voor
meer: www.tiemens.info
DE BUNKER DIOGENES
Dit artikel, dat uit enkele afleveringen zal bestaan, handelt over de grote bunker aan de Koningsweg (naast de ingang van 'De Hoge Veluwe') in Schaarsbergen. Thans is het kolossale gebouw als hulpdepot in gebruik bij de Rijksarchiefdienst. Maar in de Tweede Wereldoorlog bood het onderdak aan de staf van de Derde Jachtdivisie (3. Jagddivision) van de Luftwaffe. In die tijd droeg het de codenaam Diogenes. In deze bijdrage besteed ik aandacht aan het gebouw, de organisatie die er gebruik van maakte en hoe het er tijdens een luchtalarm aan toe ging. Ook komt de beslissende invloed naar voren, die 3. Jagddivision vooral in de beginfase van de Slag om Arnhem op het verdere verloop van de strijd heeft gehad.

De voormalige bunker Diogenes (achtergrond) met het aangebouwde administratiegebouw, Schaarsbergen
Diogenes
Aan
de Koningsweg in Schaarsbergen ligt, grotendeels aan het oog onttrokken door
bomen en struikgewas, een kolossale bunker. Het gebouw is in gebruik bij het
Nationaal Archief als hulpdepot en grotendeels niet toegankelijk voor publiek.
De grond, waarop vanaf augustus 1942 met de bouw van de bunker werd begonnen,
behoorde toe aan de Stichting Het Nationale Park 'De Hoge Veluwe' maar werd
door de Duitsers gevorderd ten behoeve van de bouw van het vliegveld Deelen.
Omstreeks juli 1943 was de nieuwbouw gereed en een maand of twee later was ook
de inrichting van de bunker klaar.
De zuid-west hoek van Diogenes. Aan de uit de dakrand
stekende ijzeren staven werden naderhand camouflagenetten gespannen, die de
strakke rechthoekige vorm van het gebouw van bovenaf gezien een wat 'rafelig'
aanzien moesten geven
Toen
stond er aan de Koningsweg een gebouw met de volgende afmetingen: lengte 60 m,
breedte 40 m, hoogte 16 m. Bovendien was aan de lange oostzijde nog een
bijgebouw met zware betonmuren opgetrokken. Het bevatte kantoorruimten. De
buitenmuren van het eigenlijke bunkergebouw waren gemiddeld 3(!) m dik, het dak
had eenzelfde dikte. Aan de binnenzijde van de buitenmuren liepen gangen,
waaraan kamers, toiletten en diverse dienstruimten lagen. Behalve op de begane
grond, bevonden deze gangen en andere ruimten zich op nog twee verdiepingen.
Echter, in het centrum van de bunker lag, ingesloten dus door de zojuist genoemde
gangen en ruimten, de zogenaamde grote zaal. En die reikte van de begane
grondvloer tot het dak. Hij vormde het hart en zenuwcentrum tegelijk.
Gebruikelijk werd de bunker via een toegang in het bijgebouw betreden, hoewel
er ook aan de voor- en achterzijde toegangen waren. Alle toegangen konden met
zware stalen deuren worden afgesloten. De bunker bezat voorzieningen om lucht,
die van buiten werd aangezogen te filteren, te verwarmen en op een aangename
vochtigheidsgraad te brengen (klimaatregeling). Een enorm dieselaggregaat kon
de stroomvoorziening veilig stellen. Zelfs schijnt er een installatie aanwezig
te zijn geweest om water op te pompen. De enorme hoeveelheden materialen werden
tijdens de bouw aangevoerd via het spoorlijntje, dat de Duitsers tussen Wolfheze
en vliegveld Deelen hadden aangelegd. Ter hoogte van de bouwplaats was een
aftakking van dat lijntje gemaakt, waardoor het materiaal per spoor 'thuis'
afgeleverd kon worden.
Maar
nu even terug naar het hart van Diogenes, de grote zaal. Deze zaal werd
gedomineerd door een grote matglazen kaart (9 m hoog, 12 m breed), die
verticaal was opgesteld en de ruimte in tweeën deelde. Op de kaart was het
operatiegebied van de divisie aangegeven met daarin de plaats van de
vliegvelden, radarstations, radiopeilstations e.d. Het operatiegebied bestond
globaal uit ons land, de noordelijke helft van België, het Ruhrgebied en een
strook Duitsland langs onze oostgrens. Het was de 'drukste' sector van de
Duitse luchtverdediging. Aan weerszijden van de kaart waren panelen opgesteld,
waarop allerhande aanvullende informatie was vermeld. Achter de kaart waren
amfitheatersgewijs zitplaatsen voor ca. 40 zogenoemde Luftnachrichtenhelferinnen
(vrouwelijk personeel van de verbindingsdienst van de Luftwaffe; in de
volksmond 'grijze muizen', maar door de Duitsers als Blitzmädel
aangeduid) gebouwd. Aan de voorzijde van de kaart zaten de divisiecommandant en
zijn uitgebreide staf, verdeeld over enkele balkons. Wat er gebeurde en hoe dat
gebeurde, daarover later meer.


Links het zogenoemde pensionaat Sacré Coeur aan de Velperweg in Arnhem,
een van de locaties waar de Helferinnen van Diogenes waren ondergebracht.
Rechts: een Ablösung (tegenwoordig zouden we zeggen shift) Luftnachrichtenhelferinnen
staat aangetreden bij Sacré Coeur om met bussen naar hun werk in het commandocentrum
te worden gebracht
Ontwikkelingen die leidden tot de bouw van Diogenes


