|
|
VINCENT VAN DRIE restaurator van meubelen en objecten van hout
Vlijtstraat 6a 3513 SV Utrecht Nederland 0031 (0)30 2313170 |
Inhoud
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
|
|
Atelier voor conservering en restauratie van meubelen en objecten van hout In 1986 behaalde ik mijn diploma ‘meubelmaken met specialisatie Antiek’ aan de Mts voor de Meubilering- en Houtbedrijven te Rotterdam. In dienst van een antiquair, deed ik ervaring op met de restauratie van antiek; voornamelijk Engelse meubelen en nautische- en wetenschappelijke instrumenten. Ruim twee jaar later betrok ik als zelfstandig meubelrestaurator, het nabij het Centraal Station van Utrecht gelegen atelier aan de Vlijtstraat. De atelierruimte biedt tevens plaats aan nog twee bedrijven; Sebastián Núñez, bouwer en restaurator van historische tokkelinstrumenten (klavecimbels, luiten, pianofortes, gitaren) en Nico Hijman die eveneens meubelrestaurator is. Mijn klanten bestaan uit particulieren, antiquairs, instellingen (Fundatie van Renswoude, Nationaal Archief, Stadhuis van Utrecht) en musea (Centraal Museum Utrecht, Kasteel-Museum Sypesteyn, Slot Zuylen). |
|
|
Ethiek Het beroep van restaurator is een belangrijk nieuw ambacht met steeds meer disciplines. De allround restaurator bestaat niet. Restauratoren werken steeds meer samen waarbij een specifiek onderdeel van een object door een specialist wordt behandeld. De werkzaamheden beperken zich niet tot instandhoudingtechnologie alleen. Omdat de te behandelen objecten vanuit een brede ambachtelijke cultuur zijn ontstaan, liggen de oplossingen voor veel restauratievraagstukken vaak in diezelfde cultuur besloten. Naast het beheersen van ambachtelijke vaardigheden is relevante technische kennis, inzicht in de historische achtergronden en een goede ethische visie, vanzelfsprekend. Ieder object is een authentiek historisch document met een schat aan informatie. Conform de ethische code van VeRes streef ik naar een terughoudende, reversibele behandeling en een verbetering van de voorwaarden die bewerkstelligen dat het object zo lang mogelijk bewaard blijft. Bij de behandeling wordt zoveel mogelijk authentiek materiaal behouden. Gebruikssporen en resultaten van eerdere restauraties maken deel uit van de geschiedenis. |
|
|
|
|
|
Voornaamste werkzaamheden
|
|
|
|
|
|
Samenwerking Onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring is in ons atelier vanzelfsprekend. Dat komt ook tot uiting bij het begeleiden van stagiéres (Hout- en Meubileringcollege te Amsterdam). Om aanvullende kennis te verkrijgen is naast het bijhouden van mijn vakliteratuur met name het lidmaatschap van Het Restauratieconvergent van groot belang. In deze vereniging voor zelfstandig werkzame restauratoren, is telkens één discipline in één persoon vertegenwoordigd. Maandelijks is er een ontmoeting in een van de ateliers van de leden. Deze verschillende restauratiedisciplines gunnen elkaar een kijkje in de keuken: papier & perkament; interieurschilderingen & glas in lood; uurwerken & speeldozen; zilver & fijn koperwerk; textilia; smeedkunst & objecten van metaal; email & porselein & polychromie; schilderijen; tokkelinstrumenten & kleine orgels en meubelen & objecten van hout. Als voorzitter vertegenwoordig ik de vereniging in de Raad van Advies voor De Nederlandse Restauratiebeurs. Ik ben lid van VeRes (de Vereniging van Restauratoren) en ingeschreven in het Restauratorenregister. |
![]()
![]()
|
|
Telefoon Web |
030 231 31 70 vandrieverkleij@hetnet.nl http://home.hetnet.nl/~vandrieverkleij/vandrie.htm |
|
|
|
|
U zoekt een meubelrestaurator?
|
||
U wilt een offerte of schadetaxatie?
