Het Parool, 6-6-64

(over het ontstaan van de mobiele eenheid)


 

HARDE BIJSTAND:

ZWARE TAAK VOOR DE POLITIEKORPSEN

'Een hardnekkig misverstand', zegt hoofdinspecteur A. Verhoek, chef van het derde bureau (bewapening, uitrusting, karabijnbrigade) van de geuniformeerde politie in Amsterdam over de wijze waarop de karabijnbrigade wordt afgeschilderd in het door De Bezige Bij uitgegeven boekje 'Slaags met de politie'. Hierin leest men dat de sterkte van deze 'paramilitair getrainde' eenheid zorgvuldig wordt verzwegen.
'De karabijnbrigade is geen aparte afdeling, maar een organisatievorm van agenten, die normaal hun werk doen bij de afdelingen. Over de sterkte bestaan geen geheimen, die is afhankelijk van de korpsomvang', aldus hoofdinspecteur Verhoek, die op dit gebied beter thuis is dan wie dan ook in Nederland. 'Elk gemeentelijk politiekorps kent een mobiele eenheid (moderne naam voor karabijnbrigade) bestaande uit 'gewone' agenten, die voor bijzondere gevallen zwaarder bewapend zijn. De primaire taak is het beteugelen van ordeverstoringen van meer ernstiger aard'.

Aparte organisatievorm van 'gewone' agenten

In een gemeente als Amsterdam zijn er bijtaken, die veelvuldiger voorkomen dan het verlenen van zogenaamde 'harde bijstand'. De karabijnbrigade komt daar in actie als discipline en snel handelen vereist is. En dat betekent niet alleen het tegengaan van relletjes, zoals onlangs bij het verjagen van 'wilde' autohandelaren op het Stadionplein en van baldadige jeugd in de luilaknacht, maar ook het bewaken van bijvoorbeeld diamanttentoonstellingen.
Tijdens de overstroming van Tuindorp Oostzaan heeft de hoofdstedelijke karabijnbrigade goed werk geleverd en bij elk koninklijk bezoek aan Amsterdam is de bewaking van het paleis op de Dam (hoofdinspecteur Verhoek fungeert dan als paleiscommadant) aan mobiele eenheden opgedragen.

In principe wordt ernaar gestreefd ieder lid van elk politiekorps een paar jaar bij de brigade te hebben. De in Amsterdam te recruteren eenheid bestaat uit acht peletons van elk drie groepen. Een groep telt negen agenten plus een brigadier. Elk peleton heeft een inspecteur als commadant. In totaal omvat de karabijnbrigade in Amsterdam dus 240 man. Jeugdig personeel, zo van school, ontvangt zes weken een opleiding op het hoofdbureau en zwermt dan uit. De mobiele-eenheid is een 'papieren' organisatie, die de manschappen moet 'lenen' van de tien afdelingsbureaus.

Elders anders

Omdat elk gemeentelijk politiekorps autonoom is en zijn eigen organisatievorm heeft, ziet men bijvoorbeeld in Rotterdam, Den Haag en Utrecht (althans uiterlijk) afwijkingen. In grote lijnen is er echter (ook bij de rijkspolitie) een zodanige uniformiteit, dat gezamelijk optreden mogelijk is.
De naam 'karabijnbrigade' is typisch Amsterdams. In Rotterdam en Utrecht wordt de 'officiele' naam 'mobiele eenheid' gebruikt, in Den Haag noemt men het bijstandsorgaan 'assistentie-brigade'.

In Den Haag is een peleton (bestaande uit ervaren personeel in de leeftijd van omstreeks vijfendertig tot veertig jaar ingedeeld bij de stafbrigade en altijd beschikbaar. Uit de districten kunnen nog drie peletons geput worden. De assistentiebrigade treedt op, wanneer de mogelijkheid van wanordelijkheden aanwezig is, zoals bij het bezoek van generaal De Gaulle en bij de onlangs gehouden NAVO-conferentie.

Utrecht

In Utrecht telt de mobiele eenheid twee peletons. Alleen bij ernstige ongeregeldheden wordt een beroep gedaan op deze eenheid, die dan versterking krijgt van een detachement hondengeleiders en motorrijders. De laatste actie was in 1956, tijdens de Hongarije-relletjes. Daarna is er een paar maal 'mobilisatie' geweest voor dreigende stakingen bij grote metaalfabrieken.

Rotterdam

Rotterdam heeft een mobiele eenheid van zes peletons, te recruteren uit geuniformeerde agenten van de acht afdelingen. Er wordt met elk peleton drie maal per jaar vier dagen geoefend.
Werkelijk optreden gebeurt in de Maasstad alleen, als de afdelingen een ordeverstoring niet meer aankunnen. En die situatie heeft zich nog niet voorgedaan sinds de eenheid in leven is geroepen.

Ontstaan

De karabijnbrigade is geboren in Amsterdam, in de crisisjaren. In 1935 ontstonden de beruchte relletjes in de Jordaan. En hoewel er politietroepen (een militaire eenheid) in de Oranje Nassaukazerne lagen en er ook marechaussee voorhanden was, zag de gemeente Amsterdam de noodzaak in van een eigen bijstandsorgaan. Kapitein Van Moorsel van de politietroepen leidde daartoe hoofdstedelijke agenten op, die een stormbrigade vormden.