Wolfgang Falck was de
eerste commandant van het vliegveld Deelen. Toen de Koninklijke Luchtmacht op
1.12.1995 met een korte plechtigheid afscheid nam van het vliegveld als thuisbasis
van een vliegende eenheid, behoorde Falck tot de speciale genodigden
Vlnr. Generalmajor Josef Kammhuber, Oberfeldwebel
Beyer en Major Wolfgang Falck. De foto werd gemaakt ter gelegenheid van
de verlening van het Ritterkreuz aan Beyer (oktober 1941)
In
het gebied ten noorden van de Koningsweg in Schaarsbergen, waar voor de oorlog
de schietbanen lagen, werd direct na de capitulatie begonnen met grondwerk en
bouwactiviteiten. Met man en macht werd er gewerkt aan de infrastructuur van
een gigantisch vliegveld, waarschijnlijk ook bedoeld voor het stationeren van
bommenwerpers. Maar het was het eerste Nachtjagdgeschwader (NJG 1) dat
in augustus 1940 het nog in aanbouw zijnde vliegveld Deelen in gebruik naam.
Bommenwerpers zouden zich er maar zeer zelden laten zien. Op verschillende
plaatsen verrezen kampementen voor de huisvesting van de Duitse militairen
('Kop van Deelen', 'Klein Heidekamp' en 'Groot Heidekamp').
Relatief laat, maar daartoe gedwongen door de
gebeurtenissen, begonnen de Duitsers de noodzaak van het gebruik van
nachtjagers in te zien. Tot het begin van de oorlog dacht men - in beide kampen
overigens - dat de strijd in de lucht alleen overdag zou worden gevoerd. De
Duitse en Britse bommenwerpers waren niet uitgerust voor het uitvoeren van
nachtelijke bombardementen en ook de jachtvliegtuigen bleven ’s nachts aan de
grond. Maar de eerste confrontaties in daglicht tussen bommenwerpers van de Royal
Air Force (R.A.F.) en de Duitse dagjagers verliepen zó desastreus
voor de Britten, dat de noodzaak gebruik te maken van de dekking van de
duisternis zich als onontkoombaar aandiende. Voor de Duitsers betekende dit,
dat zij hun nachtelijke luchtafweer, gevormd door luchtafweergeschut dat werd
ondersteund door zoeklichten, met nachtjagers moesten versterken. Posities van
luchtafweergeschut konden immer gemakkelijk omvlogen worden. Zo werd op 26 juni
1940 Hauptmann Wolfgang Falck, die in Noorwegen enige experimenten met
jachtvluchten in de schemering had uitgevoerd, benoemd tot commandant van het
op te richten 1. Nachtjagdgeschwader. Enkele weken later, op 17
juli 1940, volgde de benoeming van Oberst Josef Kammhuber tot Kommandeur
der Nachtjagddivision. Deze nachtjachtdivisie ging onder Luftflottenkommando
2 ressorteren, dat zijn hoofdkwartier in Brussel had. Dit was het
organisatorisch kader waarbinnen de ontwikkeling van het nachtjachtwapen in
gang werd gezet. Falck kreeg tweemotorige jachtkruisers, zogeheten Zerstörer
- van het type Bf 110 - toegewezen. Dagjagers, waarmee hij de eerste Gruppe
van zijn eerste Nachtjagdgeschwader (I./NJG 1) op het volop in aanleg
zijnde vliegveld Deelen formeerde. Daar kreeg Falck ook zijn commandopost (Gefechtsstand).
Van meet af aan stond vast, dat indien de Luftwaffe 's nachts met jagers wilde gaan vliegen, zulks alleen mogelijk zou zijn met de inzet van een enorme verbindingsdienst. En inderdaad is de verbindingsdienst van de Luftwaffe de ruggengraat van de nachtjacht gaan vormen. In september 1940 werd uit manschappen uit tal van eenheden in Deelen een peloton samengesteld, dat de kern vormde van een nieuwe eenheid van de verbindingsdienst, die de aanduiding Ln. Zug II./NJG 1 kreeg. Deze Zug kreeg tot taak om samen te werken met de tweede Gruppe van Nachtjagdgeschwader 1 (afgekort II./NJG 1). Een grote houten villa op een deel van het uitgestrekte terrein van Het Nationale Park 'De Hoge Veluwe' dat bij het vliegveld Deelen (in aanleg) werd getrokken, werd in september 1940 de zetel van Ln. Zug II./NJG 1.
Het Noorse huis in het Nationale Park 'De Hoge
Veluwe'
De Duitsers noemden het als het Noorse huis bekendstaande gebouw Jagdschloß auf dem Kemperberg. De operationele gereedstelling van de nieuwe Nachtjagdgruppe II werd gemarkeerd door een groepsappel op een rolbaan van vliegveld Deelen, afgenomen door Oberst Kammhuber. De Gruppe, die uit Ingolstadt naar Deelen kwam, legde beslag op Noorse huis. Het Luftnachrichten peloton verhuisde dientengevolge op 9 oktober 1940 van het door muizen geterroriseerde houten huis naar een veel comfortabeler (centrale verwarming, gas, badkamer) dubbel woonhuis aan de Apeldoornsestraat in Arnhem. Dict bij het uitgaanscentrum van de stad. Op 9 januari 1941 nam de II. Gruppe haar intrek in het paviljoen van Sanatorium Koningsheide, dat er tot voor kort gevestigd was. Ook de commandant van Ln. Zug II./NJG 1, Oberleutnant Stegeman, ging er kantoor houden. Het Sanatorium Koningsheide was een betrekkelijk nieuw en modern gebouwencomplex, dat op een ruim terrein in Schaarsbergen aan de Koningsweg lag, ongeveer een kilometer ten zuiden van het 'muizenkasteel'. Het sanatorium, op 24 oktober 1936 officieel geopend, kwam tot stand onder de bezielende leiding van de jonge Arnhemse zenuwarts Dr. L.F.C van Erp Taalman Kip (1897-1970), die daartoe in de gelegenheid werd gesteld door de financiële steun van de ouders van een van zijn patiënten. Het verschafte geld werd ondergebracht in een Stichting, die formeel het terrein aankocht en opdracht gaf tot de bouw van het sanatorium. Aan de behandeling in het sanatorium lagen de modernste inzichten uit die tijd ten grondslag over hoe lijders aan psychosen en neurosen geholpen konden worden. "Het sanatorium Koningsheide is een 'klasse-inrichting', bestemd voor 'lijders aan psychosen en neurosen die zelf in hun verpleegkosten voorzien en die er prijs op stellen, dat de inrichting waar zij verpleegd worden zoveel mogelijk hun eigen milieu benadert." Dat dit milieu als 'het betere' aan te merken was, moge duidelijk zijn. Volgens de kroniek van het sanatorium ontving Dr. Taalman Kip op 11 juli 1940 bericht, dat het paviljoen moest worden ontruimd ten behoeve van de Luftwaffe.

