De Stem, ZAT 03.05.80
Interview door Toon Kloet. Het Brabant van toen.
CarriŤre bij spoor was zaak van ondernemingszin.
                                                                        Verteller:
Kees Elst, geb. 18 april 1906 in Heerle (Wouw).
Kees Elst uit Roosendaal komt uit een spoorwegfamilie.
Zijn grootvader Gerrit Elst uit Wouw was ploegbaas bij de afdeling Weg en Werken en zijn grootmoeder bediende overdag enkele spoorwegovergangen. Zijn vader, Toon Elst, wilde ook bij het spoor, maar de reglementen stonden niet toe, dat hij bij zijn eigen vader in de ploeg zou werken. Daarom kreeg hij een baan in Woensdrecht en een jongeman uit Woensdrecht, die in dezelfde omstandigheden verkeerde, werd in Wouw geplaatst. Als ze ’s morgens voor dag en dauw te voet naar hun werk gingen kwamen ze elkaar tegen.
Met Kees Elst trad dus de derde generatie Elst bij de spoorwegen aan en dat was tevens de laatste zoals het zich nu laat aanzien.

Kees bij een zgn. lineaalkast in ťťn van de drie seinhuizen van Roosendaal (De Stem)
Voor Kees Elst bij de N.S. in dienst kwam had hij, na een opleiding bankwerken aan de ambachtsschool in Bergen op Zoom, gewerkt bij de Holland in BoZ en bij Backer en Rueb in Breda. toen nog gevestigd aan de Prinsenkade. In 1928 kon hij bij de spoorwegen komen en omdat hij bankwerker van beroep was, werd hij aangesteld als leerling-machinist in Breda. In die tijd was het gebruikelijk bij de N.S., dat een leerling-machinist zijn carriŤre begon op een rangeerlocomotief. Na verloop van tijd kwam hij op een machine van een goederentrein en pas als hij de nodige ervaring had, werd hij op een personentrein geplaatst, met de mogelijkheid nog "door te stomen" naar internationale treinen. Uit het verhaal van Kees Elst wordt duidelijk, dat het maken van carriŤre bij de N.S. hoofdzakelijk een kwestie van eigen ondernemingszin was. Was je eenmaal als leerling-machinist aangesteld, dn kon het vele jaren duren eer je promotie maakte. "Ik heb er wel gekend", herinnert Kees Elst zich, "die twintig jaar en langer als leerling-machinist op de locomotief hebben gestaan". De promotie tot ondermachinist, mestal naar anciŽnniteit, werd voorafgegaan door een soort test die werd afgenomen door een commissie in Utrecht. Maar tussen de aanstelling tot leerling-machinist en de test hadden de spoorwegen niets aan de opleiding van de man gedaan. Behoudens natuurlijk de praktijkervaring van soms vele jaren op de locomotief.
Vrijwilligers
Voor degenen die dat wilden was er welk een andere mogelijkheid. In Roosendaal, in het Gildenhuis, gaven drie Roosendaalse machinisten eigener beweging een cursus aan leerlingen. Het waren Louis van der Heijden, Jef Noteboom en Herman Vos. En Kees Elst vindt dat ze met ere genoemd mogen worden, want wat ze daar deden waren ze aan niemand verplicht. Ze werden er niet voor betaald, ze kregen er zelfs van de NS geen vrije uren voor, ze kregen enkel de beschikking over wat lesmateriaal zoals manometers en peilglazen. En ze namen met hun leerlingen ook de schriftelijke lessen door, die, in wekelijkse lessen, gegeven werden door St. RaphaŽl, later de Katholieke Bond van Vervoerspersoneel: stoomwerktuigkunde, rekenen , taal, seinreglementen e.d. Het waren dus zulke vrijwilligers en de vakbond die de vorming en opleiding van de leerling-machinisten voor hun rekening namen (letterlijk en figuurlijk) en niet de NS zelf. "Op de locomotief", vertelt Kees Elst, "was het de taak van de leerling om de machinist in alles behulpzaam te zijn. In feite betekende dit, dat je gewoon was overgeleverd aan de machinist, want zo’n man had wat te vertellen in die dagen. Als die klachten over je had, stond je er niet zo best voor. En als er dan toevallig nog een tweede machinist was die over je klaagde, nou dan kon je de deur wel achter je dicht slaan.
Een locomotief was een bewerkelijke machine, maar wel veel interessanter dan de huidige tractie, vindt Kees Elst. "Als je dienst had, moest je een uur, anderhalf uur tevoren beginnen. De machine moest worden gesmeerd en de vuren moesten worden opgezet. Voor een rit naar Zwolle bijvoorbeeld moest je een groot vuur hebben opstaan, maar je moest er ook voor zorgen dat de machine niet te veel stond te roken en dat er niet te veel stoom moest worden afgeblazen. Als je na een rit vanuit Roosendaal in Zwolle aankwam – je stookte er een tender kolen door – moest je als leerling het vuur zuiver maken, de slakken er met de schop uithalen en de machinist moest de stoom afblazen. Ik kan je wel zeggen, je was kapot als je d’r zo’n rit op had zitten."