|
||
|
Mijn werkzaamheden worden gefactureerd op basis van een uurtarief en de materiaalkosten. Mijn uurprijs is gebaseerd op de richtlijnen van VeRes. Wanneer u in mijn atelier door mij een beknopte offerte laat maken is deze kosteloos. Voor gespecificeerde offertes worden echter kosten in rekening gebracht. Voor prijsopgaven en leveringen hanteer ik de Algemene Voorwaarden van de Belangenvereniging Restauratoren Nederland, VeRes, gedeponeerd onder nr. 537514 bij de Kamer van Koophandel in Amsterdam. |
||
![]()
|
|
Besnijdenisstoeltje 19de eeuw, Oost Java (Indonesië) |
|||||
|
Laag stoeltje van Djatihout, waarop een te besnijden jongetje als centrale figuur en als ‘koning voor één dag’ tijdens de plechtigheden plaats heeft mogen nemen. Hoogte 69, diepte 43,5 breedte 49 en zittinghoogte 28,5 cm. Oorspronkelijk gepolychromeerd en voorzien van een gevulde zitting. Stijl en regelwerk zijn voorzien van in reliëf gestoken floraal snijwerk. Tussen de regels van rug en voorzijde bevinden zich galerijtjes van draaiwerk. De achterste zittingregel is horizontaal geprofileerd en aan de onderzijde voorzien van een geschulpte rand. De stoel wordt beschreven en afgebeeld in: "Het Nederlandse koloniale meubel", Studie over meubels in de voormalige Nederlandse koloniën Indonesië en Sri Lanka, door J. Terwen-de Loos, Franeker 1985. Foto: Cor van Wanrooy, Leiden. Tijdens de vervaardiging is bij het samenstellen van het frame, het draaiwerk toegevoegd terwijl de stoelverbindingen zonder lijm werden getoogd met rotan pennetjes. De lederen bekleding is niet origineel maar blijkt al wel generaties lang op het meubel aanwezig. Het is vrijwel zeker uit te sluiten dat het vrij gebruikelijke rotan vlechtwerk, als zitting dienst heeft gedaan omdat er geen sporen worden aangetroffen die daar op wijzen. Ook de mogelijkheid van een los zittingraam kan worden uitgesloten omdat het snijwerk in de rugstijl tot de bovenkant van de huidige zittingregel doorloopt en het aannemelijk is dat men daar geen zittingraam tegenaan heeft geplaatst. Ook uit de aanwezigheid van diagonale krassen op de bovenzijde van de voorpoot, die het centerpunt bepalen ten behoeve van het draaien, blijkt dat de voorpoten niet extra hoog zijn vervaardigd om eventueel een zittingraam op zijn plaats te kunnen houden. Op de regels zijn aan de onderzijde wel sporen te herkennen van eerder aangebrachte singels. Dit leidt tot de conclusie dat oorspronkelijk een gevulde stoffering is aangebracht, een uitzonderlijke toepassing in Indonesië omdat meestal sprake is van losse kussens en /of gevlochten zittingen. Object ten tijde van ontvangst De uitgedroogde en door spijkers (roest) aangetaste lederen bekleding is behandeld door de lederrestaurator. Mede op zijn verzoek is de restauratie van het ‘stoffeervlees’ aan de bovenzijde van de regels in overweging genomen. De randen waren geheel vernageld en vol met geoxideerd ijzer waardoor er geen mogelijkheid was om het leder opnieuw op geruikelijke wijze op de stoel te bevestigen. Van het snijwerk ontbrak een gedeelte op de linkerzittingregel. De rechter sport was niet meer aanwezig. De verbinding met de achterstijl en de rechterzijregel had het huis al in een vroeg stadium na de vervaardiging doen scheuren. De breuk was eerder met spijkertjes vastgezet en getuige het in de breuk aanwezige vuil, al snel weer afgebroken. De breuk bleek ontstaan te zijn doordat de pen was hol gekrompen. Hij paste dus niet vrij in het gat en heeft de wanden open gewrongen. De stoel is geruime tijd geleden ‘kaalgehaald’. Van het polychroom zijn nog fragmenten onder de stoffering gevonden. Restjes van de kleuren rood, bruin en groen maar ook goud worden op de stoel aangetroffen. Restauratiewerkzaamheden en de locatie |
||||||
|
Linker zittingregel |
Bovenin, links van het midden, een ontbrekend stukje hout ingelijmd met huidenlijm en pas gesneden. |
|||||
|
Alle zittingregels |
