Parool, 21-9-'53


"Zwakke ogenblikken" van koortsige band-leider

Lionel Hampton ontketent wilde tonelen in hoofdstad

Concertgebouw getuige van angstaanjagende hysterie

(Van onze stadsredacteur)

Door een van de gangen van het Concertgebouw te Amsterdam is zaterdagnacht om twee uur een -enigszins stuiptrekkende- jongeman gedragen. De Amsterdamse politie zei van deze gebeurtenis later in zeer nuchtere taal: "Deze persoon, een winkelbediende uit Amsterdam-West, is door de G.G.en G.D.onderzocht, waarbij bleek dat hij een aanval had van hysterie. Hij is later op eigen gelegenheid naar zijn woning gegaan". Toen deze gebeurtenis plaats vond bevonden wij ons in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Deze bood de volgende aanblik:

Op het podium bevond zich de heer Lionel Hampton met zijn orkest. De heer Hampton bewerkte een trommel met een stuk hout, zijn costuum -een uur tevoren nog keurig opgeperst- was doorweekt, en hing als een vod om zijn lichaam, van zijn gezicht gutste het zweet in een brede waterval, zijn mond was vertrokken tot een bijna waanzinnige lach, zijn tong hing gedeeltelijk uit zijn mond, zijn ogen glansden koortsig, hij had waarschijnlijk ook koorts. Naast het orkest stond een jongeman uit het publiek een wilde jungledans weg te geven, armen en benen schokten op en neer, hij wrong zich in de vreemdste bochten. De zaal -vrijwel uitverkocht- was volledig in beroering, een groot deel van het publiek schreeuwde en joelde niet alleen, maar sommige schokten en dansten in hun stoelen en sloegen hun handen ineen, op een wijze alsof zij nooit op zouden houden. Wij gingen naar een staaltje van massa-suggestie van de bovenste plank, en het zou nog erger worden. Maar daarover straks.

Het begon zo:

De heer Lionel Hampton maakt met zijn orkest een tournee van acht weken door Europa, een paar dagen geleden speelde hij op een openluchtconcert in Scandinavie. Hij vatte kou, en arriveerde met een behoorlijke koorts vrijdagavond in ons land, hij werd in hotel Krasnapolsky in bed gestopt, kreeg van de portier drie warmwaterkruiken en een thermometer en constateerde dat hij bijna 40 graden koorts had. Zaterdagmorgen kwam er een arts, hij verschafte de heer Hampton medicijnen, om half twee zaterdagmiddag stapte deze uit zijn bed, om vijf uur hield hij in het Kurhaus in Scheveningen een microfoon repetitie voor de radio, om acht uur stond hij daar voor een uitverkochte zaal, om elf uur reed hij naar Amsterdam, en om twaalf uur stond hij hier vaar zijn publiek in het Concertgebouw.

Tot en met de pauze ging alles goed. Nou ja, de sfeer lag een beetje anders, dan wanneer het Concertgebouw-orkest o.l.v. Eduard van Beinum een uitvoering geeft, maar dat mag men verwachten bij deze avonden. In de pauze spraken wij de heer Hampton even, hij verwisselde toen juist van costuum, omdat het bruine pak, dat hij voor de pauze droeg nogal doorweekt was. "Ik voel me goed", zei hij, "Ik slik braaf mijn medicijnen, en als ik me tijdens de uitvoering niet helemaal O.K. voel trek ik me aan het rhythme, dat ik met mijn orkest ontwikkel, wel over die zwakke ogenblikken heen".

..hij had waarschijnlijk ook koorts...

En dat kregen we dan na de pauze. De sfeer werd langzamerhand, het liep toen tegen tweeen, steeds opgewondener. Achter het orkest zat een kleine tengere jongen, gekleed in een roestbruine jekker, een geruit overhemd en een zwarte, zogenaamde "spijkerbroek". Hij hotste voortdurend op en neer, zijn armen en benen bewogen zich als de zuigerstangen van een locomotief. Hij trok de aandacht, en de zaal, die in beweging begon te komen, schreeuwde hem toe. Toen verscheen er een suppoost, de verpersoonlijking van "Het Concertgebouw-op-abonnementsavonden". Hij legde zijn hand op de schouder van de jongeman, en riep hem tot de orde. Het publiek joelde en floot hem uit, hij liep weg, bekeek de menigte even vanaf het podium, schreed toen waardig heen. Dat gaf de jongeman moed, hij stak zijn donkere krullenbol omhoog, stormde naar voren en brak los in een wilde dans. De heer Hampton, die met een ander lid van zijn orkest aan een drumsolo bezig was juichte. Hij had zojuist een zwak ogenblik gehad.

