Hegel.

22 januari 2011


Alles is uit tegenstellingen opgebouwd.

Hegel is een dialectisch filosoof. Hij denkt dat alles uit tegenstellingen is opgebouwd. Zo is het begrip hoog alleen te denken met het begrip laag daarbij, goed alleen maar met kwaad, mooi alleen maar met lelijk, man alleen maar met vrouw, ouders alleen maar met kinderen. Je kan ook zeggen: bij elk ding hoort iets bij wat er noodzakelijk bijhoort. Bijvoorbeeld: een boek heeft geen zin als er niet iemand is die leest. Dus boek en lezen behoren noodzakelijk bijelkaar. Ze vormen een noodzakelijke eenheid. Dus van het ene kom je noodzakelijk op het andere. Of ook: dingen horen bij elkaar. Alles is met elkander verbonden. En dat is natuurlijk ook het wezen der logica, dat de dingen en ook dat gedachten met elkaar verbonden zijn, niet naar hun toevalligheid, maar als noodzakelijkheid.
Maar Hegel ziet die noodzakelijkheid met name in de tegenstelling en dan ook verder in de eenheid daarvan.


hegel.png



Portret van Hegel met daarbij een voorstelling van zijn totaal systeem: de these is de Logica, de antithese de Natuurfilosofie en de synthese is de Geest.
Wat hier echter ontbreekt is het zwarte driehoekje in het midden, dat het totale systeem moet voorstellen, maar geen inhoud heeft.
Zoals de twee-eenheid over gaat in een derde, zo gaat de drie-eenheid van Hegel over in een vierde, dus een vier-eenheid als eenheid van de totaliteit.
Dit dan volgens mij.
De eenheid van Hegel is slechts abstract geestelijk als hoogtepunt en hij meent dat de mensheid in zijn systeem slechts op deze hoogte eindeloos door kan gaan alles te begrijpen.*
Of zijn volgelingen hebben dat zo beweerd.
Maar tegenover de geestelijke eenheid komt de natuur te staan, vooral in de natuurwetenschappen met onder andere de evolutietheorie waar Hegel geen begrip voor kon opbrengen.
En de Geest moet uit zijn absolute hoogte weer indalen in de Natuur** en zichzelf daar als een oneindige veelheid vinden: de microwezentjes.
En dat is mijn atoomtheorie.


*Hegel benoemt die totaliteit overigens steeds wel, maar dat komt niet apart uit de verf, maar slechts als begin, zo benoemt hij de drieslag: Sein, Dasein en Fürsichsein (zijn, er-zijn en "voor zich zijn") als Erste Abteilung (eerste afdeling): Die Lehre vom Sein (de leer van het zijn), wat eigenlijk alleen de these is en als hoogtepunt het Fürsichsein zou moeten zijn en de totaliteit als benoeming dus eigenlijk ontbreekt.
 
**De natuur wordt uitgedrukt in het getal 4, overeenkomstig mijn idee van de vierde als de totaliteit, maar ook zo dat het onderscheid (wat overigens ook in het getal 2 wordt uitgedrukt), weer opnieuw wordt opgenomen in een verdere antithese van de wetenschap en een nieuwe synthese in mijn atoomtheorie.
En het systeem van Hegel dan ook zijn accent heeft in de Logica, vanwaar uit hij de rest: natuurfilosofie en geest, behandelt.
Overigens is die antithese niet alleen in de natuurwetenschappen te vinden, maar heeft zich ook ingezet in de filosofie zelf met Schopenhauer en Nietzsche, verder ook in de politiek met Marx (die zowel de negatie is van Hegel als ook van het liberalisme), maar ook met Hitler.

 
 
Friedrich_Hegel_mit_Studenten.jpg


Hegel met zijn studenten.



Het bepalen van een stuk land, bepaalt tevens het land daar buiten.

Ik herinner me dat ik me dat vroeger aldus had voorgesteld: als ik een terrein of een stukje veld op een grote vlakte bepaal, dus letterlijk afpaal met palen en een hek, dan bepaal ik tevens het land daarbuiten, dat daardoor ook bepaald wordt. Met het ene doe ik ook het andere. En het bepalen is daarmede tevens een beperken. Het bepalen is dan positief en het beperken negatief.

Over negatieve en positieve wetten: verboden en geboden, plichten en rechten.

Je zou dit ook van de wet kunnen zeggen, die bepaalt wat je niet mag doen, maar daardoor ook wat je wel mag doen. In dit geval is dat bepalen dus eigenlijk verkeerd gebruikt, want bepalen is positief en niet-doen is negatief.*
Zo zijn de wetten van Mozes uit de Bijbel voornamelijk negatieve wetten, bijvoorbeeld dat je niet mag liegen (vals getuigen, maar zeggen dan meteen wat je wel moet doen, namelijk de waarheid zeggen.**)
Zegt de wet dat je niet mag stelen, dan houdt dat tevens in dat de mens recht heeft op eigendom. En rechten impliceren dat er ook plichten moeten zijn, want de ander heeft dan de plicht dat eigendomsrecht te respecteren.
Nu staan er ook wel positieve plichten in de Bijbel, zoals dat kinderen hun ouders moeten eren, dus deze niet mogen schofferen. Maar het staat er niet andersom dat de ouders ook hun kinderen moeten eren.
Vergelijken we nu verboden en geboden, dan zijn dat allebei plichten en plichten zijn een dwang. Daar staan tegenover de rechten, die niet gedwongen worden, maar die je mag laten gelden naar eigen goeddunken, dus je kan het doen of je kan het laten.
Maar Hegel zegt dan weer dat het doen gelden van je rechten ook een plicht is en je plicht doen ook een recht is.

*Overigens ook zo dat je volgens de dialectiek alles om kan keren, dus zo dat het beperken evenzeer een bepalen is, en het bepalen een beperken.
Met concrete werkelijkheden wordt dat wel een beetje moeilijker, want kunnen we zeggen dat de man ook een vrouw is en andersom?
Nu wel dat in bepaalde opzichten de man ook vrouwelijk is en de vrouw ook manlijk kan zijn. En de geslachten van man en vrouw lijken in ieder geval veel op elkaar, alleen bij de man naar buiten en bij de vrouw naar binnen gericht.
Maar bijvoorbeeld bij licht en duister zo, dat je bij volstrekt licht even weinig kan zien als bij duisternis. En zo zijn er vele voorbeelden waarbij die omkering wel degelijk op gaat. Maar er tevens verschil is tussen beide.
Het gaat dan vaak om een bepaald aspect dat bij de ander ook te vinden is, maar dan toch ondergeschikt, hoewel ook dat anders kan zijn, want er zijn vrouwen die manlijker zijn dan de mannen zelf en andersom.

**Het commentaar van Hegel hierop is dat je de waarheid dan wel moet kennen.


Hegel01-eigen-schilderij.jpeg


Nogmaals een portret van Hegel.


De dialectiek als kunst van het redeneren.

Zo kun je door van een gedachte of een ding het tegendeel op te zoeken, het denken en de dingen ontwikkelen naar hun logische structuur. Dit gebeurt overigens spontaan in de realiteit daar waar mensen van mening verschillen, want als de een iets beweert dan wil de ander graag het tegendeel beweren. En daar komt het begrip: dialectiek ook vandaan, namelijk als zijnde de kunst van redeneren door middel van argumenten het tegendeel van iets aan te tonen. Met als gevolg dat de filosofie in een kwaad daglicht kwam te staan de waarheid niet te kennen, want als allen van mening met elkander verschillen dan weet niemand hoe het werkelijk zit. En Socrates zegt dan ook zelf: "Het enige wat ik weet, is dat ik niets weet".

De wereld hangt van tegenstrijdigheid aan elkaar.

Maar niet alleen in de filosofie, maar ook in de politiek en ook in de gewone dagelijkse werkelijkheid plegen de mensen van mening te verschillen. Ook in de wetenschap verandert men nog wel eens van mening, want veel van wat men vroeger dacht is nu veranderd. Ook daar komen er steeds nieuwe gedachten bij en waardoor oude ideeën in een ander licht komen te staan of blijken faliekant onjuist te zijn geweest. Ook daar is strijd, vooral als er nieuwe ideeën opduiken die vaak eerst hartnekkig worden bestreden of volkomen genegeerd.
En verder ook in de politiek waar men elkaar bestrijdt met tegengestelde visies, zoals die bestaan tussen links en rechts, maar er anderzijds ook wel een eenheid ontstaat en men aan eigen tegendeel niet ontkomt, zoals men in het communisme, wat eigenlijk de dictatuur van het volk moest zijn, de enkeling Stalin als dictator boven zich ziet geplaatst, die zelfs een absolute vrijheid in zijn eigen willekeur uitoefent en als één individu liberaler is dan het liberalisme zelf.
En het liberalisme als vrijheid van het individu, toch ook een volksbeweging is en de belangen van de arbeiders als afnemers van zijn producten toch in zijn eigen belang is gebleken. En het liberalisme uiteindelijk socialer is geworden dan het communisme, en het communisme in het Westen dan als socialisme meer en meer naar rechts is geschoven. Maar ook in China, waar het deels kapitalistisch is geworden.
Kortom: uiteindelijk doordringen ze elkaar tot een eenheid en de eenheid als zodanig is dan eigenlijk de boven hen staande staat*, die beide moet zien te bevredigen en nog hoger de religie als synthese van subjectieve geest (individu) en objectieve geest (de staat) als absolute geest in Hegels systeem.

*Maar wel weer met de tegenstelling dat rechts de staat beperkt wil zien en links deze juist wil versterken. 

De relativiteitstheorie.

En de dialectiek is ook in de wetenschap te vinden, ook al noemt men het anders, namelijk de relativiteitstheorie en dat is eigenlijk hetzelfde als wat Hegel beweert: alles hangt samen met eigen tegendeel*.
Als ik op straat loop en dus beweeg, dan mag ik volgens Einstein ook beweren dat ik zelf stil sta en dat omgekeerd de straat beweegt en niet ik.
En dat is ook al bij Hegel te vinden: als een schip op zee vaart, dan beweegt omgekeerd het schip zich ten opzichte van de zee.
Dit is overigens niet nieuw en werd ook al beweerd door de Griekse filosoof Zeno, maar bij hem iets gecompliceerder en samen met het probleel van de oneindige deelbaarheid.**

**Alleen bij Hegel is de relativiteit de antithese en het begrip de synthese (in de drieslag: zijn, wezen en begrip, dus met het wezen als relativiteit in bijvoorbeeld positief en negatief, waarin de betrekking met eigen tegendeel ook duidelijk uitgedrukt wordt - zie Logica van de encyclopedie paragraaf 114).
Dus zo dat bij de relativiteit nog het begrip der eenheid ontbreekt, wat mijns inziens ook wel blijkt uit de tegenstrijdigheid van die theorie.


Zeno.

