DE GESCHIEDENIS VAN HET NEDERLANDSE BEELDVERHAAL
In Nederland verscheen in 1916 een merkwaardig stripje in de "Groene Amsterdammer" genaamd 'Uit het kladschrift van Jantje'. Het was het relaas (wekelijks) van wat er op dat moment politiek actueel was, gezien door de ogen van een kind, en ook door diens handen getekend. Jantje bleek later de tekenaar FELIX HESS te zijn.
Toch wordt in het algemeen aangenomen dat de geschiedenis van het Nederlandse beeldverhaal begint met de tekeningen van HENK BACKER. In het blad "VOORWAARTS" verscheen in 1919 de eerste Nederlands strip van zijn hand: nieuwe Oostersche sprookjes. In hetzelfde jaar werd deze strip, maar dan onder de naam Yorbje en Achmed, in het Rotterdams Nieuwsblad afgedrukt. Dit is voor zo ver na te gaan de eerste Nederlandse krantendagstrip. Het is een GAGSTRIP (een strip zonder tekst) dat de streken en belevenissen laat zien van een dik jongetje en een magere man. Met deze beide strips werd een zekere bloei van het Nederlandse beeldverhaal ingeluid. In eerste instantie was men niet zo blij met het Nederlandse beeldverhaal: het zou namelijk de leesluiheid van kinderen bevorderen.
De Telegraaf bracht in 1921 Jopie Slim en Dikkie Bigmans. Dit merkwaardige Engelse duo bestond uit een jongen en een varken en werden ook in Nederland erg populair.
DE TWINTIGER JAREN
In de loop van de 20er jaren gingen steeds meer kranten over tot het opnemen van allerlei beeldverhalen. Het overgrote deel van deze verhalen was op een jong lezerspubliek gericht en sterk moralistisch van aard. Ook betrof het voornamelijk Nederlandse beeldverhalen.
In de jaren twintig genoot een aantal strips reeds bekendheid en werden de hoofdpersonen nationale beroemdheden. Eén van de eersten daarvan was De wereldreis van Bulletje en Bonestaak van de Vlaming GEORGE VAN RAEMDONCK (tekeningen) en de Nederlander A.M. DE JONG (teksten). Deze socialistische geëngageerde strip verscheen 2 mei 1922 in het dagblad "Het Volk" en verhaalde over de wereldreis die de dikke Bulletje en zijn dunne vriendje Bonestaak maakten. Het verhaal was vaak absurd en wreed: afgehakte hoofden en ledematen kwamen er vaak in voor. In de strip Wereldreis (1926) stapt de lange jongen Boonestaak naakt in een vijver. In herdrukken werd later zijn geslacht overdekt met een grote zwarte zwembroek. Bulletje en Boonestaak was de eerste Nederlandse strip die in een andere taal verscheen ( in het Duits 1924 en in het Frans 1926).
In 1922 verscheen het eerste Nederlandse Stripblad, genaamd HET DUBBELTJE. Het was een weekblad voor de jeugd en het huisgezin en bestond voornamelijk uit Engelse en Franse strips. Het blad heeft twee jaar bestaan.
De pionier HENK BACKER genoot in de 20er en
30er jaren een enorme populariteit. Zijn strips Hansje Teddybeer en Mimie
Poezekat werden veel gelezen. Van Hansje Teddybeer werden in 1922 zelfs
enkele boekjes uitgegeven. In 1923 verschijnt in het Rotterdams Nieuwsblad
het zeer succesvolle beeldverhaal Tripje en Liebertha ook van schrijver
HENK BACKER. De avonturen van dit mannetje en vrouwtje,
beiden door een fee uit luciferhoutjes gemaakt, ontketende een ware rage
in Nederland, met name in Rotterdam. Toen het eerste Tripje-album verscheen
moest de politie op het Beursplein dranghekken plaatsen om de stroom belangstellenden
in goede banen leiden. Er verschenen Tripje-harmonica's, -lollies en -chocoladerepen.
GERRIT ROTMAN was de tekenaar van Snuffelgraag en Knagellijntje.
Deze dierenstrip, geschreven door A. PLEYSIER werd
later voortgezet door A.F. KÜPPER. ROTMAN
was ook de schrijver van het gevoelige Prinsesje Sterremuur en de bekende
strip Mijnheer Pimpelmans (Mijnheer Pimpelmans en zijn auto).