In een vibrafoonsolo -de heer Hampton heet "King of the Vibes" in Amerika- scudde hij een paar maal zijn hoofd, alsof het niet zo best ging; hij verdween enkele ogenblikken, en keerde daarna ogenschijnlijk geheel fit terug. De heer Hampton sleepte een trom naar voren, en begon het instrument vreselijk te bewerken, toen keerde hij zich om, en liep -telkens licht door de knieen wiegend- het podium af, en passant sloeg hij op een stoel, op de ballustrade, op de traptreden.

Intussen was de winkelbediende met zijn aanval van hysterie al weggedragen. Achter de heer Hampton volgde het orkest, tussen hen in de jongeman in de spijkerbroek, dansend, schokkend, springend. Het was een vreemde optocht. De heer Hampton dirigeerde zijn orkest de zaal in, iedereen kwam naar voren, niemand zat meer op zijn stoel. De heer Hampton sleurde een dame met opgestoken haar, gekleed in rose avondtoilet uit het publiek, en begon met haar een wilde dans. De menigte danste en schreeuwde rondom, het werd een angstaanjagend geheel. De orkestleider keerde terug op het podium, plaatste zich achter de microfoon. Naast hem naderde de impresario van dit concert de heer Lou van Rees, de gebeurtenissen overrompelden hem, hij trachtte er een eind aan te maken, hij wenst deze orgie duidelijk niet.

Maar op dat ogenblik brulden enkele schorre jonge stemmen, door het dolle heen: "Hebaberiba". De heer Hampton reageerde direct, zijn ogen leken nu uit zijn hoofd te vallen. "Hebaberiba", antwoordde hij de massa. "Aaaa", riep de heer Hampton, "Aaaaaa", brulde de massa. "Ieeeeee" en "Ieeee" kwam terug. "Booooo", de heer Hampton, "Boooo" de massa. "And now Hampt's boogie woogie", riep hij, snelde naar de piano en liet het wilde rhythme door de zaal jagen.

Impresario Van Rees stond geslagen, hij wilde het niet, hij kon het niet tegen houden. Jonge opgeschoten jongens klommen tegen het podium op, de heer Van Rees duwde ze vertwijfeld weg, maar overal stonden mensen tussen de band, boven vanaf het balcon klonken wilde kreten. Het was allemaal nogal angstig en onwerkelijk. Zou de menigte nu inderdaad losbreken, en zichzelf geheel verliezen?

Te gek

Nee, dat gebeurde niet, we leven tenslotte in Nederland. De massa schrok van zichzelf, keurige heren, die men 's morgens correct, actetas onder de arm, naar hun bank ziet stappen, keken om zich heen, en bewogen hun handen langzamer op elkaar. Hier en daar hoort men: "dit is te gek". De menigte zag zichzelf plotseling en schrok. De heer Hampton was van de piano vandaan gekomen, sprong nog even driemaal boven op zijn trommel. We gingen -gelukkig- naar het einde van de voorstelling.

Hier en daar gingen nog enkelen door, maar hier en daar begonnen anderen, ook bijna geslagen, weg te trekken. De heer Hampton greep de microfoon: "This was real crazy", riep hij, "and we are crazy too". De menigte juigte, veel zwakker plots; de stemming klapte ineens in elkaar. In de gangen was het bijna stil; de mensen keken elkaar katterig aan. Weg nu, snel weg. Wat hebben we gedaan? Op sommige gezichten was een eigenaardig schuldgevoel te lezen.

Een oude hoofdsuppoost draaide de deur achter ons dicht, hij was geschokt, zei iets van "gekkenhuis". Buiten keken we even om, het Concertgebouw, ons Concertgebouw stond er nog. Dat is nu eenmaal onverwoestbaar. Maar dit wensen wij ons Concertgebouw toch niet meer toe. Nooit meer.

Terug naar de Amsterdam krantenindex