Lucas Alting was de stichter van het
landgoed Groenestein in Helpman, Groningen. Hij was
geboren in 1640, hij was dus acht jaar aan het eind van
de 80-jarige oorlog. Hij trouwde later met Rebecca Wiarda,
afkomstig uit Oost-Friesland. Ze woonden in de
Oosterstraat toen in 1672 hun dochtertje Clara werd
geboren.
Lucas Alting moet een man geweest zijn, die van het
buitenleven hield. Vaak zal hij de stad zijn ontvlucht.
Dan lag de Oosterpoort het dichtst bij, vanwaar de
Oosterweg naar Helpman voerde.
Buiten de Oosterpoort gekomen zag men in die tijd aan
weerskanten van de weg hoven van moeskers. Verderop liep
de weg langs weiden. Rechts van de weg bevonden zich ter
plaatse van het huidige Sterrebos enkele heuveltjes met
als hoogste de Kempkensberg. Iets zuidelijker bevond zich
't gerichte met
de galgen. Ging men verder dan riep het Helperdiepje geen
halt toe, daar het nog niet was gegraven.
Zo bereikte men Helpman.
De Oosterweg vervolgde zijn zuidelijke koers. Nu is hij
daar terug te vinden als Coendersweg. Deze naam en de
Geuzenkamp, waarop in 1900 het Helperkerkje werd gebouwd,
herinneren aan jonker Derk Coenders, de bewoner van het
kasteel te Helpman, die in de eerste tijd der hervorming
gelegenheid gaf hagepreken te houden. Even voorbij de
Geuzenkamp boog de weg naar links en voerde langs de
Coendersborg naar Essen.
Wij blijven echter een poosje vertoeven op de landerijen
aan de Oosterweg te Helpman, het terrein van Groenestein.
Het eerste stuk van de oprijlaan is al veranderd in de
stadsstraat Groenesteinlaan.
In de 17e eeuw lagen aan deze kant van Helpman landerijen
van het Heilige Geestgasthuis, terwijl ook oude
geslachten als Alberda, Clant, Ubbena, Entens en Coenders
hier grondbezit hadden.

In 1679 was Helena van Ketwich, weduwe Alberda van
Paterswolde, om financiële redenen genoodzaakt haar
bezit in Helpman van de hand te doen. Het grondbezit, dat
vrouwe Alberda verkocht, bestond voornamelijk uit een
boerenplaats, groot ongeveer 90 à 100 grazen, waarvan de
landerijen zich uitstrekten ten oosten van de Oosterweg.
Daarbij behoorde ook een hof met grachten en singels.
En juist die hof zal Lucas Alting tot aankoop hebben doen
besluiten.
In die tijd noodde de grotere veiligheid van het
platteland de stedelingen tot bouw of aankoop van een
buitenhuis, dat niet langer op verdediging hoefde te zijn
ingericht.
Rondom de stad en nabij Haren verscheen toen menige
moderne 'borg'. Zo kon de stedelijke regent van het
buitenleven genieten en zijn aanzien was daar tevens mee
gebaat.

"De Helperbrinck" noemde men de bezitting in
haar geheel, welke Alting in 1679 aankocht. Deze
opmerkelijke naam werd niet tevoren gevonden, noch nadien.
Hij geeft een aanwijzing de oudste kern van deze Drentse
plaats, de brink, in de directe nabijheid te zoeken.
De hof vormde vrijwel een rechthoek. Er omheen lag een
gracht, terwijl de hof ook werd doorsneden door water.
Rondom de gracht liep een singel.
Bij aankoop moet deze stede een 'ledig erf' geweest zijn.
Weldra liet Alting in zijn hof een huis bouwen. Een steen
met een jaartal in de oostelijke muur geeft heden ten
dage de bezoeker van Groenestein nog te lezen: 1685.

