Parool, 9-5-'98


De uiterlijke schijn van de Nieuwendijk

 

Het gerucht ging dat er op de Nieuwendijk een café was met een jukebox waar La Bamba in zat. Met op de b-kant Donna natuurlijk, tenzij je dat als de a-kant wenste te beschouwen. De dubbelzijdige hit van Ritchie Valens, die enkele jaren tevoren bij een vliegtuigongeluk was omgekomen. Welk café het was wisten we niet, maar die plaat was ondertussen al een legende, en bijna nergens te vinden of te horen. Tweemaal tweeenhalve minuut visioenen openend geluid. En dus gingen we op zoek, café in, café uit, hier en daar iets gebruikend, mild denigrerend aangestaard door de stamgasten met wie we geen woord durfden wisselen. Spannend was het zeker, want voor het overige hadden we niets te zoeken op de Nieuwendijk.

We waren beginnende studenten, op het punt de jazz in te ruilen voor de rock-'n-roll, en allemaal afkomstig uit het soort arbeidersmileu waar de Nieuwendijk nu juist zo'n beetje gold als het symbool van dat waaraan je wilde ontsnappen. De strijd tussen de Dijkers en de Pleiners was toen nog maar net beslecht en vooralsnog in een onbeslist geeindigd. Op een zomeravond in 1959 waren de Dijkers massaal opgerukt naar het Weteringcircuit, naar de aldaar gelegen poffertjeskraam die door de Pleiners werd gefrequenteerd.
Tot hun teleurstelling ondervonden ze geen tegenstand: Pleiners hielden niet van vechten, en zelfs als ze er wel van hielden vertelde hun gezond verstand dat ze altijd, en overal, het onderspit zouden delven tegen hun rivalen. Rivalen die ze niet als zodanig beschouwden overigens, maar waar ze eigenlijk hoofdzakelijk op neerkeken. Neerkeken vanuit hun ivoren torens als Het Hemeltje, de Groene Kalebas en het podium van het middernachtelijk Concertgebouw. Nog niet beseffend dat, als je hun controverse met de ordinaire Dijkers tot culturele termen zou reduceren, ze die slag op de lange duur zouden verliezen.

De Pleiners, dat was Frankrijk en bordeelsluipers en jazz en zonnebrillen midden in de nacht. De Dijkers, dat was ruige rock-'n-roll, vetkuiven, puntschoenen en witte T-shirts, een mode die veertig jaar later al aan de zoveelste recycling toe is, al is hun muziek van rebellie tot entertainment en nostalgie geevolueerd, of beter gezegd: gedegenereerd.

Die jukebox met Ritchie Valens, die vonden we overigens, en er bleek ook Conway Twitty in te zitten, Carl Perkins en veel Everly Brothers. Voldoende redenen om het café te blijven frekwenteren.
De vrouw achter de tap deed aangepast hartelijk tegen ons als we op vrijdagavond binnenkwamen, en vroeg de overige cliëntèle stilzwijgend om begrip, zeker toen we ook onze vriendinnen gingen meenemen. We werden getolereerd, benign neglect; dat was wat ons ten deel viel.

Binnen korte tijd waagden we ons verderop, dichter naar de Bocht toe, want spannende muziek was in die tijd de belangrijkste aantrekkingskracht van de Nieuwendijk. We ontdekten de accordeonwinkel van de Vreng, die ook country & westernsingles verkocht die nergens anders te vinden waren.
Er bleek niet één, maar een veelvoud van café's te zijn met goeie jukeboxen, Mercurius bijvoorbeeld, een dancing waar je nog avonden over napraatte als je er was geweest, heel lang het domein van passagierende zeelui, waar ze de eerste fluorescerende lampen hadden die je witte overhemd deden oplichten als je danste, maar vooral ook een portier die je 'wilde' en tegelijkertijd zijn andere vuist gebiedend op borsthoogte voor je openhield.

