Start Omhoog Zoek in onze side De Porfyrie Pagina Inhoud

EPP onderzoek in het AZR

 

Verslag van het EPP familie onderzoek in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, Dijkzigt.

Introductie

Binnen families met EPP is de kans 1 op 2 (50%) dat een drager van een ferrochelatase mutatie deze mutatie overdraagt aan zijn /haar kinderen. De ervaring leert echter dat een veel kleiner aantal kinderen een zogenaamd klinisch manifeste EPP ontwikkeld met de bekende lichtovergevoeligheid. Recent onderzoek in Frankrijk heeft aangetoond dat twee “polymorfismen”, dit zijn veranderingen in of vlakbij het ferrochelatase gen, er verantwoordelijk voor zijn dat een EPP drager ook EPP patiënt wordt. Hun conclusie  was dat EPP patiënten van beide ouders een verandert ferrochelatase gen hebben geërfd Vorig jaar (november 2000) vroegen we u mee te doen aan een EPP familie onderzoek om te onderzoeken of dit ook voor de Nederlandse EPP families van toepassing is.

Doelstelling van het onderzoek

Doel van deze studie was te onderzoeken of de bevindingen van de Franse EPP families ook  op de Nederlandse  EPP families van toepassing zijn. Samengevat, iemand erft een ferrochelatase mutatie van zijn/haar ene ouder en de genoemde polymorfismes van de andere ouder. De combinatie maakt van een EPP drager een EPP patiënt.

Toelichting van het onderzoek.

Om dit te onderzoeken hebben we 27 families onderzocht. Alvorens de resultaten van dit onderzoek aan u te presenteren volgt eerst wat uitleg over DNA en wat we precies onderzocht hebben.

Het erfelijk materiaal van de mens ligt vast in 22 chromosomen plus de geslachts chromosomen X en/of Y. Van ieder chromosoom zijn er twee aanwezig, één van moeders en één van vaders kant.

 

Bij EPP patiënten is de hoeveelheid actief ferrochelatase enzym verlaagd.  De codering voor het ferrochelatase enzym ligt vast op het ferrochelatase gen op chromosoom 18.     

Chromosoom 18

     

De figuur  geeft aan, dat het ferrochelatase gen (FECH) maar een heel klein onderdeel is van chromosoom 18.

Een chromosoom bestaat uit twee suiker/fosfaat ruggengraten, die met elkaar verbonden zijn door basen (DNA). Er zijn vier basen, adenine (A), guanine (G), cytosine (C) en thymine (T). De basen zijn zo met elkaar verbonden dat de A altijd met de T en de C altijd met de G een paar vormt. De volgorde van de basen aan de suiker/fosfaat ketens is essentieel voor de werking van ons lichaam en in dit geval in het bijzonder, voor de activiteit van het ferrochelatase enzym. Bij de celdeling moeten de chromosomen (dus ook het DNA) zich verdubbelen. Als een DNA keten zich verdubbelt splijt hij vanaf de onderkant open, waarna er direct de passende basen aangeplakt worden. Dat deze verdubbeling door ingewikkelde mechanismen gestuurd wordt zal duidelijk zijn. Soms gaat het bij zo’n splitsing niet goed en komt b.v een A tegenover een C of G. Deze “weeffout “zal daarna, bij volgende delingen, mee gekopieerd worden

De code van het ferrochelatase gen bestaat uit bijna 40.000 basen, uitgetypt zijn dit is 12 bladzijden A’, C’s, G’s en T’s coderingen. Hiervan bepalen slechts 1269 basen, verdeeld over 11 stukken (exon1-exon 11), het ferrochelatase eiwit. In deze exonen ligt de codering voor de werking van het ferrochelatase enzym opgeslagen. Aan het begin van het gen, voor exon 1, ligt de zogenaamde promotor. De positie of plaats van deze promotor  geeft  aan waar de start van de code voor ferrochelatase begint. Tussen de exonen liggen de intronen. Deze zijn in de buurt van de exonen van belang voor de latere koppeling tussen de exonen, maar spelen verder geen rol bij de aflezing van het  eiwit. Het geheel is te vergelijken met een krant waarin één artikel over verschillende pagina’s verspreidt is afgedrukt (b.v. Zie verder pagina 3 kolom 5). Om het artikel te kunnen lezen moeten de verspreidde stukken (exonen) in de juiste volgorde aan elkaar geplakt worden. Gaat er bij dit knippen en plakken iets mis, dan resulteert dat in een onleesbaar artikel en in ons geval een ferrochelatase enzym met afwijkingen. 