Karabijnen, stormhelmen, sabels en klewangs waren de voornaamste kenmerken van deze militante groep, over wie het 'Werklozens Strijd Comite' dichtte: 'Ram, ramplam, ram, daar gaat door de straten van Amsterdam, een compagnie proleten'.
De stormbrigade kreeg in 1937 de beschikking over de 'open tram', een manschapsauto, die een voor die tijd formidabele snelheid van honderd kilometer per uur kon halen. De auto was voorzien van rechte banken en van stangen, die door een druk op een knop wegvielen om de agenten de gelegenheid te geven van de wagen te springen en zich te mengen in het 'strijdgewoel'.

Twee jaar geleden is de 'open tram' afgeschaft. Vorige maand kreeg de Amsterdamse karabijnbrigade de beschikking over de eerste drie van een serie Franse mansschapsauto's. zoals die door de Parijse politie worden gebruikt en die zijn voorzien van rasterwerk.
Na de oorlog verdwenen de politietroepen uit het leger en kreeg de marechaussee een geheel militair karakter. Er was daardoor geen specifiek bijstandsorgaan meer, zodat men meende de stormbrigades weer van stal te moeten halen.

De jonge inspecteur Verhoek, die in 1964 bij de Amsterdamse gemeentepolitie kwam en peletonscommandant werd bij de brigade, kreeg in 1952 de taak om vanuit het hoofdbureau het bijstandsorgaan te reorganiseren. Omdat er landelijk behoefte was aan centrale richtlijnen werden de door hem gemaakte voorschriften overgenomen door het departement van binnenlandse zaken en bestemd voor het gehele land.

In 1957 ging de politiewet de 'harde bijstand' regelen. Alle gemeenten bleven op zichzelf aangewezen om in eerste instantie voor de handhaving van de openbare orde zorg te dragen.
In noodgevallen kunnen de gemeenten onderling steun verlenen of een beroep doen op disstrictsgewijs te formeren mobiele eenheden van het korps rijkspolitie. De autoriteiten bij wie in dergelijke gevallen de beslissing berust zijn de commissaris van de koningin en de procureur-generaal.

'Het is een makkelijk orgaan, je werkt met enthousiaste mensen', aldus hoofdinspecteur Verhoek, die overigens liever geen enthousiasme wil bij de werkelijk 'harde bijstand'. Hij vindt het in die gevallen moeilijker iemand iets niet dan wel te laten doen.
'En het vermijden van wapengeweld is een kardinale zaak', verzucht de heer Verhoek. Hij vindt de taak van mobiele eenheden in noodsituaties loodzwaar: 'Een militair heeft vijanden. Hij slaat terug als op hem wordt geschoten. De politieman heeft geen vijanden. De burger tegenover hem blijft een medeburger, ook al draagt die een wapen'.

Vuurwapens

Hoofdinspecteur Verhoek heeft enig bezwaar tegen het dragen van vuurwapens door agenten, omdat dit een grote verantwoordelijkheid op hen laadt. Hij zou persoonlijk wel voelen voor een proef, de gewone surveillancediensten zonder pistolen te laten verrichten.
Maar bij 'harde bijstand' zal de politieman volgens hem altijd beter bewapend moeten zijn dan degenen, die de orde verstoren. Er zijn zelfs mitrailleurs bij de karabijnbrigade. 'Maar hoe een agent met een mitrailleur zijn roeping, het dienen van de gemeenschap, bevredigend kan vervullen, is een vraag, die nauwelijks te beantwoorden is', aldus de hoofdinspecteur.

Hij knoopt zijn mannen in ieder geval in de oren: 'Gezag is heel wat anders dan macht. Gezag is niet gebaseerd op geweld. Een politieman mag nooit als tegenstander van de bevolking worden gezien, maar als handhaver van orde en rust'.
Voor het tegengaan van hevige relletjes wordt, volgens hem, serieus gezocht naar wapens, die geen letsel veroorzaken. 'Zo zie ik veel heil in traangas, omgevaarlijk en afdoende. Waterkanonnen zijn minder geschikt omdat die wel letsel kunnen veroorzaken en bovendien schade toebrengen aan particuliere eigendommen'.

In sommige gevallen ziet de chef van de Amsterdamse karabijnbrigade het gebruik van wapenstokken als noodzakelijk. 'Wanneer agenten volgens de instructies te werk gaan, is de kans op ongelukken klein.

Humane middelen

Over het uiteendrijven van vreedzame maar verboden demonstraties (zoals zitten op straat) heeft hoofdinspecteur Verhoek een eigen mening: 'Ik ben in die gevallen tegen geweld, ik denk daarom vaak aan humane middelen, zoals bijvoorbeeld een electrische wapenstok, die niet gevaarlijk maar wel vervelend is'.
Hoofdinspecteur Verhoek heeft in het verleden ook eens geexperimenteerd met rotan-schilde, te gebruiken wanneer een met stenen-gooiende groep moet worden benaderd. 'Maar die schilden hebben wij voorlopig maar weer laten schieten, want voor wapens geldt een uniforme regeling. En wat in Amsterdam misschien gemeengoed zou worden, wekt in kleine gemeenten maar de lachlust op.

Overigens gaan de meeste gemeenten pas in het alleruiterste geval over tot het laten uitrukken van mobiele eenheden in complete uitrusting met helmen en karabijnen, omdat dit vaak psychologisch onjuist wordt geacht. Het optreden van mobiele eenheden der rijkspolitie bij Hollandsveld is daarvan een sprekend voorbeeld.

Terug naar de krantenindex