De Kleine Karseboom, met zijn twee ingangen, had een meer op Britse beat georienteerde jukebox, en om de hoek was het café van de vader van Pim Maas, de Nederlandse Elvis. (Laatst zag ik hem nog uitgebreid op de tv, Pim, nog steeds een rocker maar wel tegen de VUT-leeftijd aan zoals wij allemaal, zingend voor een handvol stijldansende Duitse bejaarden in Bad Nauheim, waar zijn voorbeeld ooit gelegerd was.)

En dan was er Las Vegas, voorbij de Martelaarsgracht, op het stuk dat bekend staat als de Korte Nieuwendijk, waar the Outsiders speelden en Short 66, live, elk weekend, wat een wonderbaarlijke luxe als ik er nu aan terugdenk. Maar dat was al wat dieper in de jaren '60, toen er geen Dijkers en Pleiners meer bestonden. Dat onderscheid was er typisch een van de jaren '50 en hield op te bestaan toen de lijnen vager werden, het onderwijs demokratiseerde.
Toen vond de rebellie een nieuw soort articulatie, die uniformer was, die van elke Dijker een beetje een Pleiner en van elke Pleiner een beetje een Dijker maakte; plotseling vonden ze elkaar, als bij toeval, in de zaal waar Jerry Lee Lewis optrad of de Everly Brothers, en was er geen behoefte meer om te meppen en zelfs niet wederzijds te schamperen. Mijn moeder meed de Nieuwendijk en raadde mij aan dat ook te doen, als ik tenminste wilde dat het goed met me afliep. Ons laatste bezoek was op een in huiselijk stilzwijgen gehulde ramp uitgelopen.
Er moest een pak voor me worden gekocht toen ik in de stad op school ging. Een dilemma deed zich voor. De Nieuwendijk was weliswaar 'ordinair' maar ook prettig goedkoop. En veel geld hadden we niet.

We liepen samen twee keer de hele Nieuwendijk op en neer, vermeden bij etalages stil te houden want als je dat deed kwam meteen de man in de camel-jas die in de deuropening op slachtoffers stond te wachten vragen waar je naar op zoek was. Een sportieve combinatie? Nou, kwam dat nou even goed uit? Precies zoiets had hij binnen hangen, de combinatie die een sportieve jongen als mij op het lijf gesneden was. Uiteindelijk moesten we wel bij een etalage stilhouden.
De man in de camel-jas zei wat we wisten dat hij zou gaan zeggen, namelijk het bovenstaande. Een half uur later stonden we weer buiten, met in een papieren zak een bizar jasje waarvan ik op dat moment al wist dat ik het alleen af en toe zou dragen om mijn moeder een al te groot verdriet te besparen.
In de kledingzaak lieten we een bijna even twijfelachtige broek achter waaraan nog 'een kleinigheid' vermaakt diende te worden. Wanneer we die zouden ophalen moest er nog een bedrag worden afgerekend dat samen met de aanbetaling ver boven mijn moeders begroting lag. Voor het eerst en laatst van haar leven ontaardde haar gemopper in een soort machteloos gesputter waarvan ik pas later de naam kende: anti-semitisme.

Mijn vader wist beter de weg op de Nieuwendijk, hij zorgde er in elk geval voor dat ik me er nooit bang voelde. Zijn favoriete Italiaanse ijswinkel was in een van de zijstegen richting Damrak. Het begrip 'een Nieuwendijkje pikken' was taboe geraakt bij ons thuis, maar op zondagen nam hij me toch wel eens stiekum mee, dan was het er weliswaar stiller maar leek het nog voller van gevaar.
Jonge mannen hingen in portieken of lachten in groepjes voor de bioscopen. Ik hoorde'voorbij, wat zochten ze daar in vredesnaam, nu de winkels dicht waren? Er werd iets obsceens geroepen, ergens brak een fles. Ik keek uit mijn ooghoek naar een filmaffiche waarop een vrouw haar blote borsten woog met haar handen. Mijn vader trok me verder, vergeefs pretenderend dat hij niets had gehoord en gezien. 'Kijk, dat is nou een pindachinees,' zei hij, en wees op een schraal, inderdaad spleetogig mannetje dat op een hoek stond te kleumen met een opengeklapte houten doos aan een leren band om zijn nek.