Alting zorgde voor een passende omgeving op zijn terrein.
Met toestemming van buren legde hij als afscheiding een
nieuwe wal aan, die een beplanting van wilgen en
hagedoorn kreeg.
De bezitting van Alting grensde met weideland ten zuiden
aan de landerijen van jonker Derck Clant van Hankema, ten
oosten aan jonker Berent Coenders. Het noordelijke
hooiland strekte zich uit tot het land van vrouwe van
Starckenborgh en genoemde jonker Clant, terwijl de weide
aan de noordkant kwam aan de landerijen van het 'Blouhuis".
Hier had Alting geen adellijke buur. Tebbe Tepens, die
hier woonde was provinciemeier onder Essen. Hij zal een
buurman geweest zijn, die de regent Lucas Alting op een
afstand hield, daar deze Tepens een ongemanierd en onguur
individu was. Herhaaldelijk werden er op de springdingen
tegen hem ingebrachte klachten behandeld.
Springdingen waren
rechtzittingen, die drie keer per jaar in Selwerd
werden gehouden.
Het Blauwhuis werd ook wel Groenendaal genoemd. Toen
Tepens in 1675 het Blauwhuis kocht, werd het geheel
omschreven als zijnde een 'heert landes, Groenendael
genaemt, tot Helpman gelegen, groot t'sestich graesen'.
De naam Blauwhuis vindt men voor het eerst in een
aantekening van het springding van november 1642.
Enkele keren breidde
Alting zijn bezit in Helpman uit door aankoop van een
perceel grond.
In 1701 erfde Clara Alting de Helper bezittingen van haar
vader.
Zij was getrouwd met Johan Wichers. Johan Wichers was
officier. In 1736 bereikte hij de rang van luitenant-generaal.
Door zijn militaire loopbaan was hij vaak lang van huis.
Daarin zal de reden gelegen hebben, waarom het echtpaar
Wichers het landhuis op de duur liever van de hand deed.
Kopers werden Tjaart Adriaan Gerlacius en Aleida Keiser.
Het landgoed bleef in de familie, want de moeder van
Gerlacius was een zuster van Lucas Alting. Deze verkoop
vond plaats in 1726.