**Zeno bewijst dat beweging niet bestaat, in het boek van Hegel (Geschichte der Philosophie, deel I  bij Zeno), aan de hand van vier voorbeelden.*
In het vierde toont hij aan dat twee objecten die in tegengestelde richting ten opzichte van een derde, die stilstaat, bewegen, de tegengestelde beweging twee maal zo snel gaat als beide apart tegenover de stilstaande (ik: wat ook wel zo logisch is), dus dat een dubbele snelheid aan beweging gelijk is aan de helft ervan, wat in wezen gelijk is aan de relativiteit van Einstein, maar dan zo dat beweging ook stilstand is).
Het voorbeeld is wel wat flauw en gemakkelijk te doorzien, maar een goed voorbeeld der relativiteit.
Eigenlijk is de theorie van Einstein wat de beweging als zodanig betreft ook erg flauw, maar enfin: door ook nog eens de lichtsnelheid erbij te betrekken, die dan wel absoluut zou zijn (het absolute heelal wordt dan vervangen door de absoluutheid van de lichtsnelheid), is de hele theorie zeer ingewikkeld geworden, maar nochtans mijns inziens tegenstrijdig gebleven.

*Het eerste is de redenatie dat bij een beweging naar een bepaalt doel eerst de helft afgelegd moet worden en daarvoor weer de helft daarvan, tot in het oneindige, dus een oneindig klein stukje als eerste, wat echter niet kan, omdat dit bij een oneindige deling niet te bereiken is, oftwel: er bestaat niet zoiets als een tweede punt naast het eerste punt van vertrek, want die vallen of in één bijelkaar of ze liggen op een bepaalde afstand van elkaar af, die weer gedeeld moet worden.
Het tweede is het bekende verhaal dat Hercules de schildpad niet kan inhalen omdat als Hercules bij de schildpad is aangekomen, deze een stukje verder is, en dat zich tot in het oneindige herhaalt, wat dan echter niet bereikbaar is. Zodat beweging onmogelijk is omdat deze op een oneindige gedeeldheid moet berusten.
Dit is eigenlijk de tegengestelde vorm als de eerste redenering, die het vertrekken onmogelijk maakt, en deze tweede het bereiken onmogelijk doet zijn.
Het derde is het eveneens bekende verhaal dat een pijl niet kan vliegen omdat zijn beweging uit oneindig vele oneindig kleine punten bestaat, die allen voor zichzelf stil staan, dus eigenlijk een oneindige stilstand is, dus zoals een film eigenlijk uit stilstaande beelden bestaat.
Beweging bestaat dus eigenlijk niet.
 

De evolutietheorie.

Ook Galileï kende de relativiteitstheorie al en is door Newton overgenomen. Einstein heeft het dan verder ontwikkeld, maar zeker niet alleen, maar samen met vele andere denkers, die in de schaduw van Einstein zijn verdwenen. Maar verdiep je je daarin dan komt allicht de vraag boven wat nu eigenlijk nog van Einstein is. Met de evolutietheorie is dat ook zo, die aan Darwin wordt toegeschreven, maar al bij de Griekse filosoof Anaximandros bekend was in zijn eenvoud, en verder ook al bij de Duitse filosoof Schelling en bij Lamarck. Alleen is Lamarck in de vergetelheid geraakt doordat hij dacht dat eigenschappen, die in een leven verworven worden, erfelijk zijn, wat niet zo bleek te zijn. Darwin propageerde de idee der natuurlijke selectie, die ook niet van hem was, maar van Herbert Spencer als "survival of the fittest".
Maar het is Mendel die de ware grondslag der erfelijkheid ontdekte in de overdracht der genen. Ik ga nog een stap verder en zeg dat de genen zelf niet zomaar uit het Niets zijn verschenen, maar een product zijn van de microwezentjes.

Hegels voorbeeld van de relativiteit der beweging.

Maar goed: de relativiteitstheorie is eigenlijk een dialectische logica. Het voorbeeld dat Hegel zelf daarvan geeft is dat als een schip op zee vaart, dat het niet alleen zo is dat het schip beweegt, maar ook zo dat het omgekeerde waar is dat de zee beweegt ten opzichte van het schip en dat de passagiers zelf ook het gevoel hebben dat het schip zelf rustig stil ligt. Nochtans is de eerste beweging van het schip ten opzichte van de zee waar en de tweede omgekeerde beweging van de zee ten opzichte van het schip een schijnbeweging. Zou dat niet zo zijn dan zouden we moeten concluderen dat de motor van het schip zo sterk is, dat deze de hele zee onder zich vandaan kan doen bewegen. Of bij een zeilschip zelfs zo dat de zeilen de wind doen vertragen, dus omgekeerd doen bewegen en ook de zee. Dus niet de wind beweegt het zeilschip, maar het zeilschip de wind en ook de zee. Dat laatste voorbeeld van het zeilschip is wat ingewikkelder.

Zoveel heelallen als er waarnemers zijn.

Maar in ieder geval: Einstein maakt geen onderscheid tussen werkelijkheid en schijn, waardoor zijn theorie in hoge mate tegenstrijdig is. In het begin van de opkomst zijner theorie heeft men dat ook zo wel willen zien, want als iedereen gelijkberechtigd is, dan valt het heelal uit elkaar in even zovele heelallen als er waarnemers zijn. En die vele verschillende heelallen zijn dan niet met elkander te rijmen. Een mogelijke oplossing is dan dat er inderdaad eindeloos vele heelallen zijn, zoals ook gepropageerd wordt in de idee der parallelle heelallen van Hugh Everett als consequentie van de kwantummechanica.

De grondslag der waarnemer wordt teruggekoppeld op het heelal als grondslag.

In ieder geval is de kritiek op de theorie van Einstein verstomd, omdat het heet dat die theorie bewezen is. Maar volgens mij zijn die bewijsvoering onvolledig en blijft de theorie op zichzelf tegenstrijdig. Zogenaamd heet het bij Einstein dat elke waarnemer gelijkberechtigd is, maar waar het in feite op neer komt is dat deze zogenaamde gelijkberechtiging toch weer neer komt op het feit dat het heelal de basis is voor het feit of iets al of niet beweegt, alleen heet het dan nu dat de ene de invloed van een bewegend heelal ervaart en de ander niet. Dus de zaak wordt dan alleen omgekeerd, en omdat we het totale heelal niet kennen, blijft het lood om oud ijzer, omdat het best kan dat degene die het heelal ziet bewegen, een veel groter stuk heelal niet zou zien bewegen, dus dat de invloed van het heelal onbekend blijft.

Subjectieve meningen ten opzichte van de objectieve waarheid.

Wat Einstein eigenlijk doet is dit: omdat we geen absolute beweging kennen, omdat ons ook de absolute werkelijkheid van het heelal onbekend is, mag ik zeggen dat elke visie waar is, dus ook wat de sofisten (leraren in de filosofie) deden in het oude Griekenland, die beweerden dat elke mening waar zou zijn, maar daardoor maak je er een potje van en ontstaat tegenstrijdigheid, die opgelost moet worden en daar zit hem de kneep.
Socrates streed daar tegen omdat hij een objectieve waarheid erkende als grondslag boven alle subjectieve meningen.
Ook de moderne tijd is de mening toegedaan dat iedere mening gerespecteerd moet worden en dat ook alle kennis slechts subjectief kan zijn. Dus de opvatting der oude Griekse sofisten is in wezen niks nieuws.
Einstein formuleert het zo dat de objectieve grondslag van het heelal, slechts een subjectieve visie is te midden van alle andere subjectieve visies der waarnemers.

De keizer is slechts een onderdaan en wij zijn allen gelijk.

Dus zoals de keizer slechts een onderdaan zou zijn temidden van alle andere onderdanen. We zijn immers allen gelijk en gelijkwaardig volgens de moderne opvatting, wat niet kan, want als de gezamenlijkheid en daarmede ook de algemene wetten en zij die die algemene wetten vertegenwoordigen, niet meer geëerbiedigd worden, dan is het hek van de Dam. Dan is het: je en jij en jou, en geen U meer, geen respect meer en is de president van een land gelijk aan de eerste de beste visboer. Dus even doorgedacht is dat volkomen onzin. Maar dat is de tijd waarin we leven: alles horizontaal en er zijn geen hoogten meer. Geen mensen meer die boven iedereen uitsteken. Alleen de eigen mening geldt en ook een groot filosoof verkondigt dan slechts een mening, zoals iedereen dat doet. En vertaalt in de wetenschap is dat de relativiteitstheorie. In de politiek zijn dat het liberalisme, het socialisme en de democratie. Niet dat daarin helemaal niks positiefs in zou zitten, maar het is een eenzijdigheid tegenover de vroegere eenzijdigheid. Ook hier zie je de dialectiek der tegengestelde visies, waarbij de eenheid de hogere waarheid is.

Alles is schijn en bestaat uit licht.

Zou het werkelijk waar zijn wat Einstein beweert dan moet ook massa relatief zijn en de waarnemer zelf een oneindige massa hebben om bijvoorbeeld de aarde onder zich weg te lopen. Dit zou mogelijk zijn met een bolheelal der zintuiglijke waarneming. Nochtans is dat een wereld van licht, dus van schijn en niet een van de materiële realiteit, of het zou zo moeten zijn dat inderdaad alles uit licht bestaat (overigens een opvatting van Hegel) en dat de zogenaamde harde materie helemaal niet bestaat.

De ware substantie is het bewustzijn en de materie bestaat eigenlijk niet.

Dat is eigenlijk ook mijn eigen mening, alleen formuleer ik het meer algemeen, namelijk dat de ware substantie het bewustzijn is. Ook ik ben van mening dat materie als zodanig niet bestaat en het bestaan daarvan ook nooit bewezen is en zelfs nooit bewezen kan worden, want alles wat wij ooit bewijzen is ons eigen bewustzijn. Eigenlijk Gods bewustzijn, als denken: zijn Geest.
Maar onder bewustzijn versta ik niet alleen maar het denken, maar ook gevoelens en de zintuiglijke waarneming, anders dan bij Hegel, die voor bewustzijn een specifiek kadertje heeft binnen een groter geheel.*
Overigens zou het niet handig zijn het begrip: materie niet meer te gebruiken, maar het is niet iets zelfstandigs, maar een vorm van bewustzijn.

*Binnen de subjectieve Geest als moment in de driedeling van: A. de Ziel. B. het Bewustzijn. C. de Geest.
Het Bewustzijn is weggenomen uit zijn eerste werk: Phänomenologie des Geistes: A. Bewusstsein. B. Selbstbewusstsein. C. Vernunft.
De "Vernunft" (rede, verstand) bestaat dan weer uit vier afdelingen (niet drie): (AA) Vernunft. (BB)Der Geist. (CC)Die Religion. (DD) Das absolute Wissen.

Over de moeilijke boeken van Hegel en zijn eveneens moeilijke filosofie.
 