DE DERTIGER EN VEERTIGER JAREN
Ook werden meer beeldverhalen geïmporteerd. Het Handelsblad publiceerde in 1930 het beeldverhaal Bruintje Beer (RUPERT) en getekend door de Engelse tekenares MARY TOURTEL en de Telegraaf kwam met Mickey Mouse van WALT DISNEY.
Erg populair was ook de lotgevallen van Pijpje Drop (1930) van tekenaar P. KOENEN. Deze strip werd elke week afgedrukt in het Rotterdamse reclameblaadje van de oliehandel DE AUTOMAAT en werd rondgebracht door de Olieboer. Pijpje Drop was een neger jongen en beleefde spannende avonturen. Het beeldverhaal werd altijd afgesloten met de bekende slogan: Hoe 't verder "Pijpje Drop" vergaat, staat in de volgende "Automaat"!
In de dertiger jaren plaatsten andere kranten in navolging van de Telegraaf nu ook buitenlandse strips, veelal Amerikaanse ballonstrips voor meer volwassen publiek. Echter, een Nederlands beelverhaal werd ook populair, namelijk In de Soete Suikerbol van W.G. VAN DER HULST. Deze strip verscheen in 'De Standaard' het dagblad van KUYPER EN COLIJN en mocht vrij lang in een grote populariteit verheugen. Begin 70er jaren is een film (van tekeningen) van dit verhaal voor de televisie gemaakt. De eerste Nederlandse detective was De Chef in 1932 van ALFRED MAZURE. Deze strip stond als dagstrip in de 'Nieuwe Utrechtsche Courant'. Ook in de dertiger jaren verscheen in 'de Vaderland' de eerste science-fictionstrip, namelijk Professor Vliegwiel.
Op het einde van de jaren dertig verschenen in Nederland veel reclame strips. Bedrijven gaven strips cadeau bij aankoop van hun produkten. Voorbeelden hiervan zijn: FLIPJE-BOEKJES van de jamfabriek de Betuwe, de VERKADE-ALBUMS en Piet Pelle van de rijwielfabriek Gazelle. Het beeldverhaal verscheen in die jaren in allerlei publicaties. Het beeldverhaal was 'in'. In deze jaren publiceerden vrijwel alle dagbladen wel een strip.
De vooroorlogse jaren stonden met name in het teken van de import van strips uit het buitenland, met name de twee Nederlandse jeugdbladen SJORS (1930) en DOE MEE (1936) stonden vol met dergelijke strips. Twee bekende voorbeelden hiervan zijn: Flash Gordon en Popeye. Doe mee heeft als grootste verdienste gehad dat het de Nederlandse jeugd liet kennismaken met het werk van de grote Amerikaanse striptekenaars.
In deze jaren werden ook door verscheidene kranten stripboeken in kleur uitgegeven. Enkele voorbeelden: Opa Bol van den ijzeren knol, Het betoverde bosch en het stripboek Sambo de Olifant. Veel vooroorlogse strips zijn zoekgeraakt; men beschouwdde de strip indertijd als weggooilectuur'. De boekjes die bewaard zijn gebleven, zijn vaak in slechte staat. De oorzaak hiervan ligt bij de jeugdige eigenaars.
Het Nederlandse talent dat de strip na de Tweede Wereloorlog zou gaan beheersen, begon al reeds voor de oorlog zich te manifesteren.
TIJDENS EN NA DE TWEEDE WERELDOORLOG
De Tweede Wereldoorlog bracht voor de groei van het Nederlands beeldverhaal een groot voordeel. De Duitse bezetters maakten de invoer van Amerikaanse strips onmogelijk. Kranten en tijdschriften moesten gaan uitzien naar tekenaars van eigen bodem. Het Nederlandse talent kreeg een kans. Een nadeel was de papierschaarste. In de illegale kranten verschenen daardoor geen strips meer. De kranten die nog wel officieel uitkwamen (...) brachten alleen kinderverhalen of uitgesproken pro-Duitse strips. Op die manier werd er geprobeerd om via strips de sympathie van de jeugd te winnen. Voorbeelden hiervan zijn Flits de Herder en Bull de Dog die uitgegeven werden door het DEPARTEMENT VAN VOLKSVOORLICHTING EN KUNSTEN. De Duitse bezetter maar ook het verzet gebruikten in de oorlogstijd het beeldverhaal vaak ook als propagandamiddel.
