Werken in de griendvelden.

Het woord griendhout of wilgentenen is bij de meeste mensen wel bekend.
De griendvelden bestaan uit twee vormen n.l. de snijgrienden waar ieder jaar de twijgen van worden geoogst en de hakgrienden die elke twee of drie jaar worden gehakt. Wilgenhout zo uit de natuur wordt al eeuwenlang voor allerlei doeleinden gebruikt.
Voor de hoepelmaker zijn de hakgrienden het meest geschikt.


Eenjarige Kaspische zandwilg


Driejarige Kaspische zandwilg

|
De Salix alba Sint-Oedenrode (Rooise witte kat) op stam.


Driejarige fijne kat

Tussen het griendhout groeien tientallen verschillende soorten planten zoals bramen, kleefkruid, hagewinde, wilgenroosje, wilde framboos.
Dit maakt het bijna ondoordringbaar.
Eind september begint voor de hoepelmaker het werk in de griendvelden. Dit gaat door tot in het voorjaar. Er is veel werk te verzetten en men werkt onder alle weersomstandigheden . Ook in de winter wanneer er vorst is.
Daarom is dit werk erg zwaar en vraagt het veel van de lichamelijke krachten.
We laten nu achtereenvolgens de werkzaamheden in de griendvelden van de hoepelmaker zien.


Het onkruid en de dunne wilgenstokjes worden met een trekmes (bandmes) afgesneden.


De dikke stokken worden gehakt met een hakbijl.


Het wilgenhout wordt op een stapel gelegd.


Dan wordt het hout uitgedragen naar een verzamelplaats,meestal een hoger gelegen stuk grond ( dreef).


Men loopt tussen de afgekapte struiken door.
Moeilijk begaanbaar,drassige grond en soms wel afstanden van meer dan honderd meter.


Bij de verzamelplaats legt men het hout aan “de maat”.


Een “maat “ is een stok met een plankje eraan wat vastgemaakt is aan twee paaltjes. Op het plankje zitten dwarslatjes. Het eerste latje tot aan het hakbijl is 1.60 m. lang. Dit is de 5 voet. Het tweede latje is de 5 en half voet. 1.70m.
Het derde latje is een 6 voet, 1.80m. Het einde van de “maat” is een 8 voet.
Verder is er nog de 10 voet.
Dit zijn de meest gebruikte lengten voor de hoepelmaker.


De kleine takjes worden er afgesnoeid.


Met èèn slag met het bijl ( hiep) maakt men de stokken op de goede lengte.
Hier ziet men een 6 voet. De stokken liggen op lengte en dikte gesorteerd.

Als men voldoende stokken heeft van dezelfde lengte worden deze in bossen gebonden. Dat zijn vaste aantallen.
In een bos 6 voetstokken zitten 39 stuks.
In een bos 5 en half voet 52 stuks.
In een bos 5 voet zitten 78 stokken.
In een bos gertjes ( dunne stokken ) zitten 104 stuks.

Deze getallen zijn van belang bij het maken van hoepels.
Men weet dan precies het aantal hoepels dat men uit een bos kan maken.


Met een speciale knoop (strop) ook weer gemaakt met dun wilgenhout bindt men deze stokken bij elkaar.

Van de topeinden en het dunnere uitgesorteerde wilgenhout worden bosjes gemaakt, die men gebruikt voor duinvorming.
De lengte is tussen de 1.50m en 2m. De omtrek aan het ondereind 75 cm.
Men steekt dit hout rechtop in het duinzand.
Door de wind wordt er zand tegen aan geblazen.
Zo ontstaan dan nieuwe duinen.

Voorheen werden grotere bossen gemaakt. Deze hadden een lengte van meer dan 3 meter. De omtrek aan het ondereind was ruim 80 cm.
Men noemde deze bossen wilgenhout “Wijpen”.
De wijpen werden gekocht door Rijkswaterstaat en gebruikt om er zinkstukken van te maken.
Deze zinkstukken waren heel erg groot ( tientallen vierkante meters) en werden gebruikt om de dijken te versterken en het wegspoelen van het zand tegen te gaan.
Het wordt nu nog gebruikt, maar er is weinig vraag naar.


Oorspronkelijk werd alles verbonden met een dunne wilg.
De laatste jaren gebruikt men ook ijzerdraad.


Het vervoeren van wilgenhout.

Door de hoge waterstanden was het soms erg modderig en moesten voerman en paard samen alle krachten bundelen om het hout op een hoger gelegen gebied te krijgen. Tegenwoordig gebruikt men een tractor of jeep met daaraan een aanhangwagen bevestigd. Bij kleinere hoeveelheden kan men het op een rek leggen wat op het dak van een jeep is bevestigd.
Intussen heeft de hoepelmaker ongeveer een half jaar in zijn bos gewerkt en begint het voorjaar zich te melden. De eerste wilgenkatjes zijn al te zien en de bosanemoon bloeit weer volop.
Het kapseizoen zit er nu op en de hoepelmaker heeft voldoende hout verzameld om thuis in zijn werkplaats de hoepels te maken.

Fried van den Brand, hoepelmaker.
Bep van den Brand-Neggers, fotograaf