De "fenomenologie van de geest" is zijn eerste en meest bekende werk, maar ook het moeilijkste om te lezen en ik kan je niet aanraden daarmee te beginnen. Veel beter te lezen zijn: filosofie van de geschiedenis (een deel), geschiedenis van de filosofie (drie delen) en filosofie van de religie (twee delen).
Maar nog beter is eerst veel over Hegel te lezen, voor je aan zijn werk zelf begint, want het is moeilijk daarin door te dringen. Wat ik ook zelf heb mogen ervaren, nadat ik toch al veel over hem gehoord had van Börger, en er ook al veel over had nagedacht, bleken zijn boeken toch een hele klus op zichzelf, niet alleen door zijn manier van uitleggen, die zich soms te buiten gaat in lange zinnen en lange uitweidingen, maar ook vaak in tegendeel(!) erg beknopt zijn en kort door de bocht, zo van: dat weet je toch wel.
Maar ook zeker door zijn diepzinnigheid in de eerste plaats en de enorme hoeveelheid onderwerpen die hij behandelt binnen een totaal systeem van 20 boeken van 500 bladzijden. Dat is niet zo gemakkelijk onder de knie te krijgen, al kun je al gauw het gevoel krijgen bij de idee der tegenstellingen van: oh, maar dat begrijp ik wel. Ook van mijn atoomtheorie heb ik dat vaak horen zeggen, maar dan blijkt al gauw dat het niet zo is. Het lijkt misschien gemakkelijk te vatten, maar is het niet.
En dan is vooral het vinden van een synthese toch vaak erg moeilijk en is Hegel daar een meester in en het bovendien tot een totaal systeem te componeren (waarbij ik nu aan Harry Mulisch moet denken die in zijn: "compositie van de wereld" meent dat de wereld op de driekwartsmaat van de muziek is gegrondvest - leuk idee overigens: de ziel in plaats van de geest)

Het geheel en de delen en de eenheid der tegenstelling.

Hegel denkt de wereld in tegenstellingen. Alleen gaat het dan om de meest wezenlijke begrippen en zo zul je bijvoorbeeld bij het bestaan van een concreet ding als een typemachine of een computer of een vork of mes of iets anders, niet meteen aan een tegenstelling denken. Dat begrip tegenstelling moet dan ontwikkeld worden in andere begrippen, die meer bij de concrete werkelijkheid passen. Met name dat bij het ene ding een ander ding hoort. Hier past meer de verhouding van de delen binnen een geheel. Als zodanig is het beter te vatten.
En bij Hegel gaat het niet alleen om tegenstellingen, maar dat die ook weer een eenheid vormen. De tegenstellingen moeten verzoend worden in een hogere eenheid als hun grondslag.

De verhouding van de abstracte grondslag en de concrete realiteit.

En bovendien is het zo dat in de concrete realiteit er allerlei meest ingewikkelde constructies mogelijk zijn, waarin de eenvoud van de dialectiek zoek raakt en niet zo gemakkelijk meer te analyseren is. Ook het toeval speelt in de realiteit een grote rol, zodat allicht alles door elkaar gehusseld wordt. Dus Hegel is nou niet bepaald geschikt om bijvoorbeeld de werking van een menselijk lichaam dialectisch uit de doeken te doen. Dat gaat wat te ver en kun je beter gewoon de biologie studeren. Bij Hegel gaat het om de abstracte grondslag der realiteit om die naar zijn dialectiek te doorgronden. Ga je die verder ontwikkelen tot in details, dan kom je uiteindelijk bij de aparte wetenschappen terecht en de concrete realiteit zelf.
 
Ook de dialectiek heeft zo zijn grenzen.

Zo meende Hegel krachtens zijn dialectiek dat er slechts 7 planeten konden zijn (als ik me goed herinner) en dat gaat natuurlijk te ver. Even later werd de 8ste planeet gevonden.*
Ook de dialectiek heeft zo zijn grenzen, wat weer opnieuw een vorm van dialectiek is. Ook is niet alles logisch, wat in de moderne tijd vaak wordt beweerd, want er is ook toeval en dingen die heel erg onlogisch zijn. Te denken dat alles logisch is, is even eenzijdig als te denken dat alles goed is en niks verkeerd. Ook de logica zelf heeft een tegenstelling in het onlogische, het absurde, de toevalligheid en dergelijke.

*Hoewel je dan zou menen dat Hegel op 3 x 3 = 9 uit zou komen.


Verder mei 2017


Andere systemen.

En het systeem van Hegel is bij een constante herhaling daarvan ook nogal saai en zou mijns inziens zelf ook verder ontwikkeld moeten worden, ik denk als eerste aan de tegenstelling als deel daarvan, dus de dualiteit, met name als er geen eenheid bestaat, want wat is nu de eenheid van man en vrouw, wat een derde geslacht zou moeten zijn en niet bestaat of het moet iets kunstmatigs zijn zoals de travestiet.*
Dan de viereenheid als eenheid (eigenlijk als geheel) der natuur, zoals bekend in de vier windstreken en ook het kruis van Jezus drukt dit uit.
Dan het systeem van vijf als de eenheid van 4 in het midden.
Maar ook als de 5 vingers aan één hand.
Dan 6 als 2 x 3 als bijvoorbeeld tegenstelling van Vader en Zoon als beiden een drie-eenheid op zichzelf zijn en nog niet verzoend, zoals met name het Jodendom en Christendom (wel in mijn atoomtheorie).
Het getal van de duivel is dan ook 666.
Dan 7 als eenheid van man en vrouw, waarbij 4 het vrouwelijke is van de natuur en 3 het manlijke van de geest.
Verder ook als 7 levensperioden in de 7 reizen van Sindbad de Zeeman.
Dan 8 als twee maal de natuur als 4 en volgens Börger het getal der barensweeën, namelijk als 8 maanden voor de negende maand van de geboorte.
Dan 9 als 3 x 3 en eindeloze voortzetting der dialectiek, dus 3 x 3 x 3 enz.
Dan 10 als 2 x 5 als de tien vingers van twee handen, dus als creativiteit.
Dan 11 wordt beschouwd als gekkengetal.
En 12 was het oorspronkelijke basis getal bij de Babyloniërs (waarschijnlijk in Mesopotamië ontstaan volgens internet) en is later door de Romeinen 10 geworden (als ik het goed heb - ik kan het niet duidelijk vinden op internet en het schijnt ouder te zijn vanwege het eenvoudige tellen met 10 vingers).
Het is dan 2 x 6 of 3 x 4.
Dan 13 als het ongeluksgetal, dus na de harmonie van 12, zoals 11 na de harmonie van 10.
Enzovoort, waarbij er ook velerlei verschillende interpretaties zijn over de betekenis der getallen en ook in de concrete werkelijkheid zoals dat van het lichaam en de machine en de chemie allerlei mogelijke verbindingen en combinaties zijn, die de eenvoud van Hegels systeem verre te buiten gaan, maar nochtans een verdere ontwikkeling daarvan zijn.

*Ook voor de eenheid van goed en kwaad bestaat geen goed begrip dat de eenheid uit moet drukken, want de heiligheid is de eenzijdigheid van het goede, waar dan weer het duivelse tegenover komt te staan.
Tegenstellingen zijn dan ook over het algemeen gemakkelijk te vinden, maar de eenheid daarvan is meestal moeilijk uit te drukken en daarin is Hegel dan erg goed.

Het kruis van Jezus.

Al die getalsvormen kunnen uit het systeem van Hegel gehaald worden, want 3 x 3 x 3 x 3 enz omvatten natuurlijk ook alle andere getallen.
Zo stel ik zelf het kruis van Jezus zo voor dat de horizontale balk de tegenstelling vormt van individu en staat en de verticale balk boven de geest en onder de natuur als geheel. Dus dan valt de logica van Hegel helemaal weg en beeldt de tegenstelling van de geest (in drieën) tot de natuur voor.
Dat komt de vijfde in het midden en bij Jezus is dat de Liefde en lichamelijk is dat het hart en wordt de geest het hoofd en individu en staat de twee armen en de natuur de twee benen en het geslacht kan er ook nog bij.
Bij individu en staat kunnen we ook nog aan rechts en links denken in de politiek en biologisch is het midden de romp van de mens.
Zo valt daar al heel wat uit te halen.
En biologisch kan het leven in beginsel teruggebracht worden tot de eenheid van geest en natuur als de kop en romp met de ruggegraat (zenuwen) als verbinding.
Nog verder terug tot de eencelligen met de kern en het geheel van de cel, ook weer met de idee dat de kern de kop is als het besturende centrum.
Maar de vele vormen van bacterieën en planten en dieren zijn de eindeloos denkbare variaties van een gelijk grondpatroon en dat kan met het systeem van Hegel ook. Vooral in de geest in de psychologie en de maatschappij en god zijn eindeloze variaties mogelijk door accenten te leggen en andere onderwerpen te minimaliseren of gewoon weg te laten.
En dat is met de natuurfilosofie en de logica ook het geval.
Elke filosoof zal daar het zijne van maken, zijn eigen mening hebben, ook afhankelijk van tijd en cultuur.

Meerdere vormen van logica.

En verder zijn er ook meerdere vormen van logica, zoals die der wiskunde de meest bekende is, maar als logica der kwantiteit zich toch uit het systeem van Hegel laat afleiden, zo wordt de synthese dan bij de rekenkunde het eenvoudige optellen: 1 + 1 = 2, is als synthese het geheel, dus eigenlijk als dualiteit samengevat.
De antithese is dan de eenvoudige herhaling van de eerste 1 als andere tweede 1.
Verder is de logica van Hegel, die begint met de eenheid van Zijn en Niets (die eigenlijk van Heraclitus is) in de rekenkunde de eenheid van 1 en 0, want de abstracte 1 is eigenlijk niets = 0 en 0 is het eerste getal in ons getallensysteem, dus is identiek aan abstract 1 (dus niet de concrete 1, die je kunt delen).
Zodat 0 eigenlijk het eerste getal is en 1 het tweede en 2 het derde.
En de "synthese" als geheel van 0 en 1 dus 2 is, want 0 en 1 zijn samen twee getallen.
Zulk een logica zou na Hegels Zijn als kwaliteit ingevoegd kunnen worden in de antithese als kwantiteit daarvan. Dus met Zijn en Niets als 1 en 0 als begin daarvan. En het Worden als synthese van Zijn en Niets wordt dan de voortgang van het tellen.

Hegels indeling.

En of je alles inderdaad in een drieslag kunt componeren is volgens mij wel wat twijfelachtig, vooral naarmate de werkelijkheid steeds concreter wordt, wat al bij de natuurfilosofie het geval is en nog meer bij de geest.
En dat komt de vraag op of Hegel dan niet wat al te moedwillig alles per se aan zijn drieslag heeft willen onderwerpen.
En verder heeft hij zijn objectieve geest als staat in zijn latere Rechtsfilosofie een andere indeling gegeven dan in zijn eerdere Fenomenologie.
In de Fenomenologie is het onder Der Geist (BB):
A. De zedelijkheid.
B. De beschaving (Die Bildung).
C. De moraal.
En zijn Rechtsfilosofie:
A. Het recht.
B. De moraal.
C. De zedelijkheid.
Dus eerst is de moraal het hoogste, die dan in tweede instantie negatief blijkt te zijn, en is de zedelijkheid die eerst het begin was het hoogste geworden.
En de beschaving als negativiteit is weggevallen voor het recht als eerste.
Nu het is ook moeilijk zulke concrete begrippen uit de maatschappelijke werkelijkheid precies en juist te interpreteren, omdat ze op zichzelf al heel veel aspecten bezitten en de een het zus en de ander het zo bekijkt.
In zijn Encyclopedie handhaaft hij overigens wel zijn indeling van de Rechtsfilsofie.
Dus we moeten het er maar op houden dat hij in het begin van zijn Fenomenologie nog niet alles precies op een rijtje had staan.
Deze bestaat uit drie delen:
A. Bewustzijn.
B. Zelfbewustzijn.
C. Vernuft.
En zijn Vernuft bestaat uit 4 delen in plaats van 3:
(AA) Vernuft.
(BB) De geest.
(CC) De religie.
(DD) Het absolute weten.

