Vrije Volk 23-10-59


Een nozemcentrum: De Poffertjestent

Als ik mijn jas aan de kapstok heb gehangen, neem ik even de tijd om rond te kijken. Overal staan of zitten groepjes jongeren te praten. Sommigen met glazen bier of cola in de hand. Hun kleding is modern, maar niet extravagant.

Ik neem plaats aan een tafel, waaraan een jongen afwezig in zijn glas zit te kijken. Mijn komst herrinert hem weer aan de werkelijkheid. Ik begin een gesprek met hem. 'Wat doe je?, 'Kunstschilder'. 'Wat schilder je?', 'Droombeelden! Parijs, daar wil ik heen, ik ben een avontuurlijke jongen. Hier hebben ze me uit m'n studie gehaald in ruil voor de dienst'. 'Hoe oud wil je worden?', 'Niet ouder dan vijftig. Een hartverlamming is een mooie dood'.

Lusteloos en verveeld

De sfeer hier in de poffertjeskraam is lusteloos. Iedereen hangt en verveelt zich. 'Waarom komen jullie hier eigenlijk?' vraag ik. 'Je moet toch wat doen'. Uit het groepje bij de juke-box maakt zich een jongen los. Ik ken hem. Hij is danser. Met een klap zet hij zijn glas op onze tafel en gaat er achter zitten.

'Voor wie schrijf je dat?' vraagt hij agressief. Ik zeg hem voor wie. Hij lacht schamper. 'Ik zal je eens iets zeggen, wat je op moet schrijven. Toen ik dertien was, kwam ik voor het eerst op het Leidseplein. Het was er leuk. De lui die er waren, konden allemaal iets. De een schreef, de ander danste, een ander schilderde. We gingen fijn met elkaar om, we deden waar we zin in hadden. Het was er leuk, tot op een of andere rotdag een kerel kwam van een krant. Wat hij in die krant schreef, was volkomen verdraaide sensatiepraat. Die dag begon het 'nozemprobleem'. Iedereen wilde pleiner worden. De bakker, de visboer, de kruidenier. Dat kon niet'. Hij staat op en slaat met zijn vuist op tafel. 'Dat mag je schrijven', schreeuwt hij, 'Iedereen mag 't weten!'.

Toch idealen...

Hij wordt gesust. Als hij weer rustig is wijst hij me op een bleke langharige baardman. 'Die vent zat op de h.b.s. Hij las het stuk in de krant en wilde naar het plein. Hij ging er heen. Jaar na jaar bleef hij daardoor zitten. Nu is die maar kolenboer geworden, zonder uitzicht, de stommerd'. 'Hebjij uitzicht?'. 'Ja, ze betalen vier jaar dansles voor me. Dat doen ze niet voor niets. Ik heb zelfs een ideaal, hoe vreemd dat dan ook klinkt voor een nozem'. Ik zie dat hij het meent. 'Ik wil een goede danser worden en ik heb er goede hoop op'. Dat was voor mij de belangrijkste opmerking vanavond.

Terug naar krantenindex.