|
| |
De YMCA in Calcutta ligt aan een drukke weg tegenover een park, het Maiden, de
longen van deze overvolle en totaal vervuilde stad waar de wortels van planten die uit de
op instorten staande huizen groeien, de bakstenen bij elkaar houden. Het park is er
slechter aan toe dan de longen van een notoire roker: elk blaadje, elke stam, elk
grassprietje is grijs van de bedwelmende uitlaatgassen die uit de niet afnemende stroom
oude en verroeste Ambassadors walmen.
Bij het betreden van de trap van het oude koloniale gebouw, waar eens Victoriaans
geklede Engelse dames met hun chaperonnes of echtgenoten vol wulpse verwachtingen omhoog
schreden om deel te nemen aan wat uiteindelijk weer de zoveelste puriteinse party zou
blijken te worden, knipper ik met mijn ogen om aan de duisternis te wennen die geheel
onverwachts de trap bekleedt. De overgang tussen de hels verlichte drukke straat naar deze
verstilde donkerte is te groot om in eens te nemen. De trap komt uit op een grote zaal
waar de flamboyante schaduwen uit het verleden het gewonnen hebben van de meedogenloze
tropenzon.
Nadat mijn ogen zijn gewend ontwaar ik enkele slordig neergezette tafels en stoelen
en achter in de zaal nog een trap. De stem van een man echoot door de macabere ruimte,
"what do you want, sir?" Wel, wat wil men in een hotel, "a room", zeg
ik en ontwaar de man achter een halve deur met een plank overdwars: moet ooit de garderobe
zijn geweest maar is nu opgesplitst in kleine hokjes. Hij kijkt me aan, draait zich om
naar een bord waaraan sleutels hangen voorzien van houten plankjes met nummers erop, kiest
er een uit en schuifelt achter zijn plank vandaan. "Come with me, Sir", en ik
volg de oude man met wit jasje vol vetvlekken, rafels en kleine scheurtjes: de zoveelste
ambtenaar die door de christelijke YMCA aan een pensioentje wordt geholpen.
We schuifelen de trap op, tijd slijt, net als de treden van deze trap en zijn tred.
Eindelijk boven gekomen bevinden we ons in een gang met zo'n twintig deuren waarvan hij er
een opent. Ik ontwaar een hoge kamer waar het zonlicht zich in een harmonicapatroon op de
grond genesteld heeft. Een kolossaal bed, twee rieten rokerstoelen, een tafel met stoel en
de altijd aanwezige ventilator aan het plafond. Op de achtergrond het kermen van Calcutta
als in een oude Amerikaanse speelfilm. Hij drentelt naar binnen en opent de deur naar de
badkamer. Een zaal. In de verte ontwaar ik de wc, recht tegenover me de douche en
daartussen een bad op elegante pootjes. Bruine sporen verraden verroeste leidingen.
"Ik neem de kamer", zeg ik en de man maakt een overbekend gebaar, hij
wiebelt met zijn hoofd van links naar rechts en zegt, "Atja, atja", wat zoveel
als oké betekent. Ik schrijf me in, iets wat te lang duurt want ik verlang naar een
douche en niet naar de eindeloze paparassen van de Indiase administratie. Ik kom er niet
onderuit. "Hier komt ook de schaakclub van Calcutta bijeen" zegt de man opeens
enthousiast. "Op het balkon, elke avond". Ik glimlach en zeg dat het mijn
favoriete sport is en dus mooi uitkomt.
Terug in mijn kamer open ik de louvreluiken een beetje en zuig de vervuilde lucht van
mijn favoriete stad diep mijn longen in. Vervolgens pak een deel van mijn bagage uit, zet
de ventilator op tien, kleed ik me uit, stap de overgrote badkamer in en open de kraan van
de douche. Er klinkt een onrustbarend gerommel in de waterbuizen maar er komt niets. Ik
sta met mijn gezicht richting douchekop, verlangend naar vuilverwerkend water: niets. Geen
druppel. Het gerommel stopt. Ik vloek, kleed me weer aan en halverwege de trap besluit ik
kalm te blijven.
In Bombay is er een hotel dat "The Rits" heet. Toen ik daar de lade van
het bureautje op mijn kamer opentrok stond er in geschreven "als je dit (Bombay)
overleeft overleef je alles". De douche was op de gang. De douchekop had een
doorsnede van vijftien centimeter en gaf een heerlijke straal water die op een heftige
moesson leek. In Cuenca, Ecuador zat er een verwarmingselement in de douchekop en met
gevaar geëlektrocuteerd te worden, nam ik dagelijks een snelle douche. Het warme water
druppelde uit de douchekop die een oorverdovend en onheilspellend lawaai maakte. Twee
dikke kabels liepen vanuit de muur naar de douchekop, waar ze met hun ontblootte uiteinden
instaken. Vlak bij Ibarra ten noorden van Quito ligt een klein hotel verboren in de
uitlopers van een vulkaan. De douche daar wordt gevoed door het door de vulkaan opgewarmde
water. De geweldige kracht van de straal water wierp me er bijkans tegen de douchemuur. De
beste douche die ik ooit had.
Beneden begin ik tegen het oude mannetje te klagen. "Er komt geen water uit de
douche, mijnheer en ik zou werkelijk heel graag een douche willen nemen!" Zeventien
uur bedompte trein heeft zijn uitwerking op mijn lijf niet gemist, ik stink.
"We hebben vierentwintig uur per dag water hier, ik kom met u mee" ,
antwoordt hij beslist en weer schuifelen we naar boven. Hij opende de kraan van de douche:
geen water. "Ik geef u een andere kamer", zegt hij overtuigt van het mankement.
De bekende Indiase oplossing, niet repareren maar gewoon een andere kamer. Het maakt
me niet uit, hoeveel lampen heb ik hier al niet gerepareerd. Spiegels schoongemaakt,
leidingen aangesloten. In een land waar water zeldzamer is dan malaria lekken kranen
duizenden kostbare liters water het riool in. Vandaag heb ik geen zin in reparaties.
Het mannetje sloft mopperend de kamer uit op zoek naar een andere sleutel. Ik begin
mijn bagage weer in te pakken. Opeens hoor ik het zacht gedruppel van water, eerst nog
langzaam dan sneller. Verheugd kijk ik op. Het gaat over in zacht geplens, dan harder,
kinderen die buiten aanstekelijk gillen van het lachen, vervolgens hoor ik meedogenloos
kletterend, bruisend water. Ik begin met de kinderen mee te lachen. Voorlopig geen gebrek
aan water meer: De moesson is begonnen
.
Home Paintings
C.V. Reisverhalen inhoud
|