Circulatie, bloed, luchtwegen
AGN 3e jaar, cohort 06-10
1. Een brochieëctasie is een
plaatselijke ..... van een .....
a. vernauwing, bronchus
b. verwijding, alveolus
c. vernauwing, alveolus
d. verwijding, bronchus
2. De ontspannings fase van de hartkamer
heet:
a. diastole
b. systole
c. spasme
d. tensie
3. Bij een aortaklepstenose
a. is de systolische druk lager dan
de diastolische
b. liggen de systolische en de
diastolische druk dicht bijelkaar
c. is de diastolische druk niet
meetbaar
d. liggen de systolische en de
diastolische druk ver uitelkaar
4. Een handeling die de hartslag bij
supraventriculaire tachycardie NIET kan normaliseren is ..... .
a. druk op de oogbol
b. carotismassage
c. persen met gesloten glottis
d. druk op de oorlel
5. De benauwdheid bij astma aanvallen
wordt o.a. veroorzaakt door:
a. bronchodilatatie
b. bronchoconstrictie
c. vasodilatatie
d. vasoconstrictie
6. Bij een 'coarctatio aortae' is de
bloeddruk
a. in het bovenlichaam hoger dan in
het onderlichaam
b. in de rechterarm hoger dan in de
linkerarm
c. het rechterbeen hoger dan in het
linkerbeen
d. in het onderlichaam hoger dan in
het bovenlichaam
7. Van buiten naar binnen bestaat het hart
uit de volgende lagen:
a. endocard,
pericard, myocard
b.
endocard, myocard, pericard
c.
pericard, myocard, endocard
d.
myocard, pericard, endocard
8. Een aneurysma is een
a. plaatselijke verwijding van een
bloedvat
b. een middel tegen hoge
bloeddruk
c. hartblock
d. verharding van de aorta
9. Het mediastinum is de ruimte
a. tussen de beide longen
b. in de buikholte
c. in het hartzakje
d. in de neusbijholten
10. Onstabiele angina pectoris wil zeggen
dat
a. de patient tijdens een aanval
omvalt
b. de klachten niet gerelateerd zijn
aan o.a. fysieke activiteit
c. een aanval met name bij mensen
met een kippenborst voorkomt
d. met name emoties klachten
uitlokken
11. De stof die bij een daling van de
bloeddruk in de nieren wordt geproduceerd, heet
a. angiotensine 1
b. aldosteron
c. renine
d. angiotensinogeen
12. Bij het syndroom van Horner heeft men
eenzijdig
a. een vernauwde pupil
b. overmatisge zweetsecretie
c. een rood verkleurde sclera
d. een uitpuilende oogbol
(exophtalmus)
13. Bij een inspiratoire stridor is er een
bemoeilijkte passage van de lucht in de
a. kleinere luchtwegen
b. alveoli
c. neusholte
d. grotere luchtwegen
14. Problemen zijn te verwachten
wanneer
a. moeder bloedgroep 0 heeft en het
kind Rhesus positief is
b. moeder Rhesus negatief is en het
kind Rhesus positief
c. moeder Rhesus positief en het
kind Rhesus negatief is
d. moeder bloedgroep AB heeft en het
kind bloedgroep 0
15. Bij rechtsdecompensatie ontstaat
a. longoedeem
b. arteriele stuwing
c. veneuze stuwing voor het
hart
d. vasoconstrictie van de venen
16. Een belangrijke klacht bij
bronchiectasieen is:
a. het opgeven van veel sputum
b. gewichtsverlies
c. dyspnoe
d. trommelstokvingers
17. Bij bloedgroep 0 bevatten de
erytrocyten
a. het 0 antigeen
b. de AB antigenen
c. geen bloedgroep antigeen
d. de Rhesus faktor
18. Als iemand 'open' longtuberculose heeft
verspreidt de tuberkelbacil zich via
a. aanraking van het sputum van de
patiënt
b. praten, hoesten en niezen van de
patiënt
c. sexueel contact
d. de Mantoux reactie
19. De adamsappel is het vooruitstekende
gedeelte van
a. de bekerkraakbeentjes
b. het ringkraakbeen
c. het strotteklepje
d. het schildkraakbeen
20. De belangrijkste oorzaak van chronische
bronchitis is:
a. het koude klimaat
b. antihistaminica gebruik
c. hooikoorts
d. roken
21. Ventriculaire extrasystolie wil zeggen
dat
a. er extra veel systolen zijn door
een te hoge hartfrequentie
b. de patient extra systolisch behandeld
moet worden
c. er tussen de eerste en tweede
harttoon een systolisch geruis bestaat
d. om de zoveel systolen er 1 te
vroeg komt
22. COPD betekent:
a.
Chronical Obstructive Pulmonary Diseases
b.
Chronical Oncological Psycholgical Defaults
c.
Chronical Obstructive Pulmonary Defaults
d. Chronische Olfactorische Pressie
Drukken
23. Tijdens een ruimtewandeling vergeet een
astronaut zijn ruimtehelm op te zetten. Hij heeft een laryngectomie
ondergaan en heeft een tracheostoma. Wat zal er nu gebeuren?
a. Zijn longen ploffen inelkaar
b. Longweefsel wordt in het stoma
zichtbaar
c. Zijn longen ploffen
uitelkaar
d. a, b en c zijn alle onjuist.
24. Mensen met bloedgroep ..... worden ook
wel 'universele acceptor' genoemd.
a. AB pos
b. AB neg
c. 0 neg
d. 0 pos
25. Claudicatio intermittens wordt
veroorzaakt door
a. veneuze insufficiëntie
b. een aneurysma in de ring van
Willis
c. vernauwing van de grote
beenarteriën
d. vernauwing van de grote
armarteriën
26. Als het hart (te) weinig bloed de
arterien inpompt, zal de bloeddruk dalen. De nieren zullen reageren met
a. het produceren van extra veel
urine
b. het produceren van extra
creatinine
c. het vasthouden van vocht
d. a, b en c zijn onjuist
27. De aandoening waarbij de bloedvaten verharden
en er een vettige neerslag in de vaten komt, heet
a. multipele
sclerose
b.
atherosclerose
c. atheriosclerose
d. arteriosclerose
28. Boezemfibrilleren wil zeggen dat
a. er slechts grillige samentrekkingen
verspreid over de boezems voorkomen
b. er kippevel op de borsten
aanwezig is
c. de sinusknoop het ritme te hoog
opvoert
d. de AV-knoop kapot is
29. De meest voorkomende doodsoorzaak na
een hartinfarct is
a. ventrikelfibrilleren
b. boezemfibrilleren
c. ventriculaire extrasystolie
d. supraventriculaire
tachycardie
30. Met een status astmaticus wordt bedoeld
a. een astma-aanval veroorzaakt door
lichamelijke inspanning
b. een aanhoudende astma-aanval
c. chronisch astma
d. het begin van een
astma-aanval
31. Een trombus vanuit een beenvene kan een
..... veroorzaken.
a. herseninfarct
b. acute afsluiting van de arteria
femoralis
c.
hartinfarct
d.
longinfarct