Hoofdgebouw en
bijgebouwen van de psychiatrische inrichting 'Konings Heide', ruim een half
jaar na de officiële opening (datum foto: 28.05.1937)
Een maand later vond die ontruiming in grote haast
plaats, de patiënten werden ondergebracht in een dienstwoning elders op het
terrein. Maar toen die op 25 oktober 1940 ook door de Duitsers werd gevorderd,
restte de geneesheer-directeur niets anders dan met staf en patiënten zijn
inrichting te verlaten. Eind maart 1941 verhuisde Ln. Zug II./NJG 1 naar
het sanatorium en bleef daar totdat de eenheid op 1 mei van dat jaar ons land
de rug toekeerde. Zij stelde haar onderkomen, netjes opgeruimd, weer ter
beschikking van Unterkunftverwaltung Deelen. Intussen was de Nachtjagddivision
van Kammhuber al een heel eind op streek met de concretisering van haar ideeën
over de inrichting van een centraal geleide nachtjagerorganisatie. Het ging
daarbij om een geheel nieuwe wijze van oorlogvoeren, waarmee dus nog geen
enkele ervaring was opgedaan, waarin geheel nieuwe hulpmiddelen (radar!)
toegepast zouden worden en waarvoor de tactieken en procedures nog uitgewerkt
moesten worden, terwijl de organisatie 'op de grond' daar geheel op toegesneden
diende te worden. Om zo snel mogelijk inzicht te verwerven in de manier waarop
al deze variabelen het beste tot één werkzaam geheel gesmeed konden worden, nam
Kammhuber het besluit een commandocentrum in te richten als proeftuin voor de
centraal geleide luchtverdedigingsorganisatie. De keuze viel op het sanatorium
aan de Koningsweg in Schaarsbergen als vestigingslocatie. Het terrein
veranderde weldra in een grote bouwplaats. Er verrees een flink aantal gebouwen
met dikke, scherfwerende, bakstenen muren, die dienden als onderkomen van het
personeel van de Nachtjagddivision, dat de commandocentrale ging runnen.
Aan de rand van het gemeentebos verrees het gebouw voor het
proefcommandocentrum. Over het paviljoen, waarin kantoren werden ondergebracht,
werd een enorm net van camouflagegaas gespannen.

Een sterke uitvergroting van een uitsnede uit een luchtfoto van
vliegveld Deelen, die een Brits verkenningsvliegtuig op 2.07.1942 maakte. Het
hoofdgebouw van de psychiatrische inrichting is grotendeels aan het oog
onttrokken door camouflagegaas dat er overheen is gespannen. Aan de benedenrand
van de foto, in de bosrand gelegen, is het proefcommandocentrum reeds te zien
Op
16 januari 1942 nam de staf van de Eerste Nachtjachtdivisie (I.
Nachtjagddivision) onder bevel van Generalmajor Kurt-Bertram von
Döring (18.02.1889) zijn intrek in Divisionsdorf, zoals de
bezetter het voormalige sanatoriumcomplex omdoopte. De staf van Kammhuber, tot dat ogenblik
staf van de nachtjachtdivisie, werd verheven tot staf van het XIIe Vliegerkorps
(XII.Fliegerkorps). Von Döring, veteraan jachtvlieger uit de Eerste
Wereldoorlog met 11 overwinningen op zijn naam, bleef tot 9 november 1943 de
scepter zwaaien in Schaarsbergen.
Generalmajor Kurt-Bertram von Döring
in Schaarsbergen 
Met
grote voortvarendheid werd er intussen gewerkt aan het inrichten van
radarposten langs de kust t.b.v. een vroegtijdige alarmering. Voorts werd een
keten van radarstations als een ware drempel voor de gehele westgrens van
Duitsland opgebouwd, waarna verdere uitbouw van die keten in de diepte volgde.
Bovendien werd een netwerk van radiopeilstations over het divisiegebied gelegd.
Dat moest zorgen voor het vaststellen van de positie van de eigen nachtjagers.
Het proefcommandocentrum van de nachtjachtdivisie kreeg telefoon-, telex- en
radioverbindingen met al deze stations, met de vliegvelden, met centrales van
de luchtwachtdienst en met de eenheden luchtdoelartillerie. Aldus ontstond er
een organisatie en infrastructuur die de leiding van de nachtjachtdivisie in
staat stelde de gebeurtenissen in het divisiegebied op de voet te volgen en die
te beïnvloeden. In de loop van 1942 hadden de Duitsers zoveel ervaring
opgedaan, dat de eisen geformuleerd konden worden waaraan een definitief
onderkomen voor een divisiecommandopost moest voldoen.
Helferinnen werken in
de Aufnahme van de oude Gefechtsstand, het 'proef'-commandocentrum,
van de nachtjachtdivisie. Zij noteerden de meldingen die van de Flugmeldedienst
binnenkwamen op papiertjes en gaven die door. Later werd er een transportbandje
voor de werktafels aangelegd, waarop zij de bonnetjes konden leggen. Om veiligheidsredenen
zijn later de vensters dichtgemetseld
Zo
ontstond het ontwerp van Diogenes. Ondertussen begon de organisatie in de
proefcommandopost van de nachtjachtdivisie zó goed te voldoen, dat de leiding
van de Luftwaffe besloot om de dagjagers ook onder bevel ervan te
plaatsen. Vanaf dat moment heette de divisie Eerste Jachtdivisie (I.
Jagddivision). Op 1 augustus 1942 arriveerde Oberst Walter Grabmann
(20.09.1905) in Schaarsbergen als Jagdfliegerführer Holland/Ruhrgebiet,
de verantwoordelijke man voor de inzet van de dagjagers. Grabmann behoorde tot
de nieuwe generatie jachtvliegers. Hij had 12 overwinningen op zijn naam staan,
6 behaald in Spanje en 6 in de Battle of Britain.
Oberst Walter Grabmann, Jafü
Holland/Ruhrgebiet in Schaarsbergen (1943) 

Een sterk uitvergroot detail uit een Britse luchtverkenningsfoto
van 17.04.1943 toont Diogenes in aanbouw (linkerbovenhoek)
Tijdens
de bouw van de Diogenes bleef de organisatie van de nachtjacht onstuimig
groeien. Toen Diogenes omstreeks oktober 1943 in gebruik werd genomen, was de
Eerste Jachtdivisie, voor wat betreft de organisatie op de grond zowel als die
van de vliegende eenheden, tot volledige ontplooiing gekomen. Maar ook de
geallieerde luchtmachten hadden niet stil gezeten. Met als gevolg dat de
aanvankelijke successen van de Jagddivision (waarvan het aantal zou
uitgroeien tot zeven) zienderogen afnamen. Von Döring moest het veld ruimen.
Hij werd als divisiecommandant opgevolgd door Oberst Walter Grabmann,
die per 1 augustis 1944 werd bevorderd tot Generalmajor. Tien dagen
nadat Von Döring van zijn functie werd ontheven, werd Kammhuber, die het bleef
zoeken in 'meer van hetzelfde', 'weggepromoveerd'. Zijn XII. Fliegerkorps
werd opgedeeld in twee Jagdkorpse, te weten I. Jagdkorps en II.
Jagdkorps. Generalmajor Beppo Schmidt (Generalleutnant per
1.7.1944), een vertrouweling van Göring, kreeg het bevel over I. Jagdkorps,
dat het grootste deel van het oude XII. Fliegerkorps omvatte.
Tijdens een luchtalarm
Wie
tijdens een luchtalarm (Fliegeralarm) de grote zaal van Diogenes zou hebben
betreden, zou ongewild onder de indruk geraakt zijn van de rumoerige
bedrijvigheid en de opgewonden, soms bevelende stemmen die hem vanuit de in het
schemerdonker gehulde ruimte tegemoet kwamen. Zijn aandacht zou worden
getrokken door de sterk oplichtende lijnen op de matglazen kaart die door
ultra-violet licht werd beschenen. Geboeid zou hij kijken naar de groep rode
lichtvlekjes die op de kaart, als door een magische hand gestuurd, langzaam
over de Noordzee de Nederlandse kust naderden. De luchtaanval die zich voor hun
ogen aftekende had Grabmann en zijn mannen (en vrouwen!) niet verrast. 's
Middags had de radio-uitluisterdienst (Horchdienst) al melding gemaakt
van druk radioafstemverkeer. Het duidde erop dat de technici in Engeland bezig
waren de zenders van de bommenwerpers in te regelen. Een voorbode van een
nachtaanval. Grabmann had vervolgens zijn meteo-officieren geraadpleegd. Zij
hadden de weergegevens van de Britse vliegvelden in kaart gebracht en konden zo
ongeveer aangeven welke vliegvelden, wat de weersituatie betreft, in de te
verwachten actie betrokken konden worden. Hieruit kon Grabmann, die wist welke
eenheden op welke vliegvelden lagen, zich al wel een beeld vormen van wat hij
verwachten kon. De Duitsers in Diogenes wachtten af.