Van een klein tot een veel groter systeem.

Verder is het zo dat zijn drie delen van:
A. Bewustzijn.
B. Zelfbewustzijn. en:
C. Vernunft.
dus uit zijn Fenomenologie,
in zijn latere Encyclopedie slechts een negatief tweede afdeling uitmaakt van zijn subjectieve Geest.
En het Vernuft daarin een veel kleinere plaats heeft ingenomen en de geest (BB)en de religie (CC) en het absolute weten (DD) daarin veranderd zijn in de objectieve Geest en de absolute Geest, maar de laatste nu wel in drieën als:
A. De Kunst.
B. De geopenbaarde religie.
C. De filosofie.
Kortom: hij heeft zijn systeem behoorlijk veranderd en bovendien daaraan de Logica en de Natuurfilosofie toegevoegd.

De moderne tijd.

En wat de moderne tijd betreft zou er nog meer aan toegevoegd kunnen worden, ik denk aan Freud en Jung wat de psychologie betreft, aan het socialisme als deel van de moderne staat en Einstein in de natuurfilosofie en wat de godsdienst betreft de Germaanse mythologie en natuurlijk mijn atoomtheorie.
En de moderne wetenschap is zo in velerlei opzichten verrijkt sinds de tijd van Hegel dat zijn systeem wel wat omvangrijker zou moeten worden.
Maar de filosofie kan zich natuurlijk altijd beperken tot de hoofdzaken en behoeft niet alle eindeloze vele wetenschappen tot alle details te bespreken.
Daarvoor is het immers filosofie: het geheel te beschouwen en de diepste gronden te openbaren, niet om een volledige encyclopedie van alle mogelijke kennis te zijn.
Daar zijn de aparte wetenschappen zelf voor.

Hegels systeem en mijn nieuwe bijbel.

Nu, dat omvangrijker systeem moet dan mijn nieuwe bijbel zijn, want in principe neem ik dat systeem van Hegel wel over, richt me daarnaar als een goed voorbeeld, maar ik heb niet die ordentelijke geest van Hegel om alles precies op zijn plaats te zetten, noch heb ik de enorme hoeveelheid kennis waar Hegel over beschikte om alles en nog wat te kunnen behandelen, als ik alleen maar denk aan zijn geschiedenis van de filosofie in drie delen van 500 bladzijden.
Ik heb geen gehoefte om volledig te zijn wat dat betreft en ben veel speelser in het behandelen van die onderwerpen die mij al of niet interesseren.
En bovendien pretendeer ik ook niet Hegel volledig in alles en nog wat wat hij allemaal geschreven heeft te kunnen begrijpen.
Steeds weer heb ik gedacht, en reeds nog voor ik Hegel zelf ooit had gelezen: "ja, die Hegel, die begrijp ik wel!", maar steeds weer opnieuw heb ik nieuwe dingen in hem ontdekt om over na te denken en daar is voorlopig nog geen einde aan gekomen.
Maar anderzijds wist ik toch al reeds van wat ik van Hegel door de filosoof Börger wist en nog nauwelijks aan Hegel zelf was begonnen, mijn atoomtheorie te vinden.
Waaruit wel gebleken is dat alles of veel weten nog niet het ware is, maar dat er ook intuïtie bij komt kijken aan te voelen waar de essentie zit, wat ik door Börger al had aangevoeld en waaruit mijn atoomtheorie is geboren.

Twee richtingen in de logica: synthetisch en analytisch.

En terwijl Hegel in zijn logica begint met de eenheid van Zijn en Niets en dan van de logica verder gaat naar de natuurfilosofie tot de synthese in de Geest en dan van de subjectieve Geest naar de objectieve Geest bij God uitkomt, dus de Absolute Geest, en daarbij zegt dat dat laatste eigenlijk het begin is, ben ik juist daar bij het begin begonnen, dus bij God.
De gang van Hegel is dus eigenlijk negatief, want het maakt de indruk dat hij alles uit het Niets verklaart, in plaats van uit God.
Hij begint niet werkelijk bij God, maar bij het Niets, dat hij overigens eerst uit het Zijn abstraheert in: het algemene en abstracte Zijn is Niets.
Dus hij begint dan met het Zijn, wat dan weer uit de concrete werkelijkheid is genomen als een algemene abstractie daarvan in: alles IS.
Nochtans is ook het godsbegrip negatief, want als je daar begint, dan is het bezwaar die God nog niet bewezen te hebben.
Dus beide uitgangspunten zijn dan zowel positief en negatief.
De eerste vanuit het Niets beredeneerd (bij Hegel eigenlijk het abstracte Zijn) heeft de voldoening uit het Niets (dat niet beredeneerd behoeft te worden omdat het niets is) alles logisch te verklaren tot aan God, maar ook negatief is omdat als je alles uit Niets verklaart, het Niets eigenlijk niet Niets is, maar alles wat je er uit tevoorschijn haalt, dus dat je het dan om moet keren.
Maar de omkering is ook negatief, omdat die God dan nog bewezen moet worden, maar ook positief omdat God het ware concrete hogere of zelfs hoogste uitgangspunt is, die alles wat uit Hem komt en al in Hem zit en zat, omvat.
Het is dan een omgekeerde analyse inplaats van de syntese.

De wisselwerking en de dialectiek.

De waarheid is dan de eenheid van beide en de wisselwerking* van beide en dan de logica, dus de dialectiek in beide bewegingen van de synthese en de analyse om in de concrete werkelijkheid die dialectiek te vinden of al bij voorbaat te kunnen beredeneren en eventueel nieuwe aspecten te vinden, nieuwe mogelijkheden of zelfs een zeer grote verdere ontwikkeling in mijn atoomtheorie.

*De wisselwerking noemt Hegel ook in zijn encyclopedie in zijn logica bij Die Lehre vom Wesen (paragraaf 155) en de synthetische en analytische methode bij Das Erkennen bij Die Idee (paragraaf 226) en in zijn dikke logica staat het eveneens vermeld.
Waarbij de filosofie van Hegel dan synthetisch is en de wetenschap analytisch, maar mijn atoomtheorie weer de eenheid van beide is, eenheid van de filosofie van Hegel, maar van God uitgaande en dan de wetenschap met name de atoomleer en de moderne ruimtevaart als meest essentiële factoren, hoewel de atoomtheorie eigenlijk door Griekse filosofen is ontdekt, dus het precieze scheiden van synthese en analyse is niet zo duidelijk.
Hegel is uiteraard ook zelf eerst van de reeds concrete werkelijkheid uit gegaan, maar zijn logica begint in ieder geval bij Zijn en Niets en is een synthetisch denksysteem.

De atoomtheorie uit het godsbegrip.

Terwijl Hegel God bewijst met zijn logica, bewijs ik mijn atoomtheorie uit het godsbegrip met Hegel dan als grondslag.
Nu heb ik dat bewijs voor zover ik mij herinneren kan nooit ergens opgeschreven en wil ik pogen dat hier voor het eerst te doen.
Van God wordt gezegd dat hij eeuwig en oneindig is en volmaakt en volgens Anselmus van Canterbury moet Hij dan ook bestaan, want als Hij niet ook bestaat is Hij niet volmaakt, want dan ontbreekt aan Hem het bestaan (ik: wat ook wel zo logisch is).
God moet dan bestaat als het heelal en vele denkers hebben al gemeend dat het heelal het bestaan van God is, zoals Xenofanes en Parmenides en Spinoza en bekend is als  pantheïsme, hoewel daarin wel een onderscheid is tussen het heelal naar zijn uiterlijke gedaante of de geestelijke grondslag daarvan (panentheïsme) of als derde de eenheid van beide mogelijke opvattingen.
Nu, mij lijkt het wel zo redelijk dat God zichzelf heeft geschapen als heelal.
Waarom zou God als volmaakt wezen iets anders scheppen dan zichzelf?
Nochtans zien de zon en de maan en de sterren er niet uit als goden, daar zijn ze veel te primitief voor, dus dat klopt dan niet.
En als God eeuwig en oneindig is en als zodanig ook moet bestaan dan denken we natuurlijk aan de eeuwigheid en oneindigheid van het heelal.
Maar de eeuwigheid en oneindigheid is eigenlijk zeer primitief, zonder nog enige differentiatie in zich als veelheid.
Het is dan een abstract ene Godheid, die nog niet ontwikkeld is.
God is pas werkelijk God voor het eerst als mens, dus als God Adam en Eva schept (volgens de mythe van de Bijbel), dan begint Hij pas ergens op de lijken.
En als het oneindige en eeuwige heelal nog te primitief is om God te zijn en ook de sterren en planeten en de zon en de maan en pas de mens de verschijning van God is, dan zou het kunnen dat vanaf de macrokosmos richting de microkosmos, waarbij de differentiatie en veelheid toeneemt, ook het bestaan van God hoger wordt, niet als een abstract enkele God, maar eenheid van een steeds sterker toenemende veelheid en zou God nog hoger in de microkosmos moeten bestaan.
Wat klopt met het feit dat de microkosmos qua vormgeving en natuurwetten complexer is dan ons heelal met de zon en de maan en de planeten de macrokosmos met zijn sterren en melkwegen en clusters en superclusters nog primitiever zijn (slechts slierten).
Dus het bestaan van God loopt van macrokosmos van microkosmos van uiterst primitief naar steeds hoger ontwikkeld in de microkosmos.
Nochtans lijken de atomen en moleculen nog geen goden te zijn.
Maar gezien het feit dat wij bezig zijn met de ruimtevaart is het wel zo redelijk te veronderstellen dat de microkosmos een ruimtevaartcultuur moet zijn, want dan komt het heelal veel beter in elkaar te zitten in de vorm van een oplopende ontwikkeling van macrokosmos naar microkosmos.
Tot hier nagelezen.
Nu komt daar wel ook een andere bewijsvoering om de hoek kijken, namelijk dat de microkosmos een ruimtevaartcultuur moet zijn, maar toch nu ook in eenheid en als hulpmiddel uit het godsbegrip bewezen dat het bestaan van God het heelal moet zijn, en wel oplopende van macrokosmos naar de microkosmos in oplopende veelheid en hoogte.
Dus niet zo dat God alleen maar EEN God zou zijn, en ook niet als alleen maar de allerhoogste, noch dat God alleen maar Geest zou zijn, maar ook werkelijk bestaat.