Als er in een familie een verwisseling van 1 van deze basen (b.v. een A wordt een C of G) opgetreden, kan het zijn dat deze verwisseling een verminderde activiteit van het ferrochelatase enzym tot gevolg heeft. Ook kan het zo zijn dat er binnen een familie een base is weggevallen of er één is bijgekomen. Dit veroorzaakt een verschuiving van alle basen, waardoor de vorming van het ferrochelatase enzym voortijdig ontregeld wordt.  Deze veranderingen heten mutaties. Op de positie of plaats 251 basen voor exon 1 (-251 exon 1) en in intron 1 ( zie figuur) 23 basen voor exon 2 (-23 exon 2) kunnen twee veranderingen voorkomen (polymorfismen), die zelf geen EPP kunnen veroorzaken. Deze veranderingen komen redelijk vaak in de Nederlandse bevolking voor. Dragers van deze polymorfismen hebben geen last van lichtovergevoeligheid zoals bij EPP.

Resultaat.

Als resultaat kunnen we melden dat in 22 families een mutatie gevonden is. Bovendien hebben we de polymorfismes van alle familieleden bepaald. In de overige 5 families zijn we nog verder op zoek naar de mutatie. De verwachting is dat we in een deel van deze families alsnog een mutatie te vinden, maar wellicht blijven er toch enkele families over waarin het vinden van de mutatie erg lastig is.

 Conclusie.

De voorlopige conclusie is dat onze veronderstelling dat EPP patiënten van één ouder een mutatie en van de andere ouder polymorfismes erven meestal klopt. Daardoor is het nu onder bepaalde voorwaarden mogelijk binnen de meeste families waarin een mutatie gevonden is een voorspelling te doen over de overerving van  de ziekte EPP. Deze vorm van erfelijkheid advisering moet formeel via de z.g.n. klinisch genetische centra lopen.

Binnenkort krijgen de contactpersonen van alle deelnemende families bericht over de bevindingen in hun familie, bijgevoegd wordt een lijst met namen van de deelnemende familieleden. Patiënten en familieleden die kennis willen nemen van de resultaten en/of behoefte hebben aan erfelijkheidsadvisering kunnen zich melden bij een klinisch genetisch centrum in één van de academische centra. Elders in dit blad leest u daar meer over.

Wat is de volgende stap in het onderzoek?

Zoals genoemd in de conclusie, blijkt de veronderstelling dat de een EPP patiënt van  één ouder een mutatie moet erven en van de ander de eerder genoemde polymorfismes  bijna altijd juist is. Recent is door franse onderzoekers op een congres bekend gemaakt, dat deze twee onderzochte polymorfismes eigenlijk een bijzondere mutatie voorspellen, waarmee de ziekte en het dragerschap van EPP nog beter verklaart  c.q. voorspeld kan worden. Het komend jaar doen wij nader onderzoek naar deze afwijking in het DNA . We proberen de bevindingen van de franse onderzoekers te bevestigen, zodat er opnieuw een stukje van de gehele EPP puzzel opgelost kan worden. Hopelijk hoort u de resultaten hiervan op de EPP-dag volgend jaar.

Met vriendelijke groet,

Dr. F.W.M. de Rooij

H Koole-Lesuis

Bron: EPP-nieuwsbrief

http://www.epp.info/Nederlands/Nieuwsbrief%2012-2001/Verslag%20onderzoek.htm

Start Zoek in onze side De Porfyrie Pagina Inhoud