Deze foto geeft een goed overzicht van de opstelling van de
centrale kaart en die van de divisiecommandant met zijn staf. Deze foto is na
de oorlog gemaakt in de tweelingbunker van Diogenes die in gebruik was voor de
sector (Abschnitt) Denemarken van 2. Jagddivision en die stond
bij Grove. Deze bunker droeg de codenaam Gyges. De lay-out van beide bunkers
was dezelfde
Toen
in de loop van de avond radiosignalen opgevangen werden welke erop wezen, dat
de bommenwerpers zich boven Engeland tot aan aanvalsformatie aaneen sloten,
steeg de spanning snel. De nachtjagers werden in staat van paraatheid gebracht,
de vliegers namen plaats in hun toestellen; Sitzbereitschaft. Spoedig
verschenen de eerste rode lichtjes links op de glazen kaart, gadegeslagen door
Grabmann en zijn staf. De langeafstand radarapparaten aan de kust signaleerden
de eerste bommenwerpers, terwijl die nog zo'n 200 km (bijna 3 kwartier
vliegen!) verwijderd waren. De radarstations gaven hun waarnemingen
rechtstreeks door aan de 'Blitzmädel' die in de bunker aan de andere
kant van de glazen kaart zaten. Zij projecteerden met een schijnwerpertje de
opgegeven positie van het doel op de matglazen kaart. Langzaam maar zeker
tekende de in aantocht zijnde formatie bommenwerpers zich op de kaart af. Zodra
de bommenwerpers binnen het bereik van de middellangeafstand radars kwamen,
verschenen ook hun waarnemingen op de kaart. Daarnaast leverde ook de Flugmeldedienst
informatie over de bommenwerperstroom. Deze dienst werkte vooral met Auge
und Ohre Meldungen, aangeleverd door speciaal ingerichte waarnemingsposten
door het gehele gebied van de divisie. De route die de bommenwerpers volgden
kon nu vrij nauwkeurig worden vastgesteld. Ook de hoogte waarop ze
vlogen kon nu worden bepaald. Het moment was aangebroken om de nachtjagers op
de vliegvelden die het eerst voor actie in aanmerking kwamen, startbevel te
geven. Het was zaak de jagers op tijd te laten starten. Zouden ze te vroeg
starten, dan zouden ze onnodig brandstof verbruiken, waardoor de tijd die
beschikbaar was voor het uitvoeren van een onderschepping, beknot werd. Zouden
ze te laat starten, dan zouden ze extra brandstof verspillen door het najagen
van de bommenwerpers. De juist gestarte nachtjagers werden door de
gevechtsleidingsofficieren (Jägerleitoffiziere), die aan de voorzijde
voor de glazen kaart zaten, naar radiobakens gedirigeerd. Ze moesten die,
wachtend op nadere instructies, op een opgegeven hoogte blijven omcirkelen. De
radarstations 'plukten' successievelijk de jagers weg bij de bakens en
geleidden ze naar het doel totdat de nachtjagerpiloten en hun
boordradaroperateur dat zelf in het oog kregen en op eigen waarneming
hun actie tot een einde konden brengen. Intussen zorgden de radiopeilstations
er voor, dat men in Diogenes precies op de hoogte bleef van de positie van de
nachtjagers in het luchtruim van de divisie. De peilresultaten van de
radiopeilstations werden met wit licht op de kaart geprojecteerd. Mocht daartoe
aanleiding bestaan, dan kon Grabmann zich rechtstreeks vanuit Diogenes tot zijn
nachtjagers wenden om ze instructies te geven. Maar niet alleen de nachtjagers
werden vanuit Diogenes gealarmeerd. Ook het luchtdoelgeschut en de luchtbeschermingsdienst
werden van daaruit doorlopend op de hoogte gehouden van de route die de
bommenwerpers volgden. Bovendien beschikte Diogenes over de mogelijkheid om 'in
te breken' in aan de gang zijnde uitzendingen van de radio-omroep. De
omroepsters van de divisie presenteerden zich daarbij als 'Radio Prima Donna'.
De omroepsters van Radio
Prima Donna in actie in Diogenes 
De
huidige manier van waarschuwen voor spookrijders komt hier sterk mee overeen.
Zo functioneerde Diogenes 24 uur per dag, als dat nodig was. Zo functioneerde
Diogenes ook nog in september 1944. Er was tot dan nooit één bom in de buurt
van dit belangwekkend hoofdkwartier terecht gekomen. Ondanks het feit, dat de
Nederlandse Ondergrondse toch enkele malen op ondubbelzinnige wijze over
Diogenes gerapporteerd had! Bij de voorbereiding en uitwerking van de operatie Market
Garden zagen de geallieerden Diogenes volledig over het hoofd. Het zou
vooral de Britten bij Arnhem duur komen te staan.