Het aangetaste deel van de regels is vervangen door een met huidenlijm verlijmd latje van teakhout. De aanwezigheid van ‘stoffeervlees’ is een voorwaarde om het leer weer op de stoel te kunnen spijkeren. Gebruik van epoxyhars is geen alternatief omdat de spijkers en de roest en het verpulverde hout dusdanig bindt dat er geen spijkers in kunnen worden gedreven. Het verwijderen van de tot klonten verroeste spijkers en het aangetaste hout was een ander alternatief waar voor is gekozen. |
|||||
|
Rechter sport |
Een replica gedraaid uit Djatihout, gekleurd met Vandijksbruin waterbeits en de pen in het gat met rotan toognageltjes vastgezet. |
|||||
|
Verbindingshuis van de rechterstijl |
Spijkertjes verwijderd. Breuk (met restjes witte grondering voor het polychromeren) schoongemaakt. Breuken verlijmd en overlangs verstevigd met een plakje teak. De hol getrokken pen gecorrigeerd en de verbinding hersteld. |
|||||
|
|
Achtergronden Op Java worden nog steeds voor besnijdenissen lage stoeltjes gebruikt, waarop het te besnijden jongetje als hoofdpersoon en als koning voor één dag tijdens de plechtigheden moet tronen. Zijn troon is een lage stoel met sierend, vaak gepolychromeerd snijwerk. Laag, omdat een Javaanse troon niet hoog hoeft te zijn, daar de hofhouding toch in eerbiedige houding op de grond zit. Polychroom beschilderingen van rood gelakte gladde delen en geaccentueerd verguld snijwerk zouden zijn toegepast door de Hokkiën Chinezen, die de bruikbare efficiënte meubels op Java produceerden. Deze Chinezen zijn en waren merendeels Hokkiën Chinezen, afkomstig uit de Chinese provincie Fukiën. Een belangrijk specifiek kenmerk is de combinatie van rood gelakte gladde delen en geaccentueerd verguld snijwerk. Waarschijnlijk is dit gezien de sporen, ook de oorspronkelijke polychrome afwerking van het besnijdenis-stoeltje geweest. In Batavia gebruikten de Chinezen naast de gebruikelijke vernuftige verbindingen ook de toognagel, het houten pennetje om pen en gat verbindingen te vergaren. De voorpoten van het besnijdenis-stoeltje doen enigszins denken aan de Raffles-stoel. Deze armstoel lijkt te zijn geëvolueerd uit een Indiase nabootsing van de Sheraton stoel. Thomas Sheraton (1751 –1806) had met zijn ‘The cabinet makers and upholsterer's drawing book’ (4 dln., 1791–1794) een grote navolging in de 19de eeuw. Tussen 1811 en 1815 was Java onder bestuur de engelse luitenant-gouverneur Sir Thomas Raffles. De stoel dankt mogelijk zijn naam aan hem maar mogelijk ook aan het Engelse woord raffle, dat verloting betekent. Deze manier van verkopen kwam vroeger veel voor in Nederland, Engels-Indië en Nederlandsch-Indië. Javateak of Djati is teakhout van de Tectonagrandis ofwel de IJzerhardfamilie. Wegens zijn gunstige eigenschappen (o.a. hoge duurzaamheid, het weinig onderhevig zijn aan trekken en werken) staat het bekend als een van de beste houtsoorten ter wereld. Vers gekapt kernhout is groenachtig geelbruin; bij blootstelling aan licht verdwijnt de groenachtige kleur en wordt het hout goudbruin. De nerf van het hout is vrij grof; de draad is gewoonlijk recht, maar kan ook weleens golvend en onregelmatig zijn. Het hout bevat olieachtige stoffen, waardoor het enigszins vettig aanvoelt. De geur van teakhout is typisch leerachtig. Teak kan zeer moeilijk te bewerken zijn; afhankelijk van het kalk- en kiezelgehalte worden de gereedschappen snel of minder snel stomp. Het hout is goed te draaien, steken en snijden; het kan vrij goed gespijkerd en geschroefd worden. Bronnen Eliëns, 2002 – Titus M. Eliëns e.a., Wonen op de Kaap en in Batavia 1602 - 1795, boek ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling, Zwolle / Den Haag 2002. Heilig, 1985 – P.M. Heilig e.a., Hout vademecum, Naarden 1981. Terwen, 1985 – J. Terwen-de Loos, "Het Nederlandse koloniale meubel", Studie over meubels in de voormalige Nederlandse koloniën Indonesië en Sri Lanka, Franeker 1985. |
|||||
|
|
Secrétaire à abattant eerste helft 18de eeuw, Duitsland |
|||||||||||
|
|
