Elseviers Weekblad, 19-9-'59


NOZEM: PRODUKT VAN DE MODERNE FILM

Door Mr. L. de Blecourt (Oud-politierechter te Amsterdam)

Uit vrijwel alle Europese landen komt tegelijkertijd de klacht, dat een gedeelte van de jeugd zich hopeloos misdraagt, een internationale klacht dus, die ieder, die het goedmet die jeugd meent, aan het denken heeft gezet. De klacht betreft voornamelijk de opgeschoten jonge mannen van 16 jaar en ouder, die zich niets laten zeggen, zelfs niet door de politie, waarvoor iedere jongen van die leeftijd in vroegere jaren een heilige angst had.

Ze hebben met kuddedieren dit gemeen, dat ze het liefst 'en masse' optreden en onder alkaar verbazend 'stoer' doen Met veel te lange, niet uitgekamde, strogele haren, ongewassen, ongeschoren, met ongeordende stukken haar op wangen en kin en een soort lampenpoetser onder hun neus, met veel te nauwe broeken, die als 't ware om hen heen zijn gesnoerd.
Met blote voeten in sandalen, zeer kwalijk riekende, hangen zij in cafetaria's of in de portieken van winkels, belust op relletjes, terwijl zich veelal in hun gezelschap bevindt een aantal zo mogelijk nog ongewassener en slonzig uitziende meisjes, met haar haren om haar hoofd en met enige vodden om haar lichaam getrokken op een wijze, dat zowel boven als benedende gordel, om deze radioquiz-term eens te gebruiken, duidelijk reclame wordt gemaakt voor haar aantrekkelijkheden.

Ziedaar de nozemjeugd ten voeten uit. Uit strafrechtelijk oogpunt beschouwd, zou ik ze in 3 hoofdgroepen willen verdelen:

1. De geweldnozem.
2. De gapnozem.
3. De sexnozem.

Toen vroeger de pest, de Spaanse griep of een andere besmettelijke ziekte geheel Europa teisterde, was het een bacil of een virus, waarmede een reiziger 'versierd' was, die van het ene land naar het andere trok en zo heel Europa besmette.
Dat op dit ogenblik gelijktijdig in alle landen van Europa precies dezelfde klachten opduiken over nozems, bracht mij op het idee, te zoeken naar iets anders, dat de landen bereist- de film.
Het zou natuurlijk kortzichtig zijn, de film alleen de schuld te geven van alle kwaad, maar voorzover ik uit de reclasseringsrapporten en de dossiers heb kunnen nagaan, was er een duidelijk aantoonbaar verband tussen euveldaden en pas geziene films.

De drie bovengenoemde groepen zijn dol op de film:

De geweldnozem ziet het liefst knokfilms, waarbij aanvaller en aangevallene elkaar beurtelings door de ruiten van een kroeg smijten, waar al het meubilair, de hele tapkast met alle dranken en glazen kort en klein worden geslagen. Waar beide partijen Japans worstelen en Judogrepen op elkaar toepassen en in zijn verbeelding ziet hij zichzelf in een dergelijke situatie.
Is het een wonder, dat na de uitgang van de bioscoop, de hoofdnozem met zijn trawanten bijna barsten van stoerheid en flinkheid? Zij zoeken belevenissen op het gebied, dat zij zojuist aanschouwd hebben en hun slachtoffers worden de rustige burgers, die de film ook gezien hebben en zich huiswaarts begeven. Zonder de minste aanleiding wordt er ruzie met hen gezocht en voor zij het weten, liggen ze soms met vrij ernstig letsel ter aarde, geveld door een of andere vuile greep.

 

De gapnozem prefereert films van andere inhoud. Voor hem is een kraak, uitgevoerd met de meest moderne middelen in een kluis, waar de brandkast vakkundig wordt opengemaakt en de politie op een dwaalspoor wordt gebracht 'je van het'.
Hij verlaat met zijn vriendjas de bioscoop. En passant moeten de automaten met sigaretten en lekkernijen het ontgelden.

De sexnozem is verzot op films, waarbij jonge vrouwen dansen in selecte milieus, met gerokte kelners en zwoel spelende Tziganen, hetgeen meestal eindigt in prive luxueus ingerichte appatementen van een, in avondkleding gestoken 'heer', die op uiterst deskundige wijze zijn partner liefkoost en omhelst, waarna een uitkleed-scene volgt, waarbij zelfs een geheelonthouder het te kwaad zou kunnen krijgen.
Is het dan een wonder, dat deze nog nauwelijks de kinderschoenen ontwassen jongens, na het verlaten van de bioscoop, ten hoogtste sexueel geprikkeld, belevenissen op dit gebied zoeken en meisjes, die op eenzame, stille wegen, huiswaarts gaan, aanranden om van ergere dingen maar niet te spreken?