Deze waarschuwing kwam
op veel plaatsen in Diogenes op de wanden voor. Helaas zijn dergelijke opschriften
bij de grote opknapbeurt van Diogenes alle verdwenen. Let op de zwarte aanslag
op de wit geweest zijnde muur; die is ontstaan door de brand die heeft gewoed
in het inwendige van Diogenes na de ontploffing in de vooravond van 17
september 1944
September 1944
De
snelle geallieerde opmars in de richting van ons land was voor Grabmann
aanleiding om voorbereidingsmaatregelen te treffen zijn hoofdkwartier te
verplaatsen, zo dat noodzakelijk mocht zijn. In Duisburg werd een
reserve-onderkomen in gereedheid gebracht. Al het materiaal dat in
Schaarsbergen overtollig was, werd daar alvast naartoe gebracht. Daarna was het
afwachten. Ook in de eerste dagen van september 1944 was een oude bekende van
Grabmann in Oosterbeek gearriveerd. Het was SS-majoor 'Sepp' Krafft, die er met
een gedeelte van een SS-opleidingsbataljon was neergestreken. De mannen kenden
elkaar uit de tijd, dat ze beiden bij de Beierse politie hadden gediend. Hoe
het contact tussen beiden tot stand is gekomen zegt het verhaal niet, maar feit
is, dat Grabmann Krafft uitnodigde om op zaterdag 16 september zijn imposante
werkruimte eens te komen bekijken. Aldus gebeurde. Krafft trof het, want er was
nogal wat activiteit van geallieerde jachtbommenwerpers in het
divisieluchtruim. Aan het einde van de middag zetten de beide mannen zich aan
tafel om onder het genot van een zonder twijfel aangenaam hapje en
voortreffelijk slokje oude herinneringen op te halen en oorlogservaringen uit
te wisselen.


Links Diogenes omstreeks 1955, rechts de tweelingbunker Gyges bij
Grove in Denemarken direct na de oorlog. Goed te zien is, hoe de Duitsers met
camouflagenetten poogden de contouren van het enorme gebouw nog enigszins te
verhullen
Onder
het diner werd Grabmann gestoord door een telefoontje uit Diogenes. Zijn Chef
Operaties (la) uit zijn staf meldde hem, dat vanuit het zuiden een
viermotorig vliegtuig, een Vliegend Fort, het sectorgebied was binnengevlogen.
Het toestel volgde de lijn Eindhoven – Nijmegen - Arnhem en cirkelde van tijd
tot tijd ook boven dat gebied. Met name was vastgesteld, dat het vliegtuig, dat
op middelgrote hoogte vloog, ook boven het heidegebied ten westen van Arnhem
cirkelde. Daarbij kwam, dat zich al enige tijd ook een zeer sterke geallieerde
jagerstrijdmacht ophield in het luchtruim van de divisie. Kortom, er deed zich
een zeer bijzondere situatie voor, die zaterdagmiddag. Een situatie die zo
merkwaardig was, dat er voldoende aanleiding bestond om de generaal tijdens het
diner met zijn gast te storen. Nu was het zo, dat de Duitsers al enige tijd
rekening hielden met geallieerde luchtlandingen achter het front. Zo wisten ze,
dat er een geallieerd luchtlandingsleger gereed stond om te worden ingezet.
Wellicht was daardoor Grabmanns reactie op hetgeen zijn Chef Operaties hem
vertelde, zo kernachtig: "lch fress einen
Besen, wenn wir nicht morgen die Luftlandung erleben". Terug
aan tafel vertelde hij Krafft over het Vliegend Fort en de enorme hoeveelheid
jagers. Onder de gegeven omstandigheden kon het vrijwel niet anders of de B-17 voerde
een verkenningsvlucht uit. Bevond er zich een bevelhebber aan boord, die
persoonlijk een laatste inspectie van het toekomstige slagveld kwam uitvoeren?
Grabmann liet zich in deze zin uit tegenover Krafft en waarschuwde hem voor
luchtlandingen de komende dag. Voor Krafft waren de mededelingen van Grabmann
aanleiding enkele voorzorgsmaatregelen te treffen en zijn eenheid al in staat
van alarm te brengen voordat de luchtlandingen bij Wolfheze de volgende dag
werkelijk begonnen. Het was de relatief kleine eenheid van Krafft, die op 17
september 1944 de opmars van de Britten langs twee van de drie routes naar
Arnhem wist te ontregelen. In het gevechtsrapport, dat hij na de Slag opstelde,
repte Krafft niet over zijn bezoek aan Grabmann. Hem zou ook niet bepaald in
dank zijn afgenomen, dat hij Grabmanns waarschuwing niet doorgegeven had.
Tegenover de befaamde militaire historicus Th.A. Boeree deed Krafft het na de
oorlog voorkomen of General Von Tettau, onder wiens bevel hij was
gesteld, hem tijdens een diner voor op handen zijnde luchtlandingen had
gewaarschuwd. Maar we weten nu, dat het diner en die waarschuwing betrekking
hadden op de gebeurtenissen van zaterdagmiddag 16 september 1944.


