Een eigen hoorn

‘Wat de oude middeleeuwers konden, moet me ook lukken.' Met dat idee en de kennis over het bouwen van een hoorn - verkregen op de site van het Nederlands Bazuin Centrum - ging ik aan de slag. Een behoorlijk lange - gave - hoorn vinden, een stuk vlierstruik vinden en tijd maken.

De hoorn

Een langer stuk hoorn vinden, bleek de enige echte hobbel. Openingsvraag: wie heeft nog beesten met lange hoorns? De boer houdt de hoorns bij zijn koeien kort, een dierentuin heeft er zeldzaam een in de aanbieding, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten hebben hun Schotse Hooglanders en een hoorn van een Texas Longhorn bleek - ondanks de lage dollarprijs -geen verdedigbaar alternatief. Na wat heen en weer zoeken en mailen, bleef ik aan de hoorn van een Schotse Hooglander van Staatsbosbeheer hangen.


De ambachtelijke slagerij van Menno Hoekstra in Anjum hielp me uiteindelijk aan die hoorn; een van een van de koeien uit de Lauwersmeerkudde van Staatsbosbeheer. En collega Bouke die vlak daarbij woont, was zo vriendelijk het transport van alleen de hoorn, neen, dank, geen hele kop, vanuit het Friese naar het Limburgse op zich te nemen.

Mijn werk kon beginnen. De hoorn laten ontdooien en kijken hoe je de pit uit de hoorn krijgt. De slager had de hoon op verzoek mooi kort aan de schedel afgezaagd. Dus zat er heel wat pit in. Na wat eigen gepiel hielp collega-jachthoornblazer Sjeng Dassen me aan de hoorn zonder pit.

Het moment suprème kwam eraan: de punt eraf zagen om daar het mondstuk op aan te sluiten. Voorzichtig eerst van binnen gemeten - als geadviseerd met een rietje - hoever de hoorn open was. Iets korter aangezet met de zaag. Eerste poging. Punt wel eraf, maar geen gaatje. Een klein schijfje meer eraf gezaagd. En een klein gaatje is in zicht. Met de bolle vijl het gaatje groter gemaakt. Het mondstuk van mijn Plesshoorn paste er toen al goed in. Nu nog van een stuk vlier een mondstuk maken.


Het mondstuk

Met de tips van Albert Metselaar erbij kwam ik uit op een zogenaamde rouphoorn en daarbij wordt de hoorn ‘van opzij’ aangeblazen. Net als bij een Midwinterhoorn. Een stukje vlier uitzoeken, op lengte zagen en dan maar snijden. Aan de ene kant de blaasopening maken; daar het stukje vlier schuin afsnijden en uithollen.

De aansluiting met de hoorn vond ik wel het lastigste. Het gaatje in de hoorn is niet zuiver rond. Het dunne stukje vlier aan die kant van het mondstuk is evenmin precies rond en daarnaast delicaat en breekbaar na het op maat snijden. Het is nog maar een paar millimeter dik als ik klaar ben.


Klaar: één toon uit mijn rouphoorn
Ik schuif het geheel in elkaar en zet er de lippen aan op het mondstuk. Het juiste aanzetten duurt even en dan komt er precies één toon uit mijn hoorn. Na wat schuiven en het eens met het Pless-mondstuk proberen, blijkt het bij die ene toon te blijven. Klopt wel met de lengte van de hoorn, maar een toontje meer was mooi geweest.

Van de punt en het schijfje hoorn maak ik nog met een leren veter een hulpstukje om de hoorn aan een jas of riem te bevestigen. Een mooi ambachtelijk stuk werk ligt voor mijn neus. Nog even schuren om de grove zaken weg te werken. Dan in de was zetten en met een laagje lak erover heen en dan is ie klaar. Mijn zelfgebouwde rouphoorn.

Terug naar de start