Berken schrijfkast met laden interieur achter een uitklapbaar schrijfblad dat is voorzien van vervilt laken. Boven het blad is een lade aangebracht, in de onderbouw bevinden zich drie laden waarvan de fronten niet in het zelfde vlak liggen. De kast lijkt vervaardigd te zijn in het noorden van Duitsland. In het stadsmuseum van Lubeck bevindt zich een dergelijke secretaire met een op dezelfde wijze vormgegeven klepfront. Opvallend zijn de verspringende vlakken en de sterk architecturale vormgeving. Biedermeier De kast vertoond sterke biedermeier kenmerken. Als reactie op de hofstijlen en vanwege de toenemende vraag naar knus en huiselijk meubilair ontstond in het begin van de 19de eeuw een burgerlijke stijl die door de tijdgenoten als Weense stijl werd betiteld. Pas in 1891 werd de naam Biedermeier als stijlaanduiding door kunsthistoricus Heinrich Riehl geïntroduceerd. Evenals bij de gelijktijdig in Frankrijk ontworpen Louis-Philippe meubels, herinneren de biedermeier meubels aan de vormen van de empirestijl met lichtgebogen, ononderbroken lijnen. De toegevoegde decoratie is echter soberder en van minder kostbaar materiaal vervaardigd. De houtsoorten zijn over het algemeen het donkerrode mahonie en lichte goudgele houtsoorten zoals berken, esdoorn en diverse fruithoutsoorten zoals ook het hier gebruikte kersen. Bij voorkeur werd hout van eigen bodem gebruikt. Biedermeier bleef niet uitsluitend beperkt tot Wenen. De stijlvorm verspreidde zich via Duitsland als een vlek over Europa, onder meer in Berlijn en Mainz, van oudsher een belangrijk meubelcentrum in Zuid-Duitsland, en in de noordelijke Hanzesteden zoals Lubeck. Daar waren de burgers net als die van Antwerpen en Amsterdam reeds eerder vrijgevochten en al op weg om een eigen traditie en leefstijl op te bouwen. Bovendien hadden zij via de zeehandel meer contact met Engeland en stonden dus ook onder Engelse invloed. Iedere streek had als het ware haar eigen Biedermeiervariant. Soms werden decoratieve motieven veranderd, bijvoorbeeld in de marqueterie, maar doorgaans bleven zij geometrisch van aard. Vooral het ovaal of de lier vorm was populair, maar ook de cirkel, de rechthoek, de trapeziumvorm en het ojief werden vaak gebruikt. Het object ten tijde van ontvangst Een belangrijk probleem vormde de dwars op elkaar verlijmde onderdelen die verschillend krimpen en uitzetten. Er ontstonden gezien de eerdere restauraties bij herhaling kieren in de zijden en de klep. Ook onderdelen krimpen los omdat bij de constructie onvoldoende rekening is gehouden met deze eigenschappen van het hout. De oorspronkelijk zwarte sleutel entrees waren bij een eerder restauratie vervangen door een bruinrood gekleurde stopverf die ik ook in de krimpscheuren van de zijden aantrof en nog later afgedekt met metalen entree's. De poten waren niet compleet aanwezig. De achterpoten stonden los onder de kast terwijl van de voorpoten alleen het gebolde onderdeel aanwezig was. Werkzaamheden Een reconstructie voor de poten is gemaakt op basis van de sporen onder de kast en beeldmateriaal van vergelijkbare kasten in de literatuur. De diverse los gekrompen onderdelen zijn weer verlijmd waneer dit voor de stijfheid van de constructie van essentieel belang was. Daarnaast zijn krimpvrije oplossingen toegepast. De scheuren die esthetisch als hinderlijk werden ervaren zijn gevuld met hout en opkleur gebracht. Hoewel is gebleken dat het iepenhout door houtworm is aangetast blijkt de kast afdoende te zijn behandeld tegen dit insect. Er is geen actieve houtworm aangetroffen. Scheuren zijn hersteld, poten gereconstrueerd, het interieur is opnieuw in de juiste positie geplaatst, de positie van de scharnieren is hersteld, de losse onderdelen van scheluwe kap weer tot een acceptabel geheel verlijmd, de ladegeleiding is gecorrigeerd, de slotvang hersteld, een sleutel van de klep is bijgemaakt, het laken terug geplakt, de achterzijde stofdicht gemaakt, kleurverschillen zijn geretoucheerd en het geheel is in de was gezet |
|||||||||||
![]()
Een gesigneerde penanttafel 1766, Utrecht. |
|
|
|