God.not.only.spirit.JPG



Dus het godsbegrip moet dan worden bijgesteld naar een grote volmaaktheid ook te moeten bestaan (daar draait dit bewijs dan ook om) en niet alleen de hoogste, maar van het allerlaagst tot oneindig hoog en niet alleen als EEN, maar als eenheid van een oneindige veelheid van microwezens (en mensen daarbij, maar eigenlijk ook de planten en de dieren).
En bovendien ook niet alleen als volmaakt, want ook hier geldt dat de ware God ook het onvolmaakte moet omvatten, anders is Hij juist in Zijn volmaaktheid onvolmaakt omdat hij het onvolmaakte mist.
De ware is God is dus niet alleen volmaakt, maar compleet, dus met de onvolmaaktheid erbij, of ook anders gezegd: God is ook de Duivel.




tekst.dialectic.9.JPG

 

En het is ook niet zo dat alles God zou zijn, wat nog wel eens wordt beweerd, want God is geen steen of een ding in het algemeen, want God is uiteraard op zijn minst een levend wezen, dus dan zou Hij pas werkelijkheid beginnen te worden bij de planten en de dieren, hoewel dat dan weer in strijd zou zijn dat God toch als een hoger wezen wordt gedacht, dus ook hoger dan de mens.
Maar hoog en laag is in mijn atoomtheorie nogal relatief, want als voor ons dan de microwezentjes de Goden zijn, dan zouden voor de microwezentjes zelf de mini-microwezens pas de echte Goden zijn, enzovoort.
En wat de dieren betreft: vroeger werden de dieren inderdaad als Goden vereerd en Jezus heet nog altijd het Lam Gods te zijn en in India worden nog steeds de koeien als heilig beschouwd.
En verder zou men natuurlijk ook van mening kunnen zijn dat God niet per se een levend wezen behoeft te zijn en dus nog lager als ding of de natuur in het algemeen kan bestaan of zelfs als de abstracte logische begrippen van Hegel te beginnen met Zijn* en Niets, dus dat God ook het abstracte algemene Zijn kan zijn of zelfs Niets.
Nu dat zijn allemaal mogelijkheden, waarin iedereen vrij moet zijn te denken zoals hij wil.

*Ik ben die ik ben, van Jahweh (Exodus 3:14), wordt ook wel zo uitgelegd dat God het Zijn is.
En de scheppende God is ook eigenlijk nog pas de abstracte Logica, waaruit eerst de natuur voortkomt en dan de mens als verschijning van God zelf.

Hoe ik mijn atoomtheorie ontdekt heb.

Nu lijkt dat bewijs van mijn atoomtheorie uit het Godsbegrip eigenlijk sprekend op de manier waarop ik mijn atoomtheorie gevonden heb.
Ook dat is uitgegaan van de idee dat het heelal God zelf moet zijn, maar tevens vanuit een tweede idee van: Wie ben ik? Dus eigenlijk zelfs van een nog beter godsbegrip als eenheid van Vader en Zoon waaruit de Heilige Geest van mijn atoomtheorie als een oneindig aantal microwezentjes is geboren.
En wel door mijn eigen ik te fantaseren als een klein mannetje op een atoom en via de fantasie van Scientologie dat er vroeger al ruimteschepen waren, dat het atoom uit ruimteschepen moet bestaan.
En niet onmiddellijk uit de redenering dat de microkosmos een complexere dus hogere wereld moet zijn, dus een ruimtevaartcultuur.
Die redenering heb ik later pas bedacht.
Dus eigenlijk is dat de ware bewijsvoering uit God en de Mens samen als Heilige Geest.

De dialectiek als tegenstrijdigheid.

De dialectiek zelf berust op de idee dat alles in zichzelf tegenstrijdig en zich dan vervolgens beweegt om die tegenstrijdigheid op te lossen in een eenheid, die weer opnieuw tegenstrijdig blijkt te zijn, enzovoort tot in het oneindige.
Kortom: het leven beweegt zich aan eigen tegenstrijdigheid en daar komt dan nooit een einde aan en openbaart zich in een eindeloos ontwikkelingsproces te beginnen met de eenheid van Zijn en Niets, door Heraclitus gevonden met het Worden als synthese.
Een Worden dat dan tevens ook weer in zichzelf tegenstrijdig is, want Blijvend te zijn als een Blijvend Worden, dus ook eeuwig is, de eeuwige rust van de tijd als grondslag van de tijd zelf als beweging.
Dus als synthese van tijd en eeuwigheid.

Alles blijkt iets anders te zijn.

Overigens is de tegenstrijdigheid niet per se noodzakelijk, maar is al de analyse van wat iets is al reeds voldoende, bijvoorbeeld als je vraagt: "wat is de mens?", met als antwoord: "de mens is een denkend wezen", dat staat daar dat het ene het andere is, en is de mens veranderd in een denkend wezen.
Dus alles is iets anders.
Alles wat bestaat of is, heeft een inhoud, is met andere dingen of begrippen verbonden*, die noodzakelijk zijn en waarin alles dus ook dat andere is, waarmee het verbonden is.
Want alles op zichzelf alleen, dus als abstractie, is helemaal niks.
Als ik zeg: een boek is een boek, dan heb ik nog niks gezegd en weet ik nog niet wat een boek is: een ding met bladzijden en letters om in te lezen.
En als Aristoteles meent dat alles op zichzelf in het zelfde aspect genomen alleen zichzelf is en niet iets anders kan zijn, dan heeft hij toch ongelijk, want alles wat alleen zichzelf is, is niks, alleen abstract zichzelf en bovendien is zelfs zichzelf zijn al iets anders dan wat het is.
Zichzelf zijn is namelijk een ander begrip.

*En waar het mee verbonden is, is het ook zelf, maar deels ook niet, dus het verbonden zijn met drukt ook weer een synthese uit van tegendelen: zijn en niet zijn met name, maar nu als koppelwerkwoorden.

Aristoteles

Dat de mens een denkend wezen is, dat is het definiëren en classificeren van Aristoteles en de wetenschap.
Het wezen is hier het meer algemene wat de mens met name met de dieren gemeenschappelijk heeft en het denken is het bijzondere dat de mens juist van het dier onderscheidt.
De tegenstelling is dan die van de mens tot het dier, waarbij de mens denkend is en het dier voelend of instinctief.
Maar het wezen* is hier geen synthese, maar het gemeenschappelijke.
Het derde is de zintuiglijke waarneming als bewustzijn, maar ook dat is iets gemeenschappelijks, want zowel de mens als het dier kent de zintuiglijke waarneming.
En verder kan ook het gevoelsleven en de zintuigen als tegenstelling genomen worden en het denken als hogere eenheid van beide.
Want qua bewustzijn loopt de evolutie van gevoel naar zintuigen en dan naar het denken.
Wat de volgorde van planten naar dieren naar de mens zou moet zijn, hoewel het dier ook gevoel heeft en de mens ook gevoel en zintuiglijkheid.
Dus de tegenstelling van gevoel en zintuiglijkheid met het denken als eenheid klopt dan niet helemaal, want het vorige wordt meegenomen.
En de mens is dan een drie-eenheid van plant en dier en mens-zijn zelf en dan komt er ook nog het goddelijke bij.

*Het wezenlijke als het innerlijke is dan het gemeenschappelijke van mens en dier, terwijl dat weer verder vergeleken kan worden met de levenloze dingen, waarbij het uiterlijke overheersend is, terwijl mens en dier toch ook een uiterlijk bezitten, namelijk het lichaam en het ding ook een innerlijk bezit aan natuurwetten en de vele eigenschappen, die dan weer een eenheid van uiterlijk en innerlijk zijn.

Het systeem van Aristoteles en dat van Hegel.

En verder is de methode van Aristoteles voornamelijk afdalend van het algemene naar het bijzondere naar het enkele, bijvoorbeeld van dier naar hond naar deze enkele hond.
Maar in het algemene is het tevens opbouwend, dus van mens naar wezen als algemeen met het dier.
Maar de die termen: algemeenheid, bijzonderheid en enkelheid gebruikt Hegel ook en wel in zijn omgekeerde opbouwend synthetisch systeem, waarbij ik me afvraag of dat wel juist is.

Hoe zou je het Zijn definiëren?

En dan: hoe zouden we omgekeerd het systeem van Hegel naar Aristoteles definiëren, bijvoorbeeld het Zijn?
Het Zijn is het innerlijke bestaan?
Terwijl het Bestaan het uiterlijke zijn is.
Innerlijk en uiterlijk zijn dan de tegenstelling.
Het bewustzijn is dan de hogere eenheid van beide.
Nochtans komt het begrip: Niets hierin helemaal niet voor, of je zou het Zijn in zijn vergelijking met het Bestaan als zijnde Niets moeten beschouwen, dus als niets uiterlijks.
Wat dan overeenkomt met de idee dat het Zijn als abstractie van het Bestaan Niets is.
De vergelijking met het systeem van Aristoteles levert wel nieuwe visies op, maar helemaal doorzichtig is het niet.
En hoe zou je Niets moeten definiëren?
Het Niets is het abstracte Zijn, waarbij het Zijn het algemeen verbindende is met het Zijn zelf en het abstracte het onderscheidende.

Het algemene, het bijzondere en het enkele.

Maar nemen we de drieslag van Hegel als die van de algemeenheid en bijzonderheid en enkelheid, dan kan het bij de enkelheid toch niet gaan om bijvoorbeeld: deze enkele hond of dit enkele huis, zoals bij Aristoteles.
Wel noemt Hegel de individuele enkele filosofen en in de filosofie natuurlijk ook de verenkelde historische persoonlijkheden, maar die dienen slechts de algemene ideeën in de filosofie en de historie en zijn als enkele individuen van ondergeschikt belang en bovendien gaat het in zijn verdere filosofie alleen om algemene begrippen.
Al weet hij ook over de aparte filosofen altijd wel iets bijzonders over hun leven te vertellen, wat ook wel zo interessant is.
Maar in de ontwikkeling van de begrippen komen er dan steeds meer bij en dat kan je dan beschouwen als verbijzondering van het algemene als vele ideeën of begrippen ten opzichte van als eerste het nog algemene Zijn.
Al die vele ideeën worden dan tenslotte als verenkelingen ten opzichte van elkaar, hoewel ze ook algemeen en oneindig en eeuwig blijven, komen ze ook als uitsluitend tegenover elkaar te staan.

Van enkel naar vele naar oneindig.

Maar nu meen ik toch ergens bij hem gelezen te hebben, dat hij het enkele ook weer verder ontwikkelt van het enkele naar het vele naar het oneindige, dus daarin keert eigenlijk het algemene van het begin weer terug, maar nu niet meer als abstract, maar als concreet (hoewel wel in de lagere en eenzijdige vorm van de kwantiteit).
En dat is ook wel zo logisch, want het enkele individu in de psychologie is evenzeer als veelheid van individuen bedoeld en het individu in het algemeen (in de atoomtheorie ook als oneindig.
En de objectieve Geest als staat is een veelheid in de eerste plaats, maar ook een enkelheid en in de atoomtheorie ook als oneindigheid, en bij God als absolute Geest zelfs oneindig in de eerste plaats, maar ook als veelheid van Goden en enkele verschijningen als individuen.
En daarmee zou het probleem opgelost zijn, want Aristoteles begint met de concrete algemene soort en daalt af naar de bijzondere klassen en dan de individuen*.
Dit dan bij de biologie en Aristoteles gaat niet verder naar de abstracte begrippen.
Dit is dan met het organisme van de natuurfilosofie van Hegel te vergelijken, maar hij behandelt dat uiteraard niet zo uitvoerig, maar slechts summier als filosoof.
En of Aristoteles ook een verdere classificatie heeft van de begrippen (bij hem meer als vormen) is mij niet bekend.
Ik mis helaas de boeken van Aristoteles omdat deze niet of moeilijk te verkrijgen zijn en waarom dat zo is, weet ik evenmin.
Ik heb wel een boek over zijn filosofische logica bezeten, maar ben zo dom geweest die weg te gooien.
Wel heb ik zijn ethiek, die ik nog niet doorgelezen heb, omdat ik het nogal saai vond met vele herhalingen van hetzelfde.
En verder kan daarom ook deze vergelijking van Hegel en Aristoteles slechts eenvoudig zijn en als het ware "uit de losse pols".
Mocht er niks van kloppen, dan mijn excuses.

