Klei vertelt
Een verhaal van de hand van Trudy Kamsteeg over het ontstaan van een keramische vogel.
Het was al vroeg donker geworden; de hele dag was het weer al somber geweest en hadden er loodgrijze wolken langs de hemel gejaagd, maar nu werd het bijna zwart: het ging sneeuwen. De ruimte kreeg iets onheilspellends en er speelden vreemde schaduwen langs de stukken keramiek die er stonden opgesteld. Het was zo'n moment in de tijd dat er dingen stonden te gebeuren die door sommige mensen als sprookjesachtig, maar door anderen als angstaanjagend werden beschouwd. De objecten hadden daar overigens weinig boodschap aan. Er likte een schaduw langs een stenen vogel, die op heel hoge dunne poten stond. Dat leek te veroorzaken dat er plotseling een wilde schreeuw door de ruimte klonk die alle stukken tot in hun hardgebakken kern voelden. Nu ontstond er beweging. Niet voor mensen waarneembaar, maar beweging in de lucht, in de ruimte waar de keramische objecten stonden opgesteld. De vogel, die een hardgebakken glazuren jas aanhad van felle kleuren, boog zijn kop en keek ingespannen rond. Hij ontwaarde een ding dat gedeeltelijk leek op de vrouw door wie hij gemaakt was. Maar die vrouw had armen en handen gehad, handen waarmee ze hem had gevormd. Er ging een zachte rilling door hem heen nu hij daaraan terugdacht, een rilling van genoegen. Hij beleefde weer wat hij toen meemaakte. Van de bonk klei waarin hij al had gezeten zonder dat hij dat zelf wist, had ze al knedend, duwend en draaiend zijn lijf gevormd. Dat kneden, duwen en draaien had hij zó heerlijk gevonden dat het niet had hoeven ophouden wat hem betrof. Er had liefde in haar bewegingen gezeten en die hadden ook liefde in hem opgeroepen, steeds meer naarmate hij verder vorm had gekregen. Toen hij van een hals en kop was voorzien had ze vaak zitten grinniken, zo'n plezier leverde haar de aanblik op. "Wat een eigenwijze bliksem" had ze gemompeld en tot zijn eigen verbazing had hij het verstaan en onmiddellijk begrepen. Trots was hij ervan geworden en supertrots werd hij toen ze hem tenslotte zijn rafelige vleugels en staart had aangeplakt. In de tijd dat ze daarmee bezig was, had hij voortdurend alle kanten kunnen opkijken door het draaien in haar handen. Zo had hij ook op een tafel het evenbeeld van haar lijf kunnen ontdekken, dat hij hier weer terugzag.
Van de tijd die hij zwetend in de knalhete oven had doorgebracht wist hij niet veel meer. Hij was flauwgevallen of in coma geraakt en pas weer bijgekomen toen hij er allang weer uit was gehaald. Daarna begon ze hier en daar aan hem te schuren. Dat was een beetje pijnlijk, vond hij, maar kennelijk werd ze meer tevreden met hem, want waar ze had geschuurd aaide ze met haar vingers en voelde hij zich weer warm worden van genoegen. En nóg was hij niet klaar merkte hij; ze begon hem weer nat te maken met een spulletje dat hij niet als klei -als van zijn eigen samenstelling - herkende. Het voelde stijf en strak om hem heen en sloot hem helemaal in. Opnieuw zette ze hem in dat snikhete kamertje en sloot de deur. Deze keer wist hij wat hem te wachten stond en het duurde dan ook niet lang voordat hij weer in een diepe slaap verkeerde. Hij werd wakker toen ze de deur weer opentrok en hem met wanten aan voorzichtig uit het hokje bevrijdde. Kennelijk deed zijn aanblik haar groot plezier:ze sprong bijna een gat in de lucht en riep uit dat de kleuren schitterend waren geworden! Trots liet hij zich welgevallen dat ze toen een paar lange ijzeren staken in hem stak. Toen ze hem vervolgens omkeerde en op poten zette, keek hij voor zijn gevoel volkomen zelfstandig de wereld in.
En op dit vreemde moment in de tijd, waarin buiten de sneeuw nu in grote vlokken naar beneden buitelde en alle donkerte met een geheimzinnig licht doorgloeide, gaf hij zijn blijdschap met een langgerekte kreet te horen: "liiija!"