Deze penanttafel maakt deel uit van het interieur van het Fundatiegebouw van de Stichting Maria Duijst van Voorhout ook bekend onder de naam De Fundatie van Renswoude te Utrecht. Het meubel vormt een set met een tweede tafel en twee bijbehorende hoge spiegels. Zij staan nog steeds op hun oorspronkelijke plaats voor de penanten in de Regentenzaal. De set is gebeeldhouwd uit eiken frames die nu gepolychromeerd zijn met lichtgroen en goud. De tafels zijn voorzien van een donkergrijs hardstenen blad en met bouten en vleugelmoeren aan de muur bevestigd. Het gesigneerde exemplaar bevindt zich aan de Agnietenstraatzijde voor de linker penant. De linker stijl van de tafel is aan de onderzijde, en de rechter stijl aan de bovenzijde gestempeld met de letters MVD. De tafel is in centimeters gemeten: 89 hoog, 78 breed en 49 diep. De bij de Utrechtse Meesterbeeldhouwer Arnoldus Koopman (....., Utrecht 1805) bestelde penantmeubelen zijn begin 1766 geleverd. Bij de door mij uitgevoerde restauratiewerkzaamheden aan deze penanttafel, ontdekte ik op twee plaatsen een gestempeld monogram. Over de betekenis van de signering was tot dat moment binnen de instelling niets bekend. Uit mijn onderzoek bleek dat dit exemplaar in verband kon worden gebracht met een élève (leerling) van de Fundatie. In 1761 nam de eerste groep leerlingen in het Fundatiehuis zijn intrede waaronder Matthijs van Dijk (Utrecht 1745, Schiedam 1800) die als wees opgenomen was geweest in het Ambachtskinderhuis. Hij kreeg in het fundatiehuis onderricht in schetsen, ontwerpen, boetseren, beeldhouwen en beeldsnijden. In 1763 was zijn beroepskeuze "timmeren" waartoe hij op 13 juli "op ambacht" ging bij Arnoldus Koopman. Hij werkte bij Koopman in de periode 1763-1770. Omdat de op de penanttafel aangetroffen letters M V D, overeenkomen met zijn initialen, is het zeer waarschijnlijk dat hij in belangrijke mate aan de set penantmeubelen heeft gewerkt en deze penanttafel alleen heeft vervaardigd. Men spreekt bij deze constatering van "een toeschrijving" omdat wel een document van levering door Koopman aan de Fundatie bekend is maar geen document of ander bewijs waar de precieze rol van Matthijs van Dijk uit blijkt. Naast het werkstuk van Matthijs zijn in het gebouw diverse objecten van andere leerlingen aanwezig waaronder een staand-horloge, een piano-forte, schilderijen en tekeningen. Een van de medeleerlingen heeft Matthijs tijdens de tekenles geportretteerd met naast hem één van zijn gesneden werkstukken en zijn beeldhouwersgereedschap. Op 18 oktober 1771 toen hij 26 jaar oud was, verhuisde Matthijs van Utrecht naar Schiedam. Hij trad als enige beeldhouwer toe tot het Lucasgilde en was tot 1782 lid. Hij had in 1781 een betrekking gekregen als schoolmeester van het Hervormd Weeshuis daarnaast was hij tekenleraar. Het is niet duidelijk of hij bij het uittreden uit het gilde ook zijn werkzaamheden als beeldhouwer beëindigde. Hij overleed op 23 augustus 1800 te Schiedam. Van Drie, 2000 – V. van Drie, In de Voetsporen van de Meester, Oude Utrecht 73 (2000) pp 93 - 98 |
|
|
DDT, kristallen op museale objecten Tijdens een museum-inventarisatieproject dat ik met Nico Hijman uitvoerde, werden uit de deelcollectie meubelen & objecten van hout 600 objecten geselecteerd. Tijdens de opname troffen wij in het bijzonder op de niet-afgewerkte houten oppervlakken veelvuldig een witte waas aan die in eerste oogopslag op schimmel of stof leek. Vooral op kops hout waren het flonkerende karakter, als bij rijp in de winter, en de soms netachtige structuur goed waarneembaar. Onder een vergrootglas constateerden wij de aanwezigheid van zeer fijne kristallen. Nader onderzoek van genomen monsters toonde in het laboratorium van het ICN de aanwezigheid van het pesticide DDT aan. Op ruim 40% van de beoordeelde 600 objecten werden deze DDT-kristallen aangetroffen. Pas de laatste jaren is duidelijk geworden dat het insecticide, waarvan men ooit dacht dat het opgesloten in het hout zijn preventieve werk zou doen, naar het oppervlak migreert. Het vermoeden bestaat dat deze migratie