De Nieuwendijk fascineerde en stootte af. Vooral de Bocht, waar je sex-bioscopen had maar ook een winkel die steunkousen verkocht en pleisters voor eksterogen. Er was een uitdragerij waar camouflagepetten en verrekijkers en bivakmutsen in de etalage lagen. Toen ik, zestien jaar oud, mijn eerste liftreis zou gaan ondernemen stapte ik er naar binnen voor een goedkoop kampeermes.
Temidden van de rommel stond een onwaarschijnlijk klein Chineesje brillen te passen die hij willekeurig uit een vóór hem op de toonbank neergezette kartonnen doos graaide. Een doos vol brillen. Hij zette er een op zijn neus, keek even om zich heen en legde hem dan weer terug in de doos. Ondertussen vroeg ik naar dat wat ik zocht. Een grote man met een blik die deed verstaan dat praten voor hem een overbodigheid was, legde na enig gerommel drie messen in lederen hulsen voor me op de toonbank.
Ik had gehoopt op een doos net zo vol als die van het Chineesje. Ik keurde ze alledrie en vroeg naar de prijzen. Te duur, zei ik. De man wees, nog steeds zwijgend, met zijn duim naar de buitendeur ten teken dat mijn audientie voorbij was. Op dat moment zette het Chineesje een volgende bril op zijn neus en kreeg ineens mij in zijn blikveld, voor het eerst, naar ik me nu realiseerde, en hij lachte, schaterde bijna en schudde mijn hand alsof ik een lang verdwenen vriend was.

Sindsdien bleef de Nieuwendijk een straat waar je niet kwam omdat je er niets te zoeken had, het zwakker begaafde broertje of zusje van de Kalverstraat. Toch viel het me, toen ik er de afgelopen weken rondwandelde, op hoe weinig er in essentie is veranderd. Op het eerste gezicht lijkt het een radikale gedaanteverwisseling. Wat er was aan diversiteit is nagenoeg
verdwenen. Alles wat er ooit herinnerde aan een nog vroegere tijd, waarin de Nieuwendijk een nette, veelzijdige winkelstraat was (zij het niet zo chique als de Warmoesstraat) is zo ongeveer verdwenen. Alleen de paraplu- en reistassenwinkel van Schoth dateert nog uit de vorige eeuw, uit een tijd dat de Bijenkorf hier van start ging en de veelbezongen Winkel van Sinkel, met zijn hoeden en petten en damescorsetten.
Dit alles heeft het veld geruimd voor goedkope vrijetijdskleding, en vooral voorbij de Bocht voor winkels die voorzien in hedendaagse spanningsbehoefte: fetisj-kleding van rubber en leer, waterpijpen, cocaine-flesjes, fijnwegers, sex-videos.
Het is van een loucheheid die aangepast is aan de tijd, 's middags wemelt het er van snel de stegen in en uitschietende donkere jongens, sommigen rustig en zelfverzekerd mompelend in een draagbaar telefoontje. Maar als je een tweede keer kijkt zie je dat er tussen alle louche-heid in ook nog nuttige negotie functioneert: er is een ETOS, er is een Body Shop, een Bruna, een horlogewinkel en een gewoon kruideniertje vlakbij de Singel. Er is zelfs een'in Zoetermeer en Hoogezand.