Had
Grabmann gelijk, toe hij de veronderstelling uitsprak (want meer kon het niet
zijn), dat de B-17 een verkenningsvlucht uitvoerde in het kader van een te
verwachten luchtlandingsactie? Misschien wel, misschien ook niet. Welk toestel
indertijd door de Duitsers is gesignaleerd, heb ik met veel moeite kunnen
achterhalen. Het was een B-17 van de Royal Air Force, een Brits toestel dus.
Echter is het mij tot op heden niet gelukt vast te stellen wat het werkelijke
doel van de opvallende unieke missie was. Wel maakt een Amerikaans rapport
melding van een radio-relay missie van een B-17 op zaterdagmiddag 16 september
1944.
Wanneer
deze melding betrekking heeft op deze vlucht, dan zou dat kunnen betekenen, dat
de B-17, die tot de befaamde 100-Group behoorde, een eenheid die zich bezig
hield met elektronische oorlogvoering (zoals het storen van Duitse
radioverbindingen en radarapparatuur), berichten van radioapparatuur met een
gering bereik heeft opgepikt en doorgezonden naar Engeland. Berichten van de
zogenoemde Jedburgh teams bijvoorbeeld, kleine commando-eenheden, die
enkele dagen voor de luchtlandingen actief waren in het gebied en die waren
uitgerust met walkie-talkies. Dit zou tevens een goede verklaring zijn voor het
van tijd tot tijd cirkelen van de B-17; dat zou immers nodig zijn geweest om
binnen het bereik van de zwakke zenders te blijven. Hoewel de namen van alle
bemanningsleden van de B-17 bekend zijn, is het mij ook niet gelukt met één van
hen in contact te komen. Het heeft er de schijn van, dat de Britten zich lelijk
door de vakman Grabmann in de kaart hadden laten kijken. Zij moeten zich dat
pijnlijk hebben gerealiseed, toen Grabmann hun verhaal tijdens een van de vele
verhoren die hij in zijn bijna driejarige krijgsgevangenschap vertelde.
Zondag 17 september 1944
Al
vroeg werd Grabmann naar de bunker geroepen. Veel jachtbommenwerpers voerden aanvallen
uit in het divisiegebied. Van tijd tot tijd dekking zoekend voor
jachtbommenwerpers, legde hij het laatste deel van zijn tocht naar Diogenes te
voet af. Divisionsdorf werd twee maal gebombardeerd en de
jachtbommenwerpers voerden meerdere beschietingen op de omgeving uit. Het
gevolg was, dat een groot aantal lijnverbindingen (telex, telefoon) van het
hoofdkwartier uitvielen. Een centraal geleide jagerinzet was op dat moment
vanuit Diogenes niet meer mogelijk. Maar voor het overige functioneerde het
hoofdkwartier nog. Omstreeks 13.30 uur kwamen de eerste berichten binnen over
de luchtlanding bij Wolfheze binnen. Vanaf de Galgenberg bij Terlet had de
bezetting van het radiopeilstation Teerose I op deze zonovergoten zondagmiddag
een uitstekend zicht op wat zich bij Wolfheze afspeelde. In een doorlopende
rapportage konden de mannen van Oberleutnant Wilhelm God, die zelf in
Diogenes had gewerkt voordat hij naar Terlet werd overgeplaatst, het
divisiehoofdkwartier op de hoogte houden van de ontwikkelingen. Grabmann kon
niet alleen met de hem nog ter beschikking staande middelen alarm slaan, maar
kon ook al direct mededelingen doen over de plaats en de omvang van de
luchtlanding. Via Diogenes bereikte ook Wilhelm Bittrich, de commandant van het
II. SS-Panzerkorps in Doetinchem, het nieuws van de luchtlanding. Door
de gedetailleerde informatie die hij kreeg, kon hij - zonder tijd te verliezen
aan verkenningspatrouilles - direct tegenmaatregelen gaan treffen. Daarmee was
de rol, die Diogenes in de Slag speelde, afgelopen. In de loop van de middag
kreeg Grabmann opdracht zijn in de gevarenzone liggende hoofdkwartier te
verplaatsen naar Duisburg. Omstreeks 5 uur verdween de divisiestaf richting
Duitsland. Alleen een Sprengkommando bleef achter om het interieur van de
grote zaal met twee vliegtuigbommen te vernietigen. Een roemloos einde voor het
hypermoderne commandocentrum in Schaarsbergen. Al na enkele dagen - toen
duidelijk werd, dat de Britten de bunker geheel links hadden laten liggen en
bij Arnhem en Oosterbeek het onderspit zouden delven - zullen de Duitsers grote
spijt hebben gehad van hun doortastend optreden. De Britse luchtlandingstroepen
hadden met hun actie dan toch nog een fraai succes geboekt, al hadden ze er
geen schot voor gelost en bleven ze er volstrekt onkundig van!
Divisionsdorf en Diogenes verlaten
door de Duitsers (19.09.1944). Het proefcommandocentrum (in het bos aan de
onderrand van de foto) en Diogenes (aan de bovenrand) zijn, evenals de talrijke
onderkomens die op het terrein waren gebouwd, goed te zien. Het hoofdgebouw
gaat nog steeds schuil onder het camouflagenet
Verwarde bossen kabels zijn na de verwoesting van het interieur van Diogenes de stille getuigen die erop wijzen, dat hier een belangwekkend communicatiecentrum was gevestigd
Na de oorlog
Al kort na de oorlog
startte een spelletje poker met als inzet de betonnen nalatenschap van de Luftwaffe
aan de Koningsweg in Schaarsbergen. De eerste deelnemer, die meteen een sterke
troefkaart in handen had, was Stichting Het Nationale Park 'De Hoge Veluwe'.
Deze stichting was immers in haar hoedanigheid van eigenaar van de grond
tengevolge van zogeheten 'natrekking' tevens eigenaar van de bunker. Maar 'De
Hoge Veluwe' wist geen raad met het gebouw en ging op voorhand akkoord met het
in gebruik nemen door het Rijk van een gedeelte van de bunker als bergplaats
voor Rijksarchief. Op 5 juni 1947 verzocht het Ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Wetenschappen het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw een
onderzoek in te stellen "naar de bruikbaarheid
van de bunker te Schaarsbergen ten behoeve van berging van Rijksarchieven".
Tot eind jaren
zestig is het vernielde interieur in de grote zaal onaangeroerd gebleven; hier de
tribunes waar vanaf de Helferinnen op de achterzijde van de matglazen
kaart de posities van de vijandelijke vliegtuigen projecteerden
Al op 9 september
daaropvolgend liet de Rijksgebouwendienst weten, dat vooralsnog op de 3e
verdieping van de bunker zo'n 7.500 strekkende meter archiefplank is onder te
brengen en op de - slechts 1,5 m hoge 4e verdieping nog een 2.000 m.
Op de 2e verdieping moet eerst puin worden geruimd en schade worden
hersteld die hun oorsprong vonden in de explosie op 17 september 1944. Op de
eerste verdieping was de ravage nog veel erger. De 2e en de 1e
verdieping Om het gebouw in een bruikbare archiefopbergplaats te veranderen,
moest er nog heel wat gebeuren. Ramen, deuren, sanitair, elektrische
verlichtingleidingen - het was er inmiddels allemaal geroofd. Bovendien zouden
in de aanbouw nog 3 bureaulokalen en toiletgelegenheid moeten worden ingericht.
En dan werd er nog gestecheld over een conciërgewoning in de aanbouw. Vanwege
de zeer zware betonnen constructie stuitte dit op ernstige technische bezwaren,
maar vanwege de kosten van nieuwbouw werd er uiteindelijk toch voor gekozen om
van een deel van de aanbouw conciërgewoning te maken.
Een andere partij die wel
wat in de bunker zag, was de gemeente Arnhem. Zij koesterde in 1947 al plannen
om van dit gebouw een oorlogsmuseum te maken.
Op 7 januari 1948 diende
zich - met een spoedbrief - de derde gegadigde voor de voormalige bunker
Diogenes aan bij de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting: de Minister
van Oorlog. 'Oorlog' was van mening, dat Leger, Marine en Luchtmacht de eerste
waren die rechten konden doen gelden op de verdedegingswerken die de Duitsers
in ons land hadden achtergelaten. Alleen het probleem was dat 'Oorlog' nog niet
precies wist wat er allemaal was en wat men daarvan kon gebruiken. Maar van de
bunkers te 'Deelen' en te 'Driebergen' kon zij op voorhand al wel zeggen, dat
die zéker niet onder de categorie 'niet nodig' vielen. De Minister van Oorlog
onderbouwde zijn claim op de bunker als volgt: "De
schuilplaats te Deelen behoort voorzeker niet tot de laatste categorie.
Van dit soort werken zijn er hier te lande slechts 2 gebouwd t.w. te Deelen
en te Driebergen (zie ook op deze
website het artikel De bunker in Driebergen). Een dezer werken zal bepaaldelijk moeten worden bestemd
voor een gebruik ten behoeve van de luchtverdediging en wel zo enigzins
mogelijk die te Driebergen. Onderhandelingen met de particuliere eigenaar van
de ondergrond ten aanzien van het beschikbaar verkrijgen daarvan door mijn
Ministerie zijn reeds in een vergevorderd stadium. Nochtans is de goede uitslag
van deze onderhandelingen nog niet verzekerd. Bij eventuele mislukking rest
alleen de schuilplaats bij Deelen. Kan de schuilplaats bij Driebergen
ter beschikking komen van de luchtstrijdkrachten, dan ware n.m.m. toch aan
de schuilplaats bij Deelen een militaire bestemming te geven en wel ten
behoeve van de bevelvoering van de Commandant van een in het oosten des lands
opererende grote militaire eenheid. Voor dit doel is deze schuilplaats bij
uitstek geschikt. Welliswaar zal alsdan aan deze schuilplaats in vredestijd nog
geen behoefte bestaan, doch het gebruik zal bij dreigend oorlogsgevaar binnen
enkele dagen moeten zijn verzekerd, zodat aan een gebruik in vredestijd door
derden zeer beperkende bepalingen zullen moeten zijn verbonden en een
bestemming voor de opberging van museum- of archiefstukken naar dezerzijdse
mening ontoelaatbaar moeten worden geacht".
Het spel was begonnen.
Dat de gemeente Arnhem met
zijn aardige plan tussen de twee ministeries vermorzeld zou worden, was
voorspelbaar, maar jammer. Want de voormalige bunker Diogenes zou een ideale en
unieke locatie zijn geweest voor een Arnhems oorlogsmuseum.
Op 16 augustus 1948 - ruim
twee maanden na het verschrikkelijke ongeluk met een bom, dat behalve vijf
mensen het leven kostte, ook een aanzienlijke schade aan de achterzijde van de
bunker tot gevolg had (zie ook op deze website het artikel De bom die onverwacht explodeerde),
legde 'Oorlog' een volgende kaart op tafel. Zij stelde - kort samengevat - dat:
"Ik verzoek
U, mij te willen doen kennen of op gebruik van beide verdiepingen ten behoeve
van het Rijksarchief - gezien het vorenstaande - inderdaad prijs wordt gesteld
en hoe U zich voorstelt deze aangelegenheid verder te regelen". Aldus eindigde 'Oorlog' haar brief
aan het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting.