*Dit dan even simpel weer gegeven.
Zie classificatie van het leven op internet, waar ik de moderne indeling lees (van onderen naar boven: Vandaag de dag worden er acht onderscheiden: soort, geslacht, familie, orde, klasse, fylum of divisie, rijk en domein (pas 10 jaar geleden toegevoegd).

Het negatieve als het bijzondere.

Dan gaat Hegel van het algemene als het positieve naar het bijzondere als het negatieve.
Is dit dan als een opstijging te begrijpen van het abstract algemene naar het hogere bijzondere, of als een nederdaling omdat het het negatieve betreft?
 

Over de inwendige en uitwendige betrekking der tegenstrijdigheid.

Ik keer weer even terug tot Hegels tegenstrijdigheid, want een begrip is niet alleen in zichzelf tegenstrijdig, maar ook tegen andere begrippen, dus niet alleen inwendig, maar ook uitwendig.
(Waarbij je dialectisch beschouwd het inwendige net zo goed als iets anders, dus iets uitwendigs, en het uitwendige als het eigene, dus als inwendig zou kunnen beschouwen.)
Ook dat is weer een tegenstelling.
Want alles wat bestaat of is, is beperkt tegen het totale systeem van de werkelijkheid en aldus wil het die beperktheid opheffen door te veranderen, alles wat buiten zich is, op te nemen.
En dat dan via een logisch systematisch plan: de dialectiek dus.
Maar de uitwendige tegenstrijdigheid is dan al reeds gegeven bij een analyse vanuit het totale systeem, terwijl de inwendige tegenstrijdigheid het systeem eerst nog moet scheppen en dus pas voor het eerst tevoorschijn komt.
En redenatie van Hegel is daarbij dat het begrip als eerst nog abstract het eigen tegendeel is, zoals ik bij het Recht meen gelezen te hebben, dat het abstracte Recht nog eigen tegendeel als is als onrecht*.
Nu is het inderdaad zo dat vele rechtsbepalingen uit het verleden ons als onrecht toeschijnen, omdat ze nog niet ontwikkeld zijn.

*Ik heb dit helaas niet terug kunnen vinden, maar om maar meteen van elk begrip als abstractie over te gaan naar de negatie lijkt mij wat te simpel.
Het lijkt mij meer gerechtvaardigd om als een begrip naar zijn eerst positieve inhoud wordt behandeld, dat daaruit het tegendeel blijkt voort te komen en wat dan ook bewezen moet worden dit ook zelf te zijn.
Direct tot het tegendeel te besluiten is te kort door de bocht, wat dan wel kan met abstracte begrippen zoals zijn en niets, maar niet met het concrete begrip recht.
Wel zal het aanvankelijke recht uiteraard slechts primitief kunnen zijn en als zodanig zal er ook veel onrecht aan kleven.
En met deze idee in gedachten concluderen dat het abstracte recht dus onrecht is.
Vooruit dan maar.
 

Hegel heeft vele boeken geschreven, 20 van 500 bladzijden en allen bevatten als geheel voor een groot deel zijn gehele systeem.
Bijna de helft van die boeken gaan nog apart over de geschiedenis van vele onderwerpen.


De boeken zijn:

1 - Frankfurter Schriften.
2 - Jenaer Schriften.
3 - Phänomenol
ogie des Geistes.
4 - Nürnberger und Heidelberger Schriften.
5 - Wissenschaft der Logik I.
6 - Wissenschaft der Logik II.
7 - Grundlinien der Philosophie des Rechts.
8 - Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften I.
9 - Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften II.
10 - Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften III.
11 - Berliner Schriften 1822 - 1831.
12 - Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte.
13 - Vorlesungen über die Ästhetik I.
14 - Vorlesungen über die Ästhetik II.
15 - Vorlesungen über die Ästhetik III.
16 - Vorlesungen über die Philosophie der Religion I.
17 - Vorlesungen über die Philosophie der Religion II.
18 - Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie I.
19 - Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie II.
20 - Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie III.

De laatste 9 delen (van de 20) zijn allemaal geschiedenis, dit omdat Hegel meent dat de geschiedenis zich ook dialectisch ontwikkelt, dus een exposé is van zijn filosofie.
Met als eerste de filosofie van de geschiedenis van de filosofie in één deel en aanbevelingswaard is om daarmede te beginnen om Hegel te leren lezen en begrijpen, veel beter dan zijn taaie Phänomenologie des Geistes.
Dan zijn Vorlesungen über die Ästhetik, die ik nog steeds niet geheel heb doorgelezen en ik nogal moeilijk vond, deels omdat de vele kunstwerken die hij noemt mij niet altijd bekend zijn en de filosofie van de kunst mij niet zo hevig interesseert en mij zo in het algemeen ook wel bekend is.
Dan de Philosophie der Religion, die ik meerdere malen heb gelezen en mij wel interesseert, natuurlijk ook vanwege mijn nieuwe Bijbel en godsdienst van de microwezentjes. 
En dan de geschiedenis van de filosofie zelf en zijn eigen filosofie daar dus eigenlijk een samenvatting van is, zoals met name in zijn logica die met de eenheid van Zijn en Niets begint en van Heraclitus is over genomen.
Deze laatste drie boeken bevatten een schat aan informatie en inzichten en zijn zeker zeer de moeite waard bij herhaling te lezen en gedeeltes te lezen voor wat de specifieke filosofen betreft.


In de Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften I, II en III heeft Hegel zijn totale systeem geschreven, waar de Phänomenologie des Geistes slechts een deel van is, want deze behandelt niet de Logica en de Natuurfilosofie en alleen de Geest.
De Logica is ook nog een apart en uitgebreid in twee delen en ook de objectieve Geest in: Grundlinien der Philosophie des Rechts in één deel.

Nu vind ik zelf het vierde deel interessant: 4 - Nürnberger und Heidelberger Schriften.
En wel omdat hij daar in de eerste helft van het boek: Philosophische Propädeutik genaamd, zijn totale systeem en meerdere aspecten daarvan vrij summier behandelt, dit omdat de Enzyklopedie met 3 delen en 1500 bladzijden nogal lang is in zijn geheel door te worstelen en men aan het einde door de bomen het bos niet meer ziet.

Om te beginnen:

I. Texte zur Philosophischen Propädeutik.

1.Philosophische Enzyklopädie für die Oberklasse (1808 ff.)

Einleitung

Erster Teil: Logik
 

Erster Abschnitt: Ontologische Logik

I. Sein
 
A. Qualität
B. Quantität
C. Unendlichkeit

II. Wesen

A. Begriff des Wesens
B. Satz
C. Grund und Begründetes

III. Wirklichkeit

 
Zweiter Abschnitt: Subjektive Logik

I. Begriff
II. Urteil
III. Schluß


Dritter Abschnitt: Ideenlehre

I. Idee des Lebens
II. Idee des Erkennens
III. Absolute Idee oder das Wissen


Zweiter Teil: Wissenschaft der Natur

Erster Abschnitt: Mathematik
Zweiter Abschnitt: Physik
Dritter Abschnitt: Physik des Organischen
 

Dritter Teil: Wissenschaft des Geistes

Erster Abschnitt: Der Geist in seinem Begriff

I. Das Gefühl
 
II. Die Vorstellung

A. Erinnerung
B. Einbildungskraft
C. Das Gedächtnis

III. Das Denken 

Zweiter Abschnitt: Der praktische Geist

I. Das Recht
II. Die Moralität
III. Der Staat (Realer Geist)

Dritter Abschnitt; Der Geist in seiner reinen Darstellung

I. Die Kunst
II. Die Religion
II. Die Wissenschaft


Men ziet aldus het gehele systeem voor zich als overzicht en daarna worden de aparte delen behandeld.
En het lijkt mij interessant dat eens van internet te kopiëren en te vertalen en eventueel van extra commentaar te voorzien.

En de andere drie delen die nog over zijn gebleven, met name:
1 - Frankfurter Schriften.
2 - Jenaer Schriften.
11 - Berliner Schriften 1822 - 1831.
En dan ook nog het tweede gedeelte van deel 4 - Nürnberger und Heidelberger Schriften.
Deze bevatten van allerlei in vaak lange Duitse zinnen en daarom moeilijk te lezen en is goed voor het allerlaatste te bewaren en iets uit te zoeken naar believen.


Zie vervolg Hegel 2.








 








Extra aantekeningen.

Verschil tussen dialectisch en speculatief denken.

Overigens gebruikt Hegel het begrip dialectiek zelf niet voor zijn filosofische methode. Hij noemt het speculatief denken. Maar het begrip dialectiek is zo ingeburgerd, dat ik dat ook maar gebruik. Maar het begrip dialectiek is eigenlijk een negatief begrip, namelijk dat de tegenstelling gehandhaafd blijft en niet tot een oplossing komt in de synthese, de eenheid dus, waarin de tegenstelling verenigd wordt.

De Indiase filosofie en die van China,
 
Dat de dialectiek op Niets uitloopt, dus zonder positieve oplossing blijft zien we met name in de Indiase filosofie, zoals in de Boeddhistische dialectiek van Nâgârjoena,* waar uiteindelijk noch het ene waar is, noch ook het andere en het Niets, het Nirwana als hoogste overblijft.
In China kennen we ook een dialectisch idee in Yin en Yang, met de Tao als eenheid.

*Prisma: geschiedenis der filosofie van Störig, deel I blz 51-55

De waarheid als eindeloos ontwikkelingsproces.

Enfin: ook in de Griekse filosofie blijft men nog veelal in het negatieve zitten. Pas Hegel lost dat echt op door het totale systeem der filosofie als waarheid te zien en hoe deze zich krachtens de wet der tegenstelling ontwikkelt. Ook hier is dan nooit een definitieve oplossing, maar wel is deze ontwikkeling de waarheid zelf, die dan dus steeds groter en dieper wordt als een eindeloos, in wezen positief proces, maar waarin anderzijds ook het negatieve zijn essentiële plaats heeft, en daarmede het probleem der tegenstrijdigheid, die steeds weer opnieuw in een hogere en ook diepere vorm moet worden opgelost.

Het monster der tegenstrijdigheid.

De grote kunst is dan de tegenstrijdigheid (de duivel als het ware) in het gelaat te durven zien om hem als zodanig te verslaan.
De Griekse held Perseus deed dat door in een spiegel te kijken. Aldus kon hij het vrouwelijke monster Medusa de kop af slaan. Hij deed het dus niet direct, maar bespiegelend, dus denkend, beschouwend. En dat is natuurlijk wat de filosoof doet, hij tracht de werkelijkheid naar zijn diepste wezen te begrijpen en de tegenstrijdigheid die zich daarin voor doet op te lossen.

De strijd tussen geest en natuur en de zondeval.