Er zal wel geen politiechef zijn, die niet voor de volle honderd procent bovenstaande regels, waaruit het verband tussen film en wandaden blijkt, kan bevestigen. Maar zoals ik reeds zeide, het zou kortzichtig zijn de film als enige oorzaak aan te wijzen, dat een gedeelte van de Europese jeugd zich zo misdraagt.

De depressie van het ouderlijke gezag over de kinderen spreekt ook een behoorlijk woordje mee. Laten de ouderen onder ons zich nu eens hun jeugd herinneren en een vergelijking maken, hoe het toen was en hoe de tegenwoodige jeugd tegen haar ouders durft op te treden.
De ouders lieten zich niet 'bejijen' en 'bejouwen' -kritiek op hun daden was eenvoudigondenkbaar- er werd op tijd aan tafel aangezeten, of er waaide wat. Er werd gegeten wat de pot schafte, ook al zat je ertegen te kokhalzen en 's avonds de straat op was er helemaal niet bij, kortom er was respect en orde.

Deze regelen golden niet alleen voor de gegoede gezinnen. Schrijver dezes, die als zoon van een medicus op een dorp werd grootgebracht, ging ter dorpsschole en had zijn vriendjes onder de zonen van de bakker, de slager, de schoenlapper, het keuterboertje enz. maar daar heerste dezelfde orde. Een geliefkoosde tuchtiging van de vader, wanneer de kinderen niet deden, wat vader of moeder zei, was de klap met de pet.

Op de scholen hadden onderwijzers er de wind onder en wanneer een bengel perse kwaad wilde, nu dan werd de plaats, waar de rug van naam veranderd, duchtig verwarmd en dat vond iedereen doodgewoon, zelfs de ouders. Van sexuele verwildering hoorde je nooit.
De dames gingen te water, gekleed in een soort hansop, tot aan de hals gesloten en om de enkels gesloten en daarover nog een rokje en wee degeen, die bij het Scheveningse damesbad even bleef staan, ook al koos een soort 'vleselijke tante' zee. Hij voelde een stevige hand van een daar dienstdoende politieman in zijn rug en hoorde tevens het commando: 'doorlopen mijnheer!'.
Hij schaamde zich dan bitter over zijn 'kijklust' en vond zichzelf maar een moreel laag gezonken persoon, met een onwelvoegelijk gedachtenleven.

En nu weet ik heel wel, dat men met zijn tijd moet meegaan, maar wat tegenwoordig te zien is op onze stranden, gaat toch wel heel ver. De knapste jonge vrouwen, met een hoeveelheid textiel aan hun lichaam, dat men enige overdrijving gesproken in een holle kies kan worden opgeborgen, worden omstrengeld door jonge mannen, met een heel klein stukje lap aan de voorzijde van hun lichaam en een nog smaller stukje lap aan de achterzijde.
Geloven de ouders, die hun opgeschoten kinderen op een dergelijke wijze laten lopen, dat het respect van de jonge man voor de jonge vrouw, hetgeen toch zo broodnodig is, wordt bevorderd? Is het al niet voldoende gebleken dat allerlei sexuele uitspattingen daarvan het gevolg waren -dat bovendien ouders, die goed gevonden hebben, dat hun jeugdige dochters op reis gingen met jongelui, daarvan de zeer bittere gevolgen hebben ondervonden?

Hebben wij niet broodnodig een betere voorlichting van de ouders door woord en geschrift hoe zij kinderen moeten opvoeden nodig, de goede ouders die gelukkig nog de overgrote meerderheid vormen, uitgesloten?
Ouders, die hun gezag weten te handhaven en de teugels strak in handen houden, mogen dan al door hun kroost verdacht worden van onnodige hardheid, omdat 'men' in de tegenwoordige tijd de jeugd meer vrijlaat, later zullen zij misschien hun ouders er dankbaar voor zijn en hun goede voorbeeld volgen.

Wat het politieel optreden tegen de nozems betreft: Van de politie wordt verwacht, dat zij de burgerij beschermt tegen deze onverlaten. Gezagshandhaving is een moeilijk ding. In ieder geval moeten wij de tijden van de Zeven Provincien niet terughebben, toen gezagshandhaving al heel moeilijk was.
De ouderen in het Amsterdamse politiekorps zullen zich de tijden van stakingen en relletjes en tenslotte het Jordaanoproer nog goed herinneren, toen de opperste gezagsdrager in de gemeente verbood geweld te gebruiken en de marechaussee door minister Colijn werd ingezet. Een dergelijke blamage wenst de hoofdcommissaris niet en terecht.

Hij verdient de steun van de burgerij, wanneer hij haar, desnoods met geweld, beschermt.

Terug naar de krantenindex