In 1743 werd Groenestein door Johan Hendrik Quintus
gekocht voor zijn schoonmoeder Clara Alting, die intussen
weduwe was geworden.
Vermoedelijk had zij het recht van wederinkoop voor zich
behouden.
Mocht mevrouw Wichers het buitenhuis al hebben betrokken,
dan slechts voor kort, want twee jaar later deed ze, voor
haar leven, het gebruik over aan haar andere schoonzoon,
mr. Gulielmus Quintus en zijn vrouw Rebecca Maria Wichers.
Begin 1745 vond de verkoop plaats van de boerenplaats met
beklemming van 90 à 100 grazen. Het recht van weg en
drift over de buitensingels van de 'borg', zoals het huis
wel genoemd werd, bleef het boerenbedrijf ten dienste
staan.
Bij de boedelscheiding in 1763 kreeg de jongste dochter
Clara Beerta het landgoed. Toen zij in 1766 overleed,
kwam de bezitting aan Rebecca Maria Quintus-Wichers.
Sindsdien bleef het buitenhuis eigendom van leden van de
familie Quintus.
Mevrouw Quintus-Wichers woonde, wanneer zij niet op haar
borg in Helpman vertoefde, in het familiehuis der
Quintussen in de Herestraat, het vijfde huis ten noorden
van het Hoogstraatje.
Dit pand was in 1731 aangekocht door Datho Quintus en
zijn vrouw Justina Uchtman. Hun zoon Justus Datho Quintus,
geboren in 1733, ving zijn carrière aan als advocaat.
Naderhand bekleedde hij verscheidene belangrijke ambten;
hij was ook burgemeester van Groningen. Hij was getrouwd
(in 1776) met Catharina Johanna Alberda van Ekenstein.
Met dit huwelijk raakte de familie Quintus voor het eerst
verwant aan Ommelander adellijke geslachten.
Het landgoed in Helpman had zeker zijn belangstelling.
Hij nam het initiatief tot verfraaiing der singels. De
voornaamste verandering was wel de verlenging van de
noordersingel en het aanleggen van een nieuwe singel aan
de oostzijde.
In 1797 kocht hij rechten in de venen en velden in de
Onner- en Glimmermarken, waaraan het genot van jacht en
visserij was verbonden.
Hij overleed in 1817, zijn vrouw in 1830. Hun jongste
zoon, Johan Hendrik, kreeg toen Groenestein met de helft
van de bijbehorende landerijen.
Hij was getrouwd met Ysebranda Tjeska Hoeksema. De
Hoeksema's behoorden sinds lang tot de eerste
handelsfamilies hier ter stede.
Daar Johan Hendrik niet van plan was Groenestein te gaan
bewonen, bood hij het te huur aan.
In 1883 kwam Groenestein in bezit van zijn zoon Onno
Joost.
Het huis zelf was in 1871 belangrijk vergroot.
Het tweeledige exterieur, dat aldus ontstond, bewaart
echter in het oude deel geen oorspronkelijke stijl. De
verbouwer deed dit deel min of meer aanpassen bij de
nieuwbouw met zijn saaie, wat plompe gevel, geheel een
product van die tijd.
De drie royale kamers aan de westzijde gelegen zijn aan
deze verbouwing te danken, evenals de brede gang met
marmeren vloer. En wellicht ook de kamers aan de
overzijde.
Een aan de grote gang parallel lopend gangetje, de keuken
en de overwelfde kelder daaronder, geven de indruk, dat
men hier nog te maken heeft met het oude huis. Een
uitbouw naast de oude ingang aan de noordzijde is
mogelijk een restant van een torentje.
De vele kamers, vertrekjes en overloopjes aan weerszijden
van de brede bovengang kregen zonder twijfel hun vorm
door latere indeling van oorspronkelijk grotere ruimten.
Ook het park onderging een gehele verandering. Honderd
zware eiken en een partij oude linden werden geveild en
grachten werden vergraven. Het bos, dat zo geheimzinnig
het oude huis deed schuilgaan werd vervangen door een
vrolijke tuinaanleg met vijvers en bloemenpracht.

Zo was het een landgoed geworden, dat de heer en mevrouw
(Onno Joost) Quintus- van Royen steeds gaarne 's zomers
zullen hebben betrokken na een winter in de stad, in hun
huis aan de Oosterstraat, even ten zuiden van de
Carolieweg.
Daar hun huwelijk kinderloos bleef, legateerde de heer
Quintus zijn buiten, met het landbezit, aan een neef,
zoon van zijn overleden broer Arnold Daniel Hermannus.
Als weduwe maakte mevrouw Quintus-van Royen gebruik van
het haar toegestane recht, de buitenplaats tot haar dood
te gebruiken.
Na haar dood zou echter geen Quintus het oude familiegoed
meer bewonen.
De nieuwe eigenaar, A.D.H. Quintus, geroepen tot
rechterlijke functies buiten Groningen, was daartoe niet
in de gelegenheid.
In de loop der jaren werd de parkaanleg van Groenestein
weer 'zwaar', er ontstond opnieuw bos. Groenestein wordt
nu geheel ingesloten door de stad. Het park is vrij
toegankelijk.
Vermeldenswaard is nog, dat Onno Joost Quintus een
hartstochtelijk plantenliefhebber was. Hij had op
Groenestein drie kassen. Hij was hiermee zo bekend
geworden, dat zelfs buitenlandse firma's planten naar hem
noemden.
Na zijn dood in 1905 werd de hele afdeling
warmekasplanten geschonken aan de Hortus der Groningse
universiteit.
| Bron: GVA 1958/9
- A.T. Schuitema Meijer |
|