MARTEN TOONDER EN JOOP GEESINK hadden al voor de Tweede Wereldoorlog een studio opgericht, die in de oorlog een bron was geweest van illegaliteit. De bekenste illustratoren en tekstschrijvers waren verbonden aan deze studio, zo ook HENK SPRENGER. De studio gaf het ondergrondse blad METRO uit, met werk van o.a TOONDER, KRESSE EN SPRENGER.
Veel tekenaars begonnen zich toe te leggen op dectective strips. De voornaamste representant hiervan was ALFRED MAZURE, met Dick Bos een karakteristieke en onsterfelijke speurder. De verhalen van de breedgeschouderde en fiergekinde Haagse privé-detective Dick Bos verschenen in het weekblad DE PRINS (1940-1943). De belevenissen van deze speurder werden vanaf 1941 gedrukt in kleine boekjes: de bekende beeldromans (een beeldroman is een klein boekje op broekzakformaat met op elke bladzijde meestal 1 tekening). De Dick Bos-boekjes werden in de oorlog enorm populair. De Duitsers hebben nog getracht om van Dick Bos een SS-er te maken. ALFRED MAZURE ging hier niet mee akkoord en zodoende kwam er een publicatieverbod op Dick Bos.
Een aantal beeldverhalen in de oorlog werd gewoon voortgezet, zoals
Broeder Bastiaan in de Tijd en er kwamen ook nieuwe verhalen bij, zoals
Paard Witsok in de NRC. En in de Telegraaf van 16 maart 1941 verscheen
voor het eerst Tom Poes van MARTEN TOONDER. Tom Poes
was reeds in 1938 al geboren, maar kreeg in Nederland geen kans wegen zijn
kinderachtig uiterlijk. Deze strip verscheen als eerste in Tsjecho-Slowakije
en inArgentinië. En was toen de eerste strip die werd geexpoteerd.
Drie jaren verscheen Tom Poes dus in de Telegraaf.
De verhalen rond Tom Poes waren een ongekend succes. Het eerste verhaal
had de eenvoudige titel 'Avonturen van Tom Poes' en als ondertitel ' Tom
Poes ontdekt het geheim der blaauwe aarde'. Pas in het derde verhaal verscheen
Ollie B. Bommel ten tonele. Hij vestigde zich in de streek rondom Rommeldam
en ging wonen in de Drakenburcht, die hij ondoopte tot slot Bommelstein.
Op één uitzondering na (verhaal 17) traden Tom Poes en heer
Bommel (volgens oude kronieken voluit: Olivier Berendinus Bommel) als twee-eenheid
op. In 1947 verscheen Tom Poes als dagstrip in de Volkskrant en de NRC.
De NRC stoppte na meer dan 50 jaar in 1998 met de Tom Poes verhalen.
De afbeelding laat
zien de ontwikkeling van Tom Poes van 1938 naar nu.
In de oorlog moest MARTEN TOONDER zich voor
één van zijn Tom Poes verhalen bij de Duitse bezetter verantwoorden.
De censuur werd steeds strenger: het blad Doe Mee mocht geen Amerikaanse
strips meer opnemen; op 1 mei 1942 verscheen dit blad om die reden voor
het laatst. En vele tekenaars stopten tijdelijk hun activiteiten als tekenaar.
Eén daarvan was de pionier van het Nederlandse beeldverhaal: HENK
BACKER. Zijn strip Adolphus (hoofdpersoon had ook een snorretje
als Hitler) kwam ook niet door de censuur en kreeg een verschijningsverbod.
De Duiters zagen al snel in dat het beeldverhaal zich uitstekend leende
voor propagandadoeleinden. Zij wilden dan ook dat de strip van HENK
BACKER Tripje en Liezebertha herschreef ten dienste van de Jugendstorm.
BACKER weigerde! Sommige Nederlandse tekenaars hadden
hier geen moeite mee en in Nederland verschenen ook strips die een duidelijk
NSB karakter hadden. Aan het eind van de oorlog is de papierschaarste zo
groot dat ook de laatste strips uit de krantenkolommen verdwenen. De moeilijke
jaren van de oorlog werden ook de jaren van voorbereiding. Veel tekenaars
en schrijvers hadden in de oorlog gewoon doorgewerkt en wilden hun beeldverhalen
zo snel mogelijk gepubliceerd zien. Onmiddellijk na de bevrijding staat
het beeldverhaal in het teken van de bezettingsjaren en de bevrijding.
