij om de waarden om te zetten naar dB (HL)

Wat u ook kiest moet in ieder geval de range van 125 Hz - 8 kHz omvatten met een bereik van -10 t/m 125 dB(HL) in stappen van 5 dB. Sommige audiometers kunnen ook de kaarten met de audiogrammen maken of woordenlijsten opzeggen of hebben een directe computeraansluiting of een eigen beeldscherm / printer of wat voor extra's dan ook maar dat is niet nodig want dat kan de computer veel beter. In principe is een audiometer in een koffertje het beste met de bijbehorende koptelefoon voor luchtgeleiding en eventueel de koptelefoon voor beengeleiding (=trilblokje) als u dat ook eens wilt proberen

Het opnemen van het audiogram moet met zorg gebeuren. Bril afzetten en de koptelefoon zorgvuldig opzetten zodat er geen haar tussen zit en licht aandrukt ( en dus zo goed mogelijk afsluit voor geluid van buitenaf) zonder dat er hard contact is tussen hoofd en de koptelefoon ( anders krijg je tevens beengeleiding ). De Rood gemerkte oorschelp aan de Rechterkant. De koptelefoon moet prettig zitten en je moet zelf ook op je gemak zitten en zijn ( dus niet als je net een uur in de auto gereden hebt). De meting zelf is op de grens van wel of niet horen dus de omgeving moet zo stil mogelijk zijn. ( Ook verkeerslawaai of ventilatoren hebben wel degelijk invloed ) - dus het stilste plekje en de stilste tijd van de dag opzoeken.

De volgorde van de luchtgeleidingsmeting zelf maakt niet zoveel uit maar meestal wordt begonnen bij 1 kHz - dan de hogere waarden t/m 8 kHz en dan de lagere waardes van 500 t/m 125 H. De intensiteit van iedere frequentie wordt in stappen van 5 dB verhoogd totdat de toon te horen is. De laagst gehoorde intensiteit is de waarde voor het audiogram ( = hoordrempel). Al deze waardes bij elkaar leveren de hoorkrommes. Ook al doe je elke keer hetzelfde dan verschillen de metingen toch enigszins omdat je lichamelijke gesteltheid op ieder moment van de dag anders kan zijn. In de praktijk is een variatie tot 15db aanvaarbaar Ook denk ik dat het beter is om 2 seconde toon af te wisselen met 2 seconde stilte om vast te stellen of de toon werkelijk gehoord wordt. Sommige audiometers kunnen dit standaard of anders is er een toets voor om het zelf te doen

Het tweede audiogram is het onaangename luidheids niveau ( UCL) Deze meting wordt niet zo vaak gedaan maar is belangrijk voor het instellen van het hoortoestel omdat hiermee de werking van de automatische versterking bepaald wordt. De computer weet dan welk gebied er beschikbaar is tussen net hoorbaar en onaangenaam hoorbaar.Weet hij dat niet dan neemt hij een instelling aan. De meting wordt verricht voor 500,1000,2000,4000 en 8000 Hz. Gestart wordt op 10 dB boven de drempel met oplopende stappen van 5 dB Aangegeven moet worden het punt dat de toon onaangenaam hard wordt ( dus niet de pijngrens) Twee seconde toon wordt afgewisseld met twee seconde stilte

Het derde audiogram is het aangename luidheidsniveau (MCL). Hetzelfde verhaal als bij het onaangename luidheidsniveau maar nu moet de toonsterkte bepaald worden die als het prettigst wordt ervaren

 

Voor de aardigheid kun je ook het beengeleidings audiogram opnemen als je een trilblokje hebt. Het levert geen nieuwe informatie op want je wist al of je middenoor niet goed werkt of dat de aansluiting naar de hersens niet goed werkt. De handeling is iets moeilijker dan met de koptelefoon. Het trilblokje wordt net achter het oor op een richel van de schedel gezet. Het is de bedoeling om zo goed mogelijk contact te maken met de schedel omdat beengeleiding ook echt beengeleiding is ( iemand die vel over been is heeft dus voordeel ). Het verrassende is dat de toon bijna zonder verlies ook bij het andere oor aankomt. Zelfs al zet je het trilblokje op je voorhoofd dan is de meting ongeveer hetzelfde. Als gevolg hiervan wordt dus in feite alleen het beste oor gemeten. Om toch elk oor apart te kunnen meten wordt maskeerruis gebruikt die op het niet geteste oor wordt aangeboden via de koptelefoon. Het te testen oor mag niet afgedekt worden door de koptelefoon dus scheef opzetten Maskeerruis beval alle frequenties - alleen de intensiteit wordt gevarieerd. Het beste oor kan gemeten worden zonder maskeerruis als het 20 dB beter is dan het slechtste oor. Het slechtste oor wordt gemeten terwijl op het andere oor maskeerruis wordt aangeboden - de intensiteit hiervan is de drempelwaarde bij luchtgeleiding van dat oor bij die frequentie + 20 dB ( voorbeeld: 30db gehoorverlies voor dat oor bij die frequentie + 20 dB = 50dB maskeerruis ). Om te testen of juist gemeten wordt kan je de maskeerruis met 10 dB verhogen - als de meting van het slechtste oor dan hetzelfde blijft is de maskeerruis intensiteit goed. De maskeerruis intensiteit moet zo laag mogelijk zijn. De rest is hetzelfde als bij luchtgeleiding. Bij elkaar nog een heel verhaal eigenlijk

 

  Zelf heb ik een screening audiometer van het merk Dorn type AT209 Deze audiometer werkt van 125-8000 hz in 11 stappen. De 7 frequenties voor oktaafaudiometrie zitten erop en nog 4 extra tussen frequenties ( 750, 1500, 3000 en 6000 Hz) De geluidsintensiteit loopt van -10dB tot +110dB. Er zitten geen extra functies op en de bediening is eenvoudig. De aflezing is ondubbelzinnig en de gemeten waarden kunnen direct van het apparaat overgenomen worden op papier

 

 

Terug