Zo is de eerste tegenstrijdigheid daarmede al meteen dat we enerzijds de realiteit zelf hebben en anderzijds het begrip daarvan. Het is de tegenstelling van de natuur en de geest, vorm en inhoud, concreetheid en abstractheid.
Terwijl het dier volledig één is met de werkelijkheid, staat de mens er buiten en is daardoor in staat de werkelijkheid denkend te aanschouwen en te begrijpen, wat het dier niet doet of zeker niet in die mate dat de mens dat doet. Daardoor openbaart zich in de mens het conflict, omdat de mens behalve natuur eigenlijk in wezen een denkend, dat is geestelijk wezen is. Mythologisch is dat verbeeld in de zondeval.


Synthese van Zijn en Niets is het Worden. Het Worden is echter tevens Blijvend. Synthese van het Wordende (dynamisch) en het Blijvende (statisch) is dat het Worden een zekere traagheid bezit, dus niet absoluut snel is. Het moment der traagheid of langzaamheid is het statische in het dynamische, waardoor in het Worden ook een blijvend moment is, een moment van relatieve stilstand.
Dus de beweging of het Worden heeft een mate van snelheid tussen 0 (stilstand) en oneindige snelheid in. Bij een oneindige snelheid heft de beweging zichzelf op, is niet meer waarneembaar.

Bij Hegel: het Worden berust op het onderscheid van Zijn en Niets, als deze in de eenheid van beiden in het Worden verdwijnt, dan verdwijnt ook het Worden zelf als een "Verschwinden des Verschwinden selbst" (eenzijdigheid van het verdwijnen ten opzichte van het verschijnen, Hegel noemt geen verschijnen van het verschijnen, dus als extra verschijnen in de verschijning als resultaat, wat ook kan) met als resultaat het eenzijdig positief resultaat van het "Dasein" (er zijn).
Ik: als het Worden een eenheid is van Verschijnen en Verdwijnen, dan moet er ook een moment van het positieve Verschijnsel zijn tussen het Verschijnen en Verdwijnen in. Evenals het negatieve van het Verdwenen-zijn of nog niet Verschenen-zijn, dus als verleden en toekomst.
Dit moment van NU in de tijd wordt echter pas reëel als ruimtelijk punt in het Hier.

Ondanks dat Hegel zijn Logica begint met het ZIJN, geeft hij in zijn religionsfilosofie deel II bladzijde 226 aan het Zijn een andere betekenis, namelijk het uiterlijke bestaan in de overgang van begrip naar Zijn, namelijk dat wat in Gods Geest is (het begrip) ook IS, dus verschijnt als wereld, dus de schepping. Het Zijn is echter het begrip en de verschijning is het Bestaan. De derde categorie is het Bewustzijn.

Alle begrippen binnen de Logica zijn dus geen werkelijke verschijningen, dus het Worden is nog geen werkelijk Worden, maar alleen het begrip daarvan.

Hegel beschouwt het christendom als absolute religie, maar dat heeft bij hem niets meer met Liefde te maken, maar is zuiver Joods Geestelijk, dus manlijk denken. Ten opzichte van de Geest zou dan de Ziel moeten komen te staan, dus als eenheid van het manlijke en het vrouwelijke. Synthese is dan de cultuur (uit dagboek van 22 april 2011).

Ik vraag me af of Hegel expliciet bewust was dat uit de vrouwelijke ziel (Maria en Jezus*) een nieuwe Geest wordt geboren, zoals Börger dat formuleerde. Want ware dat zo dan zou Hegel toch met zijn filosofie bewust geweest moeten zijn dat hij zelf die Heilige Geest was, eigenlijk als denker een wedergeboren Jahweh, meer dan een wedergeboren Jezus (6 mei 2011).
Vreemd dat hij dat als dialecticus zelf niet heeft begrepen.

*Zowel dat Jezus uit Maria geboren is als nieuwe Geest (geest der Liefde), maar ook na zijn kruisiging als een geestelijk vervolg daarop, wat in de filosofie van Hegel zelf tot uitdrukking komt.



Hegel (7 augustus 2011).

God is de Logica van het heelal. En zoals de Logica eeuwig is, zo is ook God eeuwig en zo is ook het heelal eeuwig, omdat de laatste uit de eeuwigheid der Logica voortvloeit. Die Logica zelf is gevonden door Hegel bekend als dialectiek, zijnde de eenheid der tegendelen. Deze was al reeds bekend bij de Grieken, maar Hegel heeft die dialectiek tot een totaal systeem ontwikkeld in drie delen van: Logica, Natuurfilosofie en de Geest.

Wij zijn God zelf.

Maar Hegel kon het bestaan van God zelf niet bewijzen, wel in de vorm der mensheid. Hij zeide dan ook: "Ons bewustzijn van de Geest is het zelfbewustzijn van de Geest", oftewel: de mensheid is God zelf, is de Heilige Geest zelf, de Geest der gemeenschap der mensen.
Aldus is in Hem eigenlijk het principe van het christendom vervuld.

De heilige geest op aarde.

Hoewel hij in het tijdperk van het opkomende liberalisme (de Franse Revolutie) leefde, sprak hij dus eigenlijk een sociaal godsbegrip uit.
Dit is dan eigenlijk wat tegenstrijdig, evenals de God in de Bijbel die zegt: "Laat Ons mensen maken naar Ons beeld en gelijkenis" (terwijl het heet dat er maar één God zou zijn).
Hegel als individu was de enige die zichzelf zeer goed begreep, want hij was zelf die heilige geest van Gods zelfbewustzijn). Hoewel ook anderen hem leerden begrijpen. Maar in hem openbaarde zich aldus reeds de beginnende tegenstrijdigheid tussen liberalisme en socialisme als de twee basiselementen der democratie. Hegel was de aanvankelijke Heilige Geest die beiden zou moeten verenigen: individu en gemeenschap, maar ook het hogere begin van beiden was.
Zijn heilige geest valt dus binnen de gemeenschap der mensheid, ontwikkeld uit het christendom, maar evenzeer uit de Griekse filosofie. Het is christus komst op aarde, verdere ontwikkeling der Hervorming (Luther) in de vorm der filosofie.

De heilige geest zelf buiten die der mensen.

Maar met mijn atoomtheorie kan ik het bestaan der heilige geest ook buiten de mensheid bewijzen.
Namelijk als een oneindig aantal microwezentjes.
.    
      

Uit dagboek van 14 augustus 2011.

Bij Hegel aanbeland bij het begrip, dat ontwikkeling voor moet stellen (het wezen is schijnen in het andere en dus relatief) en tevens subject moet zijn (waarbij ik denk aan het individu). Maar hij behandelt het begrip hier in de algemene drieslag: algemeenheid, bijzonderheid en enkelheid. Mij is het een raadsel dat hij hier zijn eigen systeem niet behandelt in de vorm van these, antithese en synthese. Maar die begrippen noemt ie nergens in zijn filosofie, terwijl ie daar wel om bekend is. Toen ik dat voor het eerst las dat ie die begrippen zelf niet gebruikte, was ik zeer verbaasd, ook al omdat ik dat zelf nooit beseft had (hoe dom kan een mens zijn zoiets niet op te merken). Enfin: voor zover ik weet gaat algemeenheid, bijzonderheid en enkelheid (negatieve eenheid) over in: enkelheid, veelheid en totaal systeem. Die laatste drieslag is mij dan duidelijker en zou volgens mij de eerste meteen moeten zijn: algemeenheid, bijzonderheid en totaal systeem als categorie. Met enkelheid duikt het als het ware de microkosmos in als inwendige eenheid, als hogere kwaliteit, wat wel overeenkomt met mijn atoomtheorie.


De drie hoofdzakelijke grondslagen van Hegel zijn volgens mij:

1 - de dialectiek (these, antithese en synsthese).

2 - dat het denken zelf de grondslag is, dus het is eigenlijk een denken over het denken zelf. Alles is dus in wezen uit gedachten opgebouwd.

3 - De mens zelf is dat denken, hij denkt dus zichzelf, het is zijn eigen identiteit, ten eerste als individu, ten tweede als collectiviteit en ten derde als GOD.
Dat wil zeggen dat de mens in diepste wezen GOD zelf is en wel als absolute Geest.
Ons bewustzijn van de Geest is het zelfbewustzijn van de Geest (voorwoord van de Phaenomaenologie), oftewel: wij zijn zelf de Geest die wij denken, wij zijn zelf God.

Hegel is zelf de absolute Geest.

Nochtans kan Hegel het bestaan van GOD niet bewijzen buiten de mens om. Wij zijn dan God zelf.
Eigenlijk Hij, en is hijzelf de wedergeboren Jezus als filosoof, eigenlijk de filosoof van de heilige geest, want hoewel hij het christendom vast houdt, is hij in zijn denken eigenlijk over het christendom heen.
Het gaat niet meer over de liefde, maar om de Geest van het denken.

God als Cultuur.

Zelf denk ik anders dan Hegel niet alleen om de microwezentjes, dus zo dat God de Geest is van een oneindige gemeenschap, maar ook beschouw ik het denken als het allerhoogste toch te abstract. Beter dan het allerhoogste alleen is het totale systeem, dus zo dat daar ook het gevoelsleven bijkomt als het vrouwelijke dus de Ziel en dan ten derde ook de zintuiglijke waarneming en de innerlijke voorstelling, dus als totaal bewustzijn en zou ik God willen bepalen als Cultuur.
Cultuur in de betekenis van Cultus als eenheid van God en Mens, wat ik van Hegel heb overgenomen.
En Cultuur dan verder gedifferentieerd in Hemel en wereld en Paradijs (de natuur), in religie, filosofie en wetenschappen en Kunst. En alles wat daar verder bijhoort aan goddelijke en maatschappelijke creativiteit.

Uit dagboek van 11 juli 2016

Hegelkritiek van inhoud naar vorm. Dan kritiek op Hegel dat zijn herhaling van de drie-eenheid zelf niks nieuws brengt, die alleen kwantitatief (steeds weer drie), maar kwalitatief, zodat de inhoud niks aan de vorm verandert, steeds weer zijn en niet-zijn en de eenheid.
De inhoud zou ook in de vorm door moeten dringen.
Nu is dat in het begin nog wel zo met met name het worden: het niets wordt het zijn.
De negatie van het worden is het blijvende dus: het niets blijft zijn.
Ook dat kan nog.
Dan: dasein of erzijn of bestaan.
Dat zou kunnen zijn: Het blijvende oftewel de tijd bestaat of is er (dasein) als bestaan, dus ruimtelijkheid of verschijning. Het worden bestaat als bestaan, is wat stompzinnig als herhaling van het begrip of woord bestaan, maar: het zijn is niets, dat gaat wel, klinkt beter.
Dan vanmorgen de eenheid van het ik en de atoomtheorie als een oneindig aantal verbindingen tussen het ik-punt en de veelheid van microwezentjes. Dan ook nog de liefde als inhoud en de verbinding als vorm. Dus het schijnt nu wel te lukken de inhoud ook tot een verbindende vorm te maken. Het probleem is dan het zelfstandig naamwoord (de inhoud) steeds in een koppelwerkwoord te veranderen.
Dus zo dat de steen ook als een verbindende specie kan worden geïnterpreteerd, wat dan ook weer steeds andersom moet kunnen, waar ik nog niet over heb nagedacht, maar met het zijn is niets al wel het geval is.
De liefde bemint....de haat als tegendeel.
Dus ook dat gaat wel. Het ik ikt.....?
Het ik verikkigt zich, stoot het andere van zichzelf af, verikkigt tot niets, de negatie van zichzelf tot het andere als wij.