Er verschenen veel anti-Duitse strips.
Boekjes als De Sprinkgermanenplaag en de Stoute dingen die Toontje deed (Toontje is Anton Mussert), Fokkie Flink en De Daverende Dingen Dezer Dagen genoten een enorme populariteit. Na de oorlog kende de MARTEN TOONDERS' STUDIO een enorme groei en veroverde een groot deel van de markt van de Nederlandse stripproduktie. In 1946 werd in Den Haag een andere beeldverhaalstudio door A. VAN DELDEN opgericht met de naam AVAN. Na het succes van Smidje Verholen trok deze studio al gauw andere tekenaars aan. Na de oorlog werd ook een nieuw stripblad geïntroduceerd: STRIPFILM. Dit blad ging over strips en tekenfilms en verscheen in een zwart-wit uitvoering en telde door de papierschaarste maar vier pagina's. Het blad heeft niet lang bestaan.
In 1946 verscheen van de autodidact HANS KRESSE en in het begin in samenwerking met Marten Toonder het beeldverhaal Eric de Noorman (de steen van Atlantis). Deze strip begon als science-fiction strip maar ontwikkelde zich tot een echte avonturenstrip. Zowel wat de tekst als de tekeningen betreffende zijn de Zwaard-cyclus verhalen van Eric de Noorman wel het hoogtepunt van deze prachtige serie. Een jaar later maakte Tom Poes in boekvorm zijn rentree, om uit te groeien tot de beroemdste Nederlandse stripfiguur aller tijden. De Tom Poes verhalen genoten een nationale populariteit en brachten de Nederlandse taal veel nieuwe rijke gezegdes en uitdrukkingen.
Daarna volgden nog Piloot Storm (1947) van HENK SPRENGER, Aram( 1948) van PIET WIJN. Op de strips die MARTEN TOONDER zelf heeft opgezet en in het begin ook zelf geschreven en getekend heeft, zoals Tom Poes, Panda en Koning Hollewijn heeft hij heel sterk zijn eigen stempel gedrukt. TOONDER en zijn studio hebben een grote invloed gehad op het Nederlands beeldverhaal.
In 1947 werd het Tom Poes Weekblad opgericht door de MARTEN TOONDER STUDIO en waarbij de belangrijkste Nederlandse tekenaars/ schrijvers in die tijd aan meewerkten. Ook Piloot Storm van HENK SPRENGER was in dit weekblad opgenomen. De enige buitenlandse strip was Prins Valiant van de Amerikaan HAROLD FOSTER. Het in twee kleuren gedrukte blad was vrij duur. De laatste aflevering van dit weekblad verscheen in 1951. Op den duur kon Tom Poes namelijk niet op tegen het na de oorlog steeds opkomende werk uit de USA, waarvan het tijdschrift DONALD DUCK een belangrijke exponent is. Een tijdschrift dat gewijd was aan WALT DISNEY'S kleurige scheppingen en uitgegeven werd door de 'GEÏLLUSTREERDE PERS'. Het succes van het in vierkleuren bedrukte weekblad was onmiddellijk heel groot. Dit kwam omdat de uitgever in 1952 het eerste nummer van DONALD DUCK in een oplage van 2,5 miljoen exemplaren gratis huis aan huis had laten verspreiden. Dit leidde tot een totaal bestand van ongeveer 300.000 abonnees. In 1955 deden heer Bommel en Tom Poes hun intrede in Donald Duck, alwaar ze ongeveer 15 jaar niet weg te denken waren.
Andere belangrijke zelfstandige stripbladen van direct na de oorlog
was SJORS VAN DE REBELLENCLUB (verscheen eerst SJORS
als bijlage bij Panorama) en Ketelbinkie krant. SJORS werd voornamelijk
gevuld met Engelse strips, waarbij Billie Turf de kostschoolstrip zeer
populair werd. De in 1948 opgerichte Rotterdamse KETELBINKIE
KRANT kreeg in 1952 een Amsterdam versie ROBS VRIENDEN
(genoemd naar kapitein Rob). De inhoud van beide bladen was identiek en
bestond voor de helft uit Nederlandse en voor de andere helft uit buitenlandse
strips. Onder de Nederlandse strips vinden we Ketelbinkie van WIM
MEULDIJK, Kapiten Rob van PIETER KUHN en de
wondermidvoor KICK WILSTRA
van HENK SPRENGER. In 1957
verdwenen deze weekbladen uit de markt.