wordt bevorderd door fluctuaties in relatieve luchtvochtigheid en temperatuur. Als de stof in de vorm van kristallen aan het oppervlak verschijnt, spreekt men van uitbloei. Men kan aannemen dat de uitbloei pas zal stoppen als alle DDT uit het hout naar het oppervlak is gemigreerd. Aangezien het gebruik sinds 1973 verboden is diende de vraag zich aan welk risico voor de gezondheid bestonden voor bezoekers en medewerkers en welke maatregelen moesten worden genomen. De DDT is zeer persistent met een lipofiele eigenschap: bij contact wordt het in de huid opgenomen en cumulatief in het vetweefsel opgeslagen. Daarnaast heeft het mutagene en carcinogene eigenschappen en beschadigt het het zenuwstelsel. Vanwege de lage dampspanning van de stof is het zeer weinig vluchtig en aanwezigheid in de lucht valt niet te verwachten tenzij door gebruik, schoonmaak of trillingen de DDT-kristallen loskomen van het oppervlak en in de lucht worden gebracht waarna zij zich door convectie en luchtverplaatsingen in de ruimte kunnen verspreiden. In afwachting van grootschalige toepasbaarheid van een methode voor complete verwijdering van is een professioneel schoonmaakbedrijf overgegaan tot verwijdering van de kristallen door middel van borstelen en afzuigen. De integriteit van het object is met de beoogde methode het meest gewaarborgd. De wijze van reinigen is toepasbaar op alle oppervlakken waar DDT is aangetroffen. Voorafgaand aan de uitvoering is in verband met de arbeidshygiëne een protocol opgesteld. Hierin wordt is opgenomen: het gefaseerd uitruimen en systematisch schoonmaken, het gebruik van een afgesloten reinigingsruimte (containment) met afzuigunit, het hanteren en plaatsen van de objecten, het omgaan met kwetsbare delen, het afvoeren van chemisch afval, etc. Het museum gaat er vanuit dat schoonmaak handelingen door meubelrestauratoren uitgevoerd dienen te worden. Zij zijn immers geoefend in het hanteren van deze objecten en kunnen de eventuele risico's vroeg onderkennen en helpen voorkomen. Na de schoonmaak zullen de normale beheer- en behoudstaken weer kunnen worden uitgevoerd. Hijman, 2004 – Nico Hijman en Vincent van Drie, Verwijdering van DDT kristallen, start van een pilot project, Cr jaargang 5, nr I (2004) pp 93 - 98 |
![]()
|
|
Het inventariseren van een museale deelcollectie Wij hebben ruime ervaring met het inventariseren van de conditie van meubelen en houten objecten. Dergelijke projecten worden door mij gezamenlijk met Nico Hijman uitgevoerd. Daarbij gaan wij als volgt te werk: Iedere locatie of ieder locatieonderdeel krijgt (of heeft) een nummer. De daarin aanwezige objecten worden zoveel mogelijk linksom (met de klok mee), van buiten naar binnen doorgenomen. Dus de route te beginnen naast de toegang, langs de wanden en eindigend in het midden. Uitgaande van een vaste opstelling, zijn met behulp van de door ons aangeleverde inventarisatiegegevens, de knelpunten gemakkelijk aan te geven en is de verblijfplaats van de objecten eenvoudig te vinden. In het vooroverleg wordt bepaald welke gegevens, op welke wijze door ons moeten worden vastgelegd. Op basis van dit concept wordt door ons een registratiedocument ontwikkeld om de gegevens vast te kunnen leggen en eenvoudig te kunnen interpreteren. De gegevens worden digitaal per labtop vastgelegd. Naast de actuele conditie van de deelcollectie kunnen alle op de objecten aangetroffen verwijzingen naar herkomst of vervaardiging eveneens in het bestand terug worden gevonden. Bijkomende wetenswaardigheden die wij vanuit onze ervaring als meubelrestauratoren waarnemen worden tevens toegevoegd.
De objecten kunnen bijvoorbeeld worden beoordeeld op de volgende punten:
Tijdens tussentijdse evaluaties met de conservator worden urgente zaken en bijzondere ontdekkingen mondeling toegelicht. Tenslotte volgt de presentatie die zal worden vergezeld van een uitgebreid advies. De uitkomst van de inventarisatie is een degelijke basis voor toekomstig beleid. |
|||
![]()
Laatst gewijzigd: woensdag 3 november 2004