Nu schiet me nog een andere Hegeliaanse mogelijkheid te binnen naar aanleiding van iets wat ik eerder had geschreven bij Wetenschap 2:

B. Materie und Bewegung.

Endliche Mechanik.

§ 262 (natuurfilosofie)

Die Schwere ist von der bloßen Attraktion wesentlich zu unterscheiden. Diese ist nur überhaupt das Aufheben des Außereinanderseins und gibt bloße Kontinuität. Hingegen die Schwere ist die Reduktion der auseinanderseienden, ebenso kontinuierlichen Besonderheit zur Einheit, als negativer Beziehung auf sich, der Einzelheit, einer (jedoch noch ganz abstrakten) Subjektivität.

Vertaling: de zwaarte is van de loutere aantrekkingskracht wezenlijk te onderscheiden. Deze is slechts het opheffen van het uitelkaarzijn en geeft loutere continuïteit. De zwaarte daarentegen is de reductie van het uitelkaarzijnde, eveneens continueerlijke bijzonderheid tot eenheid, als negatieve betrekking op zich, de enkelheid, van een (echter nog geheel abstracte) subjectiviteit.

Ik: Hegel meent dat de uiterlijke natuur in het zwaartepunt zichzelf opheft tot een geestelijk "ik" als subjectiviteit, de natuur daarin dus overgaat in het geestelijke. Maar de natuur zelf lukt dat niet, deze blijft buitenkant. Het is dus slechts een pogen daartoe. Dit heb ik dan ook zo van Börger begrepen, die het daar wel eens over had. Maar nemen we mijn atoomtheorie "ter hand", dan lijkt het mij onwaarschijnlijk dat de geest als subject pas zou ontstaan na een oneindige reeks van hogere culturen in een oneindig klein punt. Neen, alles wat natuur is is ook geestelijk, ideëel dus. En de geest is niet alleen een oneindig klein punt, maar ook oneindig, dus zou je het ook om kunnen draaien en het streven van de zwaarte veranderen in het streven naar "lichtheid", afstootkracht dus, en met name het licht zelf, dat juist naar buiten straalt. Nu kan deze de oneindigheid zelf nooit bereiken of me moeten Einstein erbij halen, volgens wie het licht een absolute snelheid heeft en de tijd dus stil komt te staan (ook van de microwezentjes? - hoewel me dat twijfelachtig lijkt, want die bezitten een eigen snellere tijd) en het heelal met een oneindige snelheid voorbij zou gaan.
Kortom: in nul seconden is dan de oneindigheid bereikt en tevens een eeuwige tijd voorbij gegaan.

Kortom: terwijl Hegel steeds de negatie bereikt door het abstraheren tot niets (als het ware als zwaartepunt) kun je het tegendeel ook bereiken door een begrip te verabsoluteren, dus oneindig te maken en aldus het tegendeel op te nemen. Zo kun je het eigen ik tot een punt maken en dan wordt het een abstract begrip als niets, maar ook veraboluteren tot oneindigheid, dus tot God dat evenzeer een WIJ is. Of de absolute vrouw, die ook het manlijke omvat. Of ten derde een begrip meteen als tegendeel stellen, daarmee verenigen, vanuit de algemene idee dat alles een is met eigen tegendeel.

Dan nog zo dat bij een synthetisch systeem van Hegel dat opbouwend verloopt, steeds met het negatieve begrip begonnen moet worden (bv niets, zijn en worden), zodat het grafisch omhoog gaat, en ook steeds het negatieve begrip verabsoluteerd moet worden. Bv het absolute niets is het zijn, of is het niets van niets tot het zijn. Omgekeerd bij de analyse (vanuit God als eerste) steeds met het positieve begrip begonnen moet worden, dat dan grafisch naar beneden loopt door het positieve begrip (eerst god dus) te abstraheren, dus bij God tot de subjectieve God als individuele persoon vanuit zijn oneindigheid en dan het Wij. Zo ongeveer, wat ik nu nog uit moet proberen of het werkt.

Uit dagboek van 14 juli:

Hegel en Aristoteles.

Dan vanmorgen nagedacht om de logica van Aristoteles met die van Hegel te vergelijken, want beide hebben ongeveer hetzelfde principe: het algemene en het bizondere en het enkele. Maar: alle mensen zijn sterfelijk (al reeds een drie-eenheid van: alle en mensen en de sterfelijkheid als waarneming) en: Socrates is een mens, is geen echte tegenstelling. En de conclusie is niks nieuws, geen echte concretere synthese. Het is een minimale logica. Dan kan een tegenstelling ook een eigenschap zijn, dus in een verhouding van subject en "object", in: de mens is sterfelijk, is ook geen tegenstelling. Wel eerst in: de mens is een levend wezen, wat de essentie van het mens-zijn uitdrukt, en ook geen tegenstelling uitdrukt, maar wel opklimmend van het bijzondere (mens) naar het algemenere, is: levend wezen, dus samen met de dieren en planten. En tegenover het leven komt de dood te staan, wel als tegenstelling. En wel kunnen eerst mensen en dieren als tegenstelling genomen worden tot de synthese van levende wezens als algemene grondslag. En de beginnende logica van Hegel is van Heraclitus af gekeken met zijn en niets tot worden en niet vuur als basis, maar terecht (volgens Sextus Empiricus) de tijd. Uit Hegel zelf.

Uit dagboek van 21 juli:

Gestuit op Aristoteles als de meer wetenschappelijke filosoof met een analytisch systeem inplaats van synthetisch zoals Hegel.
Niet opstijgend van het algemene naar het bijzondere en enkele (bij Hegel), maar als afdalend (wat vanwege de volgorde van algemeen en bijzonder en enkel tegenstrijdig is met elkaar*), wat inderdaad in zijn logica van Aristoteles niks nieuws oplevert**. En dan zijn tegenstelling van enerzijds de vormen, die zich als het ware in de materie "inprenten".

*En God als hoogste verenkeling bij Hegel is ook algemeen als eeuwig en oneindig.

**mijn atoomtheorie is ook afdalende vanuit het godsidee, maar levert dan wel iets nieuws op omdat het godsidee van Hegel pantheïstisch is, dus niet klopt.

Maar daarvoor was ik nog met de scholastiek bezig, wat eigenlijk al het begin van de Renaissance was (volgens Prisma) met de tegenstelling tussen realisten en nominalisten als tussen Plato en Aristoteles en door Abélard tot een verzoening werd gebracht in de drie-eenheid van begrippen vóór de dingen bij God (Plato), dan in de dingen (de vormen van Aristoteles) en bij de mensen na de dingen*. Maar opmerkelijk dat deze verzoening ook al daarvoor door de Arabische filosoof Avicenna was gevonden.

*En verder zo dat de mensen ook het eerste standpunt van god kunnen begrijpen en beredeneren (Hegel) en ook toepassen, want de mens schept ook steeds nieuwe dingen uit nieuwe ideeën. En de begrippen in de dingen ook als Geest in mijn atoomtheorie, dus de geest der microwezentjes.

 
Aristoteles heeft een wat onduidelijke filosofie van de vorm tegenover de materie als dualiteit met krachten als doel vormen te scheppen met weerstand van de materie. Maar materie ontstaat pas met de vorm, en niet daarvoor al (oneindige differentiatie van de ruimte in zichzelf in punten en lijnen en grenzen tot clusters en sterren en atomen, enzovoort).

Dan is in mijn atoomtheorie voor tijd en ruimte (de mechanica bij Hegel) geen God nodig, pas bij de vorm door de microwezentjes uit de atomen (de fysica), dus een soort gelijkende tegenstelling als bij Aristoteles? Hiervoor zou het begrip Geest gebruikt kunnen worden om net als bij God en Mens, nu voor de eenheid van God en de abstracte logica, dus de nog onpersoonlijke geest van de logica in eenheid met de geest van God. Zodat de heilige geest dan drie omvat: logica (mechanica) en God en Mens als vierde in plaats van derde. Hoewel ook de fysica er nog bij opgeteld kan worden, maar goed: logica plus mechanica plus fysica, de laatste door God gebruikt voor de ruimteschepen. De vormen der fysica moeten dan nog logisch beredeneerd worden en dat zal Hegel wel goed gedaan hebben (eenheid leeg en vol als grens uit het punt, wat ik al zelf ook gedaan heb in mijn file: wetenschap).

Uit dagboek van 22 juli:

Dan nog Aristoteles met zijn definitie als onderscheidend en verenigend, zoals de mens is een denkend (onderscheidend) wezen (verenigend met de dieren). Dat is goed bedacht. Zo is een huis dan een gebouw (verenigend met andere gebouwen) om in te wonen (onderscheidend van andere gebouwen). Maar hoe definiëer ik dan de wereld? Het heelal voor zover daar mensen wonen? Heelal is verenigend en mensen is scheidend. Of: plek waar mensen wonen. Er zijn ook plekken (verenigend) waar geen mensen wonen (onderscheidend). Maar er is ook en dierenwereld? Dus een plek waar levende wezens wonen. Maar met wereld kan ook het onbewoonde heelal bedoeld worden, dus als wereld meerdere betekenissen kan hebben wordt het definiëren moeilijk. Dan zou er meerdere definities noodzakelijk. En dan met de Hegeliaanse begrippen die hun eigen tegendeel zijn. Het zijn is de meest algemene eigenschap, want alles is. Het algemene is verbindend, maar IS is een herhaling, dus er wordt dan niet gezegd wat die eigenschap eigenlijk is. Zijn is niet hetzelfde als bestaan. Zijn is in de eerste plaats het begrip en kan ook bestaan zijn of bewustzijn. Met een eenvoudige zinsconstructie kom je er niet uit om het te definiëren. Het meer algemene is het worden en het andere is niets.

Verder erger is me aan Aristoles vormen (inplaats van Plato's ideeën). Alsof alles uit vormen bestaat, wat dikke onzin is.

Uit dagboek van 23 juli:

Hegel spreekt zich niet duidelijk uit of zijn logica ook meteen een begin van het heelal impliceert. In zijn dikke logica heeft hij het wel over Anfang, maar in zijn natuurfilosofie zegt hij dat een "rond antwoord" niet te geven valt of het heelal eeuwig is of een begin heeft (paragraaf 247). Dit naar aanleiding van de draad: Heraclitus op het forum in een discussie met Piero.

Uit dagboek van 19 augustus 2016:

Filosofie idee: dat alle begrippen of ideeën van Hegel oneindigheden zouden zijn, dus algemeen geldend, dat had ik al, maar nu of alle andere begrippen ook algemeen geldend zouden zijn voor alle andere begrippen. Dus zo dat alle begrippen Zijn, maar ook Niets zijn en Wordend en als Dasein, enzovoort, of alleen zo dat de beginnende begrippen voor die van de latere gelden, en niet andersom de meer concretere voor de abstractere, of is zelfs dat een mogelijkheid als de concrete geest bijvoorbeeld het Niets begrijpt?



Zie vervolg bij Hegel 2.

 
frame
hoofd-index