In de Bocht is, misschien wel karakteristiek, waarschijnlijk nog het meest overeind gebleven. De slijterij van de Vreng, met zijn over de hele wereld vermaarde collectie miniatuurflesjes houdt het hier al decennia uit, evenals de schoenenhandel van Meijer en de alsmaar uitbreidende Tip de Bruin. Piet de Bruin, die deze laatste zaak van zijn vader overnam, herinnert zich de tijden dat Duitse bandjes op zaterdag naar de Nieuwendijk kwamen, om bij de Vreng een basgitaar of een accordeon te kopen, bij Meijer flitsende two-tone schoenen met hoge hakken en bij de Bruin een glimjasje met sjaalkraag.
Die tijden zijn voorbij. Bob Abram, die op zijn beurt schoenhandel Meijer van zijn vader overnam, weigert mee te spelen in de concurrentieslag met nieuwe winkels die slechtgemaakte, niet-ambachtelijke waar verkopen, en ziet zijn clientele verouderen. 'Herman Brood, Koot en Bie, van mensen van die generatie moeten we het hebben.' Hij groeide als jongen op op de dijk, toen er ook nog mensen wóónden, en er ook 's avonds nog leven was, met beurtschippers, zeelui, boeren uit Noord Holland, en natuurlijk de meisjes die ze aantrokken. De laatste jaren dreigde de dijk tot een riool te verworden, erkennen de traditionele ondernemers.
Meijer zag zijn klantenkring langzamerhand wegblijven omdat ze niet meer in die buurt wilden komen, en zocht het in uitbreiding in Zuid en Buitenveldert. De Bruin speelde slim in op de behoefte aan merkkleding bij een publiek dat zich in Zuid niet thuisvoelt.

De dichtgetimmerde coffeeshops en de berichten over handel in hard-drugs, geldwitwasserij en andere praktijken van een oprukkende georganiseerde misdaad hebben het image van de dijk geen goed gedaan. De extreem hoge huurprijzen werken handel in goedkope waar met hoge omzetsnelheid in de hand; dat betekent steeds meer van hetzelfde, steeds meer onsmakelijkheid.
Over de geplande opwaarderings-operatie, waar de gemeente met 8 miljoen aan meedoet, zijn de meningen verdeeld. De ervaring met eerdere van bovenaf opgelegde operaties (de Nieuwezijds Kolk, de goedbedoelde ambities van het Sonesta in de richting van de Korte Nieuwendijk) stemmen weinig hoopvol. Of je het nou leuk vindt of niet, in een grote stad als Amsterdam bestaat nu eenmaal een hoeveelheid vraag naar goederen die het merendeel van de burgerij liever buiten zijn blikveld houdt.

Ergens zal het aanbod worden geleverd. Als dat niet op de Nieuwendijk gebeurt dan gebeurt het elders, dus waarom niet gewoon op die Nieuwendijk, dat al decennia lang als een beetje louche, ordinair, van een spannende riskantheid wordt gezien? Maar Piet de Bruin is optimistisch over de plannen. 'Naast de gemeente en de ondernemers doen ook de pand-eigenaren mee. Die raken er van doordrongen dat ze er op de lange duur niet bij gebaat zijn aan de meestbiedende te verhuren.
We moeten met zijn allen geld vrijmaken voor promotionele activiteiten, er moet een mentaliteits-verandering komen die tot een grotere differentiatie leidt, tot een sfeer waar het ouwe Nieuwendijk-publiek zich weer thuisvoelt. Als we niet up-graden blijven we steeds verder achter. Ik weet het zeker: over twee jaar weet je niet wat je ziet.' Terwijl hij het zegt fronsen zich om hem heen de wenkbrauwen. En spannende muziek? Die valt er niet meer te horen op de Nieuwendijk, daar kan zelfs de platenwinkel van Boudisque, die in de Bocht ook al de decennia heeft getrotseerd, niets aan'anonieme discodreunen elkaar en in de weinige aan het verleden herinnerende cafés is het René Froger en Marco Borsato wat de pot schaft.
Maar misschien vindt een nieuwe generatie zelfs dat wel weer net zo spannend als ik dat wat ik er bijna veertig jaar geleden zocht, toen we speurden naar de jukebox met Donna en La Bamba. De verlokking van de eeuwige schemer van de illegaliteit, van de ondeugd van sex en drank en drugs en rock&roll, is niet aan leeftijd of generatie gebonden. Wat verandert zijn de verschijningsvormen waarin dit alles zich aanbiedt. En de Nieuwendijk zal het blijven aanbieden, geface-lift of niet.

Jan Donckers, Amsterdam

Terug naar de Amsterdamse krantenindex