In 1931 werd Kees Elst overgeplaatst naar de rangeerdienst in Roosendaal, net als in Breda tamelijk eentonig werk, want met de rangeerloc kwam je het emplacement niet af.

Tekening 1980 van Willeke Jansen-Hesseling (De Stem)
Kort daarna begon de crisis zich te doen voelen. Na een jaar Roosendaal hoorde Kees Elst bij de mensen die wegens overcompleet op wachtgeld werden gezet. Dat betekende geen lui leventje, want je moest wel voor de NS beschikbaar blijven. "In zo’n wachtgeldperiode", vertelt Kees Elst, "konden de spoorwegen je voor alle werk oproepen, al was het bij wijze van spreken om w.c.’s schoon te maken. Of voor de remdienst. Op straffe van ontslag."
Kees Elst ging overigens onmiddellijk nadat hij met wachtgeld was, meteen weer aan de slag. Samen met drie andere leerling-machinisten, Jan de Nijs, Piet Vos en Wim Berting, werd hij op arbeidscontract naar Eindhoven gestuurd. "Ik was toen nog niet zo lang getrouwd", vertelt hij, "en wij moesten mooi voor eigen rekening in Eindhoven in de kost. Dat betekende naast onze normale huur nog zo’n zeven of acht gulden in de week aan kosten. Daarom ben ik lid van de bond geworden.
Teleurgesteld
Die laatste mededeling brengt het gesprek over op een ander spoor om in de termen van Elst te blijven. Hij is niet zo maar lid geweest. In Roosendaal is hij dertig jaar bestuurslid geweest, waarvan zeventien jaar voorzitter.
"Ze schuwden mij in Utrecht", zegt hij, "want ik hield mijn mond niet. Je zou kunnen zeggen dat ik gepast brutaal was." hij heeft zich dag en nacht (en dat laatste soms letterlijk) voor St. RaphaŽl ingezet. "Ik heb honderden leden ingeschreven", vertelt hij, "ik heb weken gekend, dat ik dertig, soms wel veertig nieuwe leden won. En twee maanden geleden heb ik mezelf uit laten schrijven."
Ik geloof dat ik wel vier keer met mijn ontslagbrief op pad ben geweest, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Tot twee maanden geleden. Schrijf maar gerust in de krant dat ik een teleurgesteld man ben op het gebied van de vakorganisaties. Ik vind de FNV veel te veel onder politieke druk staan. Ik weet maar al te goed, dat het kapitaal de arbeider heel wat aangedaan heeft, maar nou slaan we naar de andere kant door. De samenleving gaat kapot. Je moet over vijf jaar nog maar eens aan Kees Elst denken…."
Veiligheid
Mogelijk zal er dat over vijf jaar nog wel eens van komen, maar nu moet ons gesprek terug naar het Brabant van toen. Naar de tijd waarin Kees Elst op wachtgeld stond en waarin hij, na drie maanden Eindhoven, weer in Roosendaal kwam te werken in de elektrische centrale die bij hotel Goderie stond. "Daar had je ’s nachts een luizenleventje, maar ’s ochtends om een uur of drie werd het druk, want dan werden de gereedstaande treinen voorverwarmd met stoom omdat je de reizigers ’s morgens niet in koude treinen kon laten komen.". Vier jaar heeft de wachtgeld periode van Kees Elst geduurd. Toen kon hij dankzij het feit, dat hij intussen als bankwerker zijn studie voor gezel had afgemaakt, bij het seinwezen terecht. Dat betekent: waken over de veiligheid van het treinverkeer. "Eerst", vertelt hij, "heb ik zo’n jaar of drie, vier in de buitendienst van het seinwezen gezeten om daar de situatie goed te leren kennen. Daarna heb ik nog vijf jaar meegelopen met een hoofdbankwerker en toen werd ik zelf hoofdbankwerker. En dat is nu zo’n baan waarin je maar ťťn keer een fout hoeft te maken en dan is het bekeken. Dan krijg je ander werk. Ik wil je dan ook wel zeggen, dat ik op mijn laatste dag bij de NS Onze Lieve Heer op mijn blote knieŽn heb bedankt, dat ik geen fouten gemaakt heb, tenminste geen fouten die opgevallen zijn."
het oude beveiligingssysteem waarmee Kees Elst nog volop gewerkt heeft is nu in een groot deel van het land verdwenen. Enkel boven Zwolle bestaat het nog. De lijn Vlissingen was al heel vroeg gemoderniseerd. "Maar ja", aldus Elst, "Den Hollander was dan ook een Zeeuw van komaf. Misschien had dat er wel mee te maken."
"Jij durft"
Er is nog een andere Kees Elst dan de man-van-het-spoor. En dat is de man-van-het-voetbalveld. Hij heeft als scheidsrechter zo’n 350 wedstrijden in de 1e klasse KNVB gefloten en 16 om het kampioenschap van Nederland.