De eerste jaren na de oorlog tijdelijke
bergplaats van explosieven
Het spel om de voormalige
bunker Diogenes werd eerst begin 1951 definitief beslist ten gunste van
'Oorlog'. Op 26 januari 1951 kreeg dit ministerie het gebouw in materieel
beheer en onderhoud, terwijl het acht dagen eerder een actie inzette om de
grond te onteigenen. De Hulpverleningsdienst, ressorterend onder het Ministerie
van Binnenlandse zaken, die het bunkercomplex nog steeds gebruikte voor opslag
van explosieven, zou het weldra ontruimen.
Eind 1951 was de inrichting
van de archiefruimte zover gevorderd, dat het Rijksarchief die in gebruik kon
nemen. De woning voor de conciërge en zijn gezin - de heer A. de Ruiter - werd
in de aanbouw gerealiseerd. Vanaf dit moment begon de Rijksarchiefdienst de
bunker stukje bij beetje op 'Oorlog' - later 'Defensie' - te veroveren. De
archiefstellingen begonnen aan een onstuitbare opmars in de talrijke kamers en
gangen van de bunker. De aanspraak die 'Defensie' op het gebouw maakte, bleek
alleen nog uit het openstellen van het bunkerdak als oefenlandingsplaats voor
de Hiller OH-23C 'Raven' helikopters, die enkele jaren op het nabijgelegen
vliegveld Deelen waren gestationeerd. In de grote zaal in het hart van de
bunker, bij uitstek de plaats "ten behoeve van de
bevelvoering van de Commandant van een in het oosten des lands opererende grote
militaire eenheid" bleven het puin en het verwrongen staal tot eind
jaren zestig onaangeroerd.

Een Hiller OH-23C 'Raven' op het dak van
de bunker (noord-westhoek)
Pas
toen werden de grote schoonmaak en verbouwing in gang gezet die het inwendige
van de bunker, die niet langer op de begroting van 'Defensie' drukte, zijn huidige
aanzien hebben gegeven.

Het opruimen van de rommel is klaar, er is een begin gemaakt met de verbouw van de grote zaal
Alleen met de romp van de motor van het grote dieselaggregaat wist men tot nu toe geen raad. Die staat nog steeds op zijn sokkel op de laagste verdieping van de bunker. Het is als zodanig een van de laatste tastbare attributen in de bunker uit de tijd dat die nog Diogenes heette.
Tientallen kilometers archiefplanken
Op wat eens de begane grond was van de grote
zaal, staan nu allerlei grote voorwerpen en stellingen vol met kleine, behorend
tot de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem
Met Sanatorium Koningsheide liep het niet goed af. In de dagen van de Slag om Arnhem werd het gebombardeerd. Het paviljoen brandde geheel uit, doch de barakken en het proefcommandocentrum bleven gespaard. Tegen het paviljoen was bovendien een Engelse bommenwerper die een geslaagde noodlanding had gemaakt, tot stilstand gekomen. Van herbouw van het paviljoen kon wegens gebrek aan middelen vooralsnog geen sprake zijn.

De trieste resten van het uitgebrande paviljoen van Sanatorium Koningsheide, gehuld in wat er nog over is van het camouflagegaas
Wel kocht de Stichting in 1947 van de gemeente Arnhem een van de barakken die op het terrein stonden en die als oorlogsbuit golden. De Stichting stelde de barak weer als woning ter beschikking van de gemeente. Die stelde hem ter beschikking van mevrouw G.A. Huisman die er aanvankelijk kinderen verzorgde. Enige tijd later begon deze ondernemende dame een camping op het terrein bij haar huis, zonder dat de Stichting daar haar goedkeuring voor had verleend. Er ontstond een langlopend conflict tussen mevrouw Huisman en de Stichting, dat uiteindelijk werd beslecht met de aankoop in 1968 door mevrouw Huisman van het terrein voor het bedrag van ƒ 350.000,=.
Camping
International "SCHAERSBERGEN" van de wakkere mevrouw G.A. Huisman
(foto omstreeks 1960)
Hiermee
was er tevens definitief een punt gezet achter de geschiedenis van Sanatorium
Koningsheide. De naoorlogse ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg hadden tot
gevolg, dat er onvoldoende ruimte overbleef om een particuliere psychiatrische
kliniek als Sanatorium Koningsheide, weer nieuw leven in te blazen. De
Stichting ging daarom verder als zorgfonds dat "financiële steun verleent aan projecten op het gebied
van de psychiatrie, die als nieuwe ontwikkelingen kunnen worden beschouwd of
als aanzetten daartoe. Incidenteel wordt steun verleend voor een materiële
voorziening in een inrichting voor psychiatrie". Daarmee hoopte het
bestuur onder de gewijzigde omstandigheden toch passende activiteiten te kunnen
vinden, die in de geest waren van hetgeen de stichters hadden gewild. De
Stichting Koningsheide bestaat tot op de dag van vandaag.
Ook
met Divisionsdorf is het na de oorlog bergafwaarts gegaan, maar daar
bekommerde zich toen niemand over. Echter groeit de laatste jaren in toenemende
mate het besef, dat het toch wel jammer is, dat er nooit iets is ondernomen om
de gebouwen van dit kamp dat, samen met de bunker Diogenes, staat voor een heel
bijzonder aspect van onze bezettingsgeschiedenis - de luchtoorlog - als
ensemble te bewaren. Het aantal barakken dat is overgebleven, is thans op de
vingers van één hand te tellen. Illustratief voor de teloorgang van geheel Divisionsdorf
is de teloorgang van het legeringsgebouw, dat na de oorlog bekendheid kreeg als
"Trekkerslust".
![]()

![]()

![]()



Kaartje van de directe omgeving van het voormalige Sanatorium Koningsheide (november 1944)


Links een kamer in de barak in de kersttijd van 1943, rechts op de achtergrond de barak die na de oorlog de naam "Trekkerslust" kreeg (15 januari 1944)


Links "Trekkerslust" in zijn nadagen als onderkomen van
het Vormingscentrum en Vakantiehuis "De Hemelberg". Rechts het gebouw
in vervallen staat en kort voor de sloop (foto: april 1987)
De bunkers van de overige Jagddivisionen
Medio
augustus 1944 waren naast Diogenes de volgende bunkers voor de Jagddivisionen
van de Luftwaffe in gebruik:
* De bunker te Döberitz - naam: onbekend
De bunker
te Döberitz (Foto: © 2001 Thomas Kemnitz, Virtual Museum of Dead
Places)


1. Jagddivision, in wier sector Berlijn lag, was ondergebracht in een bunker in Döberitz,
een voorstad van Berlijn. De bunker, die van aanzienlijk eenvoudiger bouw
was dan Diogenes maar wiens interieur – met name de grote zaal – veel overeenkomst
vertoonde met die van de ‘Diogenes-klasse’, was iets ten westen van het Olympisch
dorp uit 1936 gesitueerd. Niet bekend is welke codenaam de Döberitz-bunker
kreeg. De bunker staat er nog steeds, het interieur is vrijwel geheel gesloopt.
Enkele voorwerpen, zoals de romp van de grote dieselmotor van het aggregaat
en restanten van de luchtzuiveringsinstallatie houden de herinnering aan het
verleden nog levend.
Links:
de romp van de dieselmotor met rechts het restant van het anker van de dynamo.
Het gewikkelde koperdraad is verdwenen. Rechts: een gedeelte van het framewerk
waarin de grote glazen kaart was opgehangen (Foto's: © 2001 Thomas Kemnitz,
Virtual Museum of Dead Places)
* De bunker te Stade - naam: Sokrates
Foto: via Michaël
Svejgaard - Denemarken
De
bunker voor de staf van 2. Jagddivision was volgens hetzelfde ontwerp
gebouwd als Diogenes. Het bouwwerk lag gedeeltelijk beneden het maaiveld.
Na de oorlog is Sokrates afgebroken, waarschijnlijk echter niet volledig.
Het vermoeden bestaat, dat het overgebleven onderste gedeelte met aarde is
afgedekt
* De bunker te Grove - naam: Gyges

Ook
in de buurt van het Deense vliegveld Grove verrees een bunker naar het model
van Diogenes. Hij was bedoeld om het ondercommando van 2. Jagddivision,
de zogeheten Stab Jagdabschittführer Dänemark in onder te brengen. Klein
verschil met Diogenes is, dat Gyges de massieve ‘puist’ aan de voorzijde mist,
die diende ter bescherming van de hoofdingang. Na de oorlog werd Gyges in
gebruik genomen door de Deense luchtmacht. Het gebouw heeft tot op de dag van
vandaag zijn militaire bestemming behouden.
* De bunker te München/Schleissheim - naam: Minotaurus
In
Schleissheim bij München zetelde 7. Jagddivision in de bunker Minotaurus.
Toen vast stond, dat de Olympische Spelen in 1972 München zouden worden gehouden,
viel Minotaurus ten prooi aan de slopershamer. Hij stond namelijk op het beoogde
Olympisch terrein. Minotaurus was - aan de hand van de beschikbare foto's
te oordelen - van het 'Döberitz-type.
* De bunker te Metz - naam: onbekend
Bij
de Franse plaats Metz was 4. Jagddivision gevestigd. Helaas is nog
steeds onbekend waar het onderkomen stond (en waarschijnlijk nog staat).
Ongetwijfeld had het ook een codenaam en was het een bunker, wellicht uit de
Diogenes-serie.
Behalve
2. Jagddivision, kenden ook 3. Jagddivision en 7. Jagddivision
zogeheten Jagdabschnittführer. Die van 3. JD heette Jagdabschnittführer Mittelrhein (gevestigd
in Darmstadt) en die van 7. JD
was Jagdabschnittführer Ungarn (Boedapest). Hoe deze staven waren ondergebracht,
is niet bekend. Dat geldt ook voor de staven onder 1. Jagddivision en
7. Jagddivision, die zich specifiek met de dagjacht ‘in het oosten’
bezighielden. Onder 1. JD waren dat Jagdfliegerführer Ostpreussen
(Insterburg) en Jagdfliegerführer Schlesien (Cosel), onder 7. JD
was dat Jagdfliegerführer Ostmark (Wenen-Cobenzl).
* Het onderkomen te Jouy-en-Josas - naam: onbekend
De
staf van 5. Jagddivision is vanaf haar oprichting in september 1943
slechts een klein jaar in de Franse plaats Jouy-en-Josas gevestigd geweest.
De bunker waarin de commandopost van 5. JD was gevestigd was aanzienlijk eenvoudiger
dan die van het type Diogenes. 5. Jagddivision kende staven van Jagdfliegerführer
Bretagne in Brest, Jagdfliegerführer 5 in
Bernay en Jagdfliegerführer Südfrankreich in Aix. Verder Jagdabschnittführer
Bordeaux te Bordeaux-Mérignac.
Wat er resteert van de bunker van 5. JD te Jouy-en-Josas, Villacoubly bij Parijs (Foto's: Emmanuel Chnatebout, via Michaël Svejgaard)
4. en 5. Jagddivision ressorteerden onder II. Jagdkorps dat medio 1944 zijn
Gefechtsstand had in de Belgische plaats Chantilly.
1., 2., 3. en 7. Jagddivision stonden onder bevel van. I. Jagdkorps, dat in april 1944 van Zeist/Driebergen verhuisde naar Brunswick-Querum.
Klik hier om